Smytegelts optreden in Goes
Smytegelt werd als 27-jarige predikant in zijn vaderstad beroepen. Met grote blijdschap werd hij in september 1692 door ouders, vrienden, maar ook door de hele gemeente ontvangen. Hij werd bevestigd door Carolus Tuinman. Zijn dienstwerk werd bijzonder gezegend. Oude godzaligen zeiden: ‘oude tijden van Barenzonius en Witsius herleven’. Men droeg hem bijzonder achting toedroegen en hij toonde zich godvruchtig en trouw in alle moeilijkheden waarmee hij te maken kreeg. Smijtegelt was een van de vier predikanten die toen de gemeente van Goes dienden. De kerkenraad telde verder vier ouderlingen, van wie een burgemeester Gruwaert was. Die was ook leider van de Goese oranjepartij. Daarnaast waren er vier diakenen. De stad telde in 1692 ongeveer 3500 inwoners. De bekendste van zijn medebroeders was Tuinman, die ook als taalkundige en als dichter naam gemaakt heeft. Smijtegelt heeft slechts twee jaren in Goes gediend. Hij preekte er in de Grote Kerk en in de Kleine of Gasthuiskerk, vroeger de kapel van het Agnietenklooster.
Toen Smijtegelt naar Goes kwam, was er een grote onrust vanwege interne politieke tegenstellingen in de stad. Er waren twee stromingen, die beide door een burgemeester werden aangevoerd. De ene was de partij van burgemeester Adolf Westerwijk. Hij had, zowel in Borssele als in Goes, meegewerkt aan het beroep van Smijtegelt. De andere kreeg leiding van burgemeester Ferdinant Gruwaert, een orangist, en de baljuw, Cornelis Eversdijk, die gesteund werd door Willem III. Eversdijk gedroeg zich niet sympathiek en wekte door zijn optreden veel tegenstand. Hij was plaatsvervanger van de stadhouder en wilde zijn gezag laten gelden, terwijl de partij Westerwijk oude privileges verdedigde. Zij probeerden op belangrijke posten partijgenoten te benoemen. De twist liep zo hoog dat stadhouderlijke troepen de stad hebben omsingeld. Westerwijk zocht hulp bij andere Zeeuwse steden, maar kreeg die niet. Het slot van de dreigende burgeroorlog is geweest dat de anti-Oranjepartij het onderspit moest delven. Haar aanvoerders werden gevangen gezet.
Het kerkelijk leven is in die dagen toch sterk betrokken bij de genoemde tegenstellingen. Opmerkelijk is dat er tussen 16 februari en 18 juni bijvoorbeeld geen kerkenraadsnotulen geschreven waren! Smijtegelt was was als voetiaan overtuigd orangist, maar toonde zijn pastoraat boven partijpolitiek te stellen. Toen Adolf Westerwijk gevangen genomen was, waagde niemand het hem te bezoeken om niet onder verdenking van medeplichtigheid te vallen. Smijtegelt bezocht hem evenwel regelmatig, ook toen hij veroordeeld was ‘om met het zwaard onthoofd te worden tot de dood erop volgt’. Hij toonde moed en zelfverloochening, omdat hij hierdoor een blaam op zijn blazoen zou kunnen krijgen en voor een tegenstander van de stadhouder-koning zou kunnen worden aangezien.
Tijdgenoten verhalen van Smijtegelt dat hij persoonlijk naar stadhouder-koning Willem III is gereisd om gratie voor Westerwijk te vragen. De classis heeft ook en rekwest ingediend en Smijtegelt was toen scriba, dus wellicht heeft hij ook in die functie, samen met de preses, Willem III bezocht met een verzoek om clementie; die is later ook gegeven is. De straffen zijn verzacht tot gevangenschap en verbanning. Temidden van alle spanningen in de stad en in de gemeente had de kerkenraad de bediening van het Avondmaal niet door laten gaan. Er waren zoveel tegenstellingen en er was zoveel onmin onder gemeenteleden, dat men vreesde dat Gods toorn over de stad en de inwoners nog meer ontstoken zou worden. Dit was evenwel niet naar de zin van de magistraat, die zich ermee meende te moeten bemoeien. De predikanten werden ontboden en hun werd geboden de viering van het Avondmaal af te kondigen. Ze beloofden het in een kerkenraadsvergadering te behandelen. Daar werd besloten het Avondmaal op te schorten totdat er een ‘generale amnestie’ zou zijn afgekondigd en alle gestraften dus gratie zouden krijgen. De kerkenraad gaf in het antwoord aan de magistraat wel een opening door te zeggen dat men de zaak ook wel aan de classis wilde voorleggen. Het was duidelijk dat men zich in de kerk niet door de overheid wilde laten regeren.
De magistraat nam geen genoegen met de opstelling van de kerkenraad en bleef eisen dat het Avondmaal per direct zou afgekondigd worden. De overheid dreigde middelen te gaan gebruiken die ‘de vergadering niet smakelijk zou wezen’. De kerkenraad besloot niet te gehoorzamen, omdat ze zich voor God verantwoordelijk voelde voor de gemeente en vreesde ‘tegen God te zondigen’. Twee weken later werd op de zaak op de classis gebracht door de kerkenraad van Goes. De vraag was wie er beslissen mocht, de overheid of de kerk. De classis besloot met meerderheid van stemmen dat Goes met een goed geweten het Avondmaal kon afkondigen, na in prediking en huisbezoeken aangedrongen te hebben op onderlinge vrede. De kerkenraad van Goes kan hier niet blij mee geweest zijn, maar kon niet anders dan handelen naar dit kerkelijk advies. Nogmaals vroeg de kerkenraad om een smeekschrift naar de stadhouder-koning te zenden om de veroordeelde magistraatspersonen vrij te laten. Smijtegelt mocht het weer als scriba overhandigen. De straffen zijn daarop verzacht. Onder leiding van Smytegelt heeft de kerkenraad getoond een vaste, Bijbelse koers te willen varen ten aanzien van de overheid. Het zij tot onze lering.