Adriaan van Loo en een verstoord gezelschap
In Kruiningen is op 13 januari 1676 een gezelschap verstoord, dat onder leiding stond van Adriaan van Loo, metselaar en schoolmeester uit Middelburg. Jacobus Koelman heeft er in zijn ‘Historisch verhael van de proceduuren tegen Jacobus Koelman’ (1677) melding van gemaakt.
in het huis van Van Loo’s neef Pieter de Back, werd gewoontegetrouw een gezelschap gehouden. Geert Cornelissen, de plaatselijke schout, viel met twee schepenen het huis binnen om de omstreeks twaalf aanwezige personen te beboeten. De leider van het gezelschap was Van Loo. Hij moest mee naar het gevangenhuis onder het kasteel, waar de schout hem zes weken op water en brood wilde zetten en hem wilde beboeten met ‘honderd pondt grooten vlaams’. Van Loo werd aangeklaagd voor het houden van conventikels of ‘heimelijke bijeenkomsten onder de schijn van godsdienst’. Achter de inval zat de lokale predikant Angelus Loele. Deze was een jaar eerder daar al in huis geweest en had toen de samenkomst voor verboden verklaard, omdat ze volgens hem het kerkelijke gezag in het algemeen en zijn positie in het bijzonder ondermijnde.
Van Loo vond dat hem groot onrecht werd aangedaan en hij klaagde daarop de schout aan bij het gericht. Van overheidszijde werd de resolutie van de Staten van Zeeland die op 22 juni 1675 tegen de conventikels was opgesteld, naar voren gebracht. Die was evenwel nooit gepubliceerd en was alleen voor predikanten bestemd geweest. Van Loo werd er verder van beschuldigd de mensen op de tweede Pinksterdag uit de kerk te hebben gehouden, kennelijk omdat hij de opvattingen van Koelman over de feestdagen huldigde.
Voor de rechtszaak kwamen er getuigenissen binnen die iets meer van de persoon van Van Loo vertellen. Zijn predikant, Abraham van de Velde, vond hem een voorbeeldig lid en wenste dat hij meer zulke gemeenteleden had. Hij getuigde dat Van Loo onvermoeibaar was in het toebrengen van anderen tot Christus. Uit andere getuigenissen bleek dat hij ook in Sluis en Groede voor gezelschappen leiding gaf, dus in de naaste omgeving waar Koelman gediend had. Ook bleek hij binnen Goes gezelschappen te leiden en kreeg hij een loffelijk getuigenis van predikanten uit die stad, die deze bijeenkomsten zelf ook wel bezochten. Ook was zijn aanwezigheid op te Middelburg gehouden gezelschappen tot stichting, zoals een groot aantal mensen vandaar getuigde. De rechtszaak werd in der minne geschikt, doordat Van Loo met de schout overeenkwam dat beiden hun eis en aanklacht zouden intrekken. Dominee Loele moest spijt betuigen. Koelman ziet de uitkomst als een overwinning voor allen die gezelschappen wilden houden, en verhaalt deze zaak ‘tot opwekking tot reformatie’.
Van Loo is verder bekend geworden door de uitgave van ‘Geestelyke gesangen, opgemaekt door eenige godvruchtige sangers en sangeressen’, een goedkoop bundeltje, dat veel gebruikt is op de gezelschappen in de zeventiende en achttiende eeuw. Het beleefde niet minder dan twaalf drukken.
De naam van Van Loo komt later aan de orde in de acta van de Walcherse classisvergaderingen van 1682 en 1683. Hij is, na examinatie door de Middelburgse classis, als predikant in 1683 uitgezonden voor de West-Indische Compagnie naar Guinee (het huidige Ghana), waar de slavenhandel bloeide.
Koelman tekent Van Loo duidelijk als een voorstander van het gezelschapsleven dat hijzelf zo nadrukkelijk voorstond en dat door tegenstanders van de beweging zo veel verdacht gemaakt werd. In Kruiningen, maar ook in de omgeving van Sluis, in Goes en ook in Middelburg gaf Van Loo leiding aan zulke samenkomsten. Hij vond de overheid tegenover zich, maar bestreed nadrukkelijk de macht van de overheid in kerkelijk zaken. Hij beklemtoonde de noodzaak van wedergeboorte en levensheiliging en hechtte grote waarde aan het bespreken van de ondervindingen van het werk van de Heilige Geest en van ‘consciëntiegevallen’. Aanvankelijk huldigde hij de opvattingen van Koelman ten aanzien van het nalaten van het lezen van formulieren en het niet houden van kerkelijke feestdagen, maar toen hij een aanstelling kon krijgen als predikant voor de West-Indische Compagnie, heeft hij die opvatting laten varen.
Laat de les van het verstoorde gezelschap voor ons zijn, dat het houden van gezelschappen positief kan zijn als het onder toezicht staat van een plaatselijke kerkenraad en dient tot beklemtoning van de noodzaak van wedergeboorte. Het zingen van goede gezangen kan daarbij een zegen zijn.