Maken kleren de man?
Opmerkelijk is het grote verschil dat ik onlangs zag in de kleding van een commissaris van de koning en het uniform dat zestig jaar geleden door de commissaris van de koningin gedragen werd. Wat dit laatste betreft: ik was als jong onderwijzer uitgenodigd om deze hoogwaardigheidsbekleder met mijn schoolklas in Moerkapelle op te wachten. Hij droeg een deftig uniform dat kennelijk bij zijn ambt hoorde, inclusief steek, sabel, enzovoort. Iedereen behandelde hem met grote achting of hij de koningin zelf was. Die vertegenwoordigde hij ook zo ongeveer. Maar onlangs zag ik een foto van een commissaris van de koning in onze tijd. Hij droeg vrijetijdskleding: een spijkerbroek, een los overhemd, vanzelf zonder stropdas, en was eigenlijk gekleed zoals iedere bouwvakker er tijdens zijn werk bij kan lopen. Ja, wat zegt werkkleding van degene die ze draagt? Wat zegt ze van je werk en wat van je persoon? Vragen we ons dat nog af? Onze koning zag ik gelukkig nog nooit in een korte broek.
We leven in een tijd waarin sommigen alles willen relativeren en graag wil ik daar enig begrip voor opbrengen. Toen ik als predikant in het ziekenhuis lag, was ik in een zorgsituatie in mijn pyjama de gelijke van ieder ander. Voor God zullen we ons ook niet kunnen verfraaien met uiterlijk vertoon. Er kunnen omstandigheden zijn waarin er een gelijkheid is, die we moeten beseffen. Voor God zijn we elkaars gelijken en in Christus is dan man noch vrouw, zegt de apostel Paulus (Gal. 3:28). Ook op een begraafplaats, zegt Job, zijn alle mensen gelijk: ‘Met de koningen en raadsheren der aarde, (…); of met de vorsten (…) of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens die het licht niet gezien hebben. Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; Daar zijn de gebondenen tezamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet. De kleine en de grote is daar, en de knecht vrij van zijn heer’ (Job 3:14-19).
Toch kan ik de mening niet delen van hen die alle kledinggebruik willen nivelleren en dus alle onderscheid wegnemen. Als je uitgenodigd wordt voor een samenkomst waar de koning is, zijn er kledingregels om je aan te houden. Geen mouwloze jurken of vrijetijdskleding zijn dan toegestaan. Bij onze kerkdiensten, een samenkomen voor God aangezicht, zien we ook graag dat men zich gepast kleedt en eerbied uitstraalt. We zoeken geen opzichtigheid, maar wel netheid.
Opmerkelijk is het dat bij discussies over kleding onder ons vaak vrouwen en meisjeskleding aan de orde komen en de kleding van mannen of jongens voor veel mensen tamelijk onverschillig lijkt te zijn. Ik wil me nu eens bijzonder richten op volwassen mannen
Ik zie veel oude mannen in de kleding van hun jongenstijd lopen, met ontblote verrimpelde benen. Schoonheid doet dan niet mee. Ook status heeft geen invloed. Over fatsoen wordt niet nagedacht. Wellicht is het enige verlangen er jeugdig uit te zien op je ver gevorderde leeftijd. Dat willen vrouwen vaak ook door hun opmaak en verven. Maar het zal onze leeftijd niet verjongen.
Je ziet in de jongenskleding van een grijsaard niets anders dan dat men zijn leeftijd niet geaccepteerd heeft en de bezonnenheid en wijsheid die bij de grijsheid moet horen, van weinig waarde acht. De kleren tonen het. Graag wil ik pleiten voor meer fatsoen. Laat men in de besloten kring van de slaapkamer bij warme weer een shortama dragen of ook in een ziekenhuis zich aanpassen, maar voor het openbare leven pleit ik voor enige netheid, zeker bij een bepaalde status, bijzonder ook bij ambtsdragers, tot onze koning toe.