Willem Teellinck in Banbury
Willem Teellinck is ongetwijfeld terecht benoemd als ‘de vader van de Nadere Reformatie’. Hij studeerde letteren en rechten in Leiden en ging voor verdere studie onder meer naar Engeland, waar hij onder invloed kwam van puriteinse predikanten en van het leven in een puriteinse gemeente, namelijk Banbury. Over het geestelijk leven in die gemeente wil ik hier graag iets vertellen. Het heeft Teellinck diep getroffen. Hij schrijft erover in de Voorrede van zijn Huysboeck, een verklaring van het Kort Begrip bestemd voor de huisgezinnen, dus voor de huiscatechisatie, van zijn gemeente Middelburg. Opmerkelijk overigens dat er kennelijk zoveel afnemers waren dat dit boek toen (de prijzen zijn niet met de onze te vergelijken!) uitgegeven kon worden .
Teellinck is tijdens zijn verblijf niet alleen onder de indruk gekomen van de Godsvreze die hij daar ontmoette, maar hij is ook zelf in zijn hart zodanig getroffen dan hij er een nieuw leven door kreeg en daarbij de roeping van Godswege tot het predikambt, waarvoor hij daarna ging studeren.
De orde in het dagelijks leven was als volgt: Men stond tijdig op, maar ging niet aan het werk dan nadat men eerst de tijd nam voor een ochtendgebed en voor het ‘onderzoekend’ lezen van een Bijbelhoofdstuk. Dit deed ieder in het gezin, ook de dienstboden. Ze kregen daar de tijd voor. Het gezin verzamelde zich weer voor het middagmaal, las gezamenlijk een Bijbelhoofdstuk en knielde neer voor een gebed. |Aan tafel werd het eten door een kort gebed gezegend en het gesprek aan tafel ging over wat men zojuist uit de Bijbel gelezen had. Soms nam men ook de tijd om vragen te bespreken die de vorige dag waren opgekomen. Ieder mocht er iets van zeggen. Daarna zong men een psalm en ging ieder weer aan zijn werk. Bij het avondeten herhaalde zich dit. Voor ze ter ruste gingen namen ze de tijd voor persoonlijke overdenking van wat er tussen God en hun ziel had plaatsgevonden en daarna deed men zijn avondgebed.
Door de week werden de diensten die er in de kerk waren, trouw bezocht. ’s Zaterdagsmiddags kregen de jongeren en dienstboden catechisatie. Op de dag des Heeren stond men tijdig op om met elkaar de Schrift te lezen en dan tijdig in de kerkdienst te zijn. Van ieder werd verwacht dat die goed luisterde, want thuis moest men erover kunnen spreken en de toepassing voor zichzelf maken. Men bad aan tafel om Gods zegen erover en ook was de inhoud van de preek het onderwerp van gesprek. Er werd een psalm gezongen en ieder zonderde zich af om door gebed en meditatie zich op de middagpreek voor te bereiden. Ook die preek werd na thuiskomst overdacht of gezamenlijk besproken. Tegen de avond kwamen ze weer samen om te zien of iedereen geluisterd had, en of wat men onthouden had. Wat er voor lessen waren voor het persoonlijk en huiselijke leven werd gezamenlijk onderzocht en besproken, en er werden nodige verbeteringen voor het persoonlijk leven of het gezinsleven voorgesteld. Men deed weer een gezinsgebed en zonderde zich af. Zo zocht men elkaar op te scherpen.
Ging men op zondag een wandeling maken, dan probeerde men dat met iemand te doen, die iets van Gods Woord kon uitleggen. Ook schreef men wel op wat men op een andere tijd aan anderen kon vragen, bijvoorbeeld op een gezelschap dat door de week werd gehouden. Men had aandacht voor anderen, bijzonder ook voor behoeftigen en zieken.
Teellinck schrijft dat de vruchten van zo’n wijze van samenleven zichtbaar werden en ook andere gezinnen overtuigden en aanstaken, en zo zou het nog moeten zijn. Laten we er van leren voor onze gezinnen. Het ging toen niet om een harde, koude wettische godsdienst, maar om een warm en liefdevol leven voor Gods aangezicht, wat Teellinck graag in zijn gemeente in Middelburg wilde zien opbloeien, en wij met hem.