Stichten of ontstichten
Het is opmerkelijk dat uit Schotse kerken het orgelspel wordt geweerd uit de eredienst. Een bevriend Schots gezin weigerde eens een dienst van ons bij te wonen, omdat er een kerkorgel bespeeld werd. In hun gemeenten zong men a capella. Men wijst op de reformatie en inderdaad was ook toen het orgelspel lang tegengehouden als een onstichtelijke Roomse erfenis. Calvijn wilde wel graag het kerkgezang invoeren, maar zonder orgel. Zwingli, die overigens heel muzikaal was, wilde zelfs niet zingen, maar alleen verzen reciteren. Ook tijdens de Nadere Reformatie en daarna waren er stemmen die het orgel geen plaats in de kerkdienst wilden geven en die waarschuwden tegen het afleiden van het doel van de prediking.
Inderdaad wordt een kerkdienst soms onstichtelijk door iemand die achter het orgel zijn eigen eer en niet die van God zoekt. Het is erg als iemand er zijn grote ‘ik’ wil laten horen en er voor eigen eer en roem wil ‘optreden’. God moet in de eredienst verheerlijkt worden en de gemeente gesticht.
Helaas krijgt een orgel in een kerkgebouw vaak een te dominante plaats in een kerkgebouw, namelijk boven de kansel. De Bijbel valt in het niet, terwijl Gods Woord toch centraal moet staan. Architecten en allen die bij de kerkbouw betrokken zijn, zouden moeten weten dat een muziekinstrument bijzaak is. Een tijdlang bleven in de protestantse kerken bezwaren tegen het orgel leven. Was de zang niet altijd even ordelijk dan wilde men slechts correctie door zangscholen die de mensen moesten leren zingen. Velen waren van mening dat met het orgel de Roomse superstitie terugkeerde in de kerk. Rome had het orgel zo misbruikt, dat men het niet terug wilde; ook waren veel organisten nog Rooms. Zo vond Voetius dat het orgel een “dom geluyt” voortbracht en vond hij net als Calvijn dat alleen het zingen in gunst en genade kon worden aangenomen. Omdat de gemeentezang als wel wezenlijk werd ervaren en de mensen daardoor wel gesticht werden, maar toch ook geleid en ondersteund moesten worden, kwam het later toch vaak tot begeleiding door een orgel.
Toch is daarna gebleken dat een sterke hang naar muzikale wereldgelijkvormigheid zware accenten is gaan leggen op onze kerkmuziek. Sommige lezers denken wellicht dat ik à-muzikaal ben en zelfs een muziekhater, maar ik wil u verzekeren dat ik een grote muziekliefhebber ben. Ik weet zelfs van de wijze waarop een ‘speelman’, zoals bij Eliza, een middel kan zijn om de boodschap in het hart te dragen. Met innerlijke blijdschap hoor ik na de preek in de consistoriekamer vaak nog hoe een organist een psalmkoraal speelt van een Psalm die bij de preek wel genoemd en niet gezongen is. Hij strooit nog een hand zaad na, zo zeg ik dan wel eens tot de broeders. Maar als je het kerkgebouw verlaat met pijn in je oren en in je hart als het in de dienst om menseneer ging, dan ben je niet gesticht, maar ontsticht. De slechtste organisten willen vaak door harde muziek nog eens goed laten horen dat ze er ook waren. Een goede organist overstemt de gemeente niet, maar stimuleert juist het zingen. Laat degenen die ontstichten door een kerkenraad geweerd worden en de gemeentezang een belangrijke bijdrage zijn aan de eredienst. Laten we aan het slot van een dienst allen in ootmoed bidden om vergeving, verzoening en vernieuwing, met een sterk verlangen dat God meer verheerlijkt zou worden en onze zielen geestelijk gesticht.