Misverstanden over de Doop (3 artikelen)

Misverstanden over de Doop (1)

Prof. dr. W. van Vlastuin heeft de gereformeerde gezindte opgeschrikt door een uitvoerig boek over ons doopformulier, dat verscheen onder de titel In Christus gedoopt. In de ondertitel zegt hij dat het bedoeld is ‘voor hart en hoofd’. Hij wil dat mensen erover gaan mediteren, maar ik vrees dat dit massieve boek van 431 pagina’s, daar voor veel mensen te moeilijk voor is.

Moeilijk en misleidend
Hoewel hij het werk niet als academisch studieboek wilde uitgeven, maar als meditatieboek, is het voor een gemiddeld lezerspubliek op een te hoog niveau geschreven; erger is dat de achterliggende gedachten op gespannen voet staan met onze sacramentsopvatting.

De stijl van het boek vind ik indrukwekkend. Aaneengeregen knappe, soms zelfs kunstige, boeiende en rijke gedachten en formuleringen vragen gespannen aandacht. Maar bezwaarlijk vind ik het kader, waarin heel deze breedvoerige en diepzinnige verklaring is geplaatst. Kort en klaar gezegd: het toont een overschatting van de doop die een bedreiging vormt voor een Bijbelse opvatting over geloof en wedergeboorte. Dit is de aanleiding om hier in enkele artikelen wat uitvoeriger bij stil te staan. Het zou te ver voeren het hele boek te bespreken. In het RD is er herhaaldelijk over geschreven, nu onlangs nog weer door een gesprek tussen dr. Van Vlastuin en ds. W. Visscher. Ik moet me hier beperken tot een aantal opmerkingen, die ik wil aanvullen met de waarschuwing ook niet lichtvaardig te denken over de doop. Want dat zou een heel verkeerde reactie zijn, die ook de auteur niet zou willen.

Ik sprak al over ‘opgeschrikt worden’ en doelde daarbij op de gedachte die heel dit boek doortrekt, nl dat de auteur de doop wil zien als de wezenlijke inlijving in Christus. Maar we worden niet door de doop Christus ingelijfd, maar door een oprecht geloof (HC Zondag 7). Niet de doop maar de Heilige Geest maakt ons een kind van God. De Heilige Geest wederbaart de ziel en verenigt ze met Christus. Niet het doopwater, maar het bloed van Christus reinigt ons van onze zonden. De doop is hiervan een teken en zegel, maar we mogen ze niet vereenzelvigen met de betekende zaak: de vereniging met Christus.  

Een symposium en een scheiding
Er is veel aandacht gegeven aan de verschijning van deze publicatie, met name door een symposium in Apeldoorn en de artikelen en verslagen erna in het Reformatorisch Dagblad. U hebt ze in de krant kunnen lezen. Prof. dr. M.J. Kater vroeg in de eerste samenkomst: ‘Wim, wat heb je toch tegen het spreken over ‘een nieuw hart’? Door deze vraag probeerde hij door te dringen tot Van Vlastuins opvatting over de positie van onze kinderen tegenover God. Van Vlastuin zag het bidden om een nieuw hart als een belemmering voor het geloofsleven en wil het krijgen ervan liever verbinden aan de doop. Zijn grote bezwaar daartegen heeft dr. P. de Vries in een blog gepubliceerd, waarin hij breedvoerig meer ernstige bezwaren tegen deze studie kenbaar maakt. Ik ga hier niet herhalen wat dr. P. de Vries op zijn blog geschreven heeft, maar veel van zijn kritiek verdient wel onze instemming. Hoewel ik graag iets tot verzoening zou willen bijdragen, zal me dat hier niet lukken. Ds. P. den Ouden, predikant van de hersteld hervormde gemeente in Katwijk, merkte op dat in zijn jonge jaren in de kast van zijn ouders een boek over de doop stond, waarin een artikel van dr. C. Graafland stond, getiteld: ‘De doop als splijtzwam in de gereformeerde gezindte’. Helaas blijken verschillende opvattingen nog verdeeldheid te brengen. Graag span ik me in om dit onder ons tegen te gaan en duidelijkheid te bevorderen over de waarde van dit heilig en troostrijk sacrament. Daarvoor wil ik achtereenvolgens kort ingaan op onze sacramentsopvatting. In een tweede artikel wil ik iets schrijven over de overschatting en onderschatting van de doop en ook over de wedergeboorte. In een derde artikel wil ik tenslotte aandacht geven aan de verkeerde gevolgen in een gemeente als de opvattingen van dr. Van Vlastuin ingang krijgen en verduidelijken waarom ik het onderhavige boek niet kan aanbevelen.

Het wezen van onze sacramenten
Tegenover Rome hebben de reformatoren altijd benadrukt dat een sacrament de genade niet meebrengt, maar betekent en verzegelt. Doopwater wast de zonden niet af. Brood en wijn zijn het lichaam van Christus niet. Het begrip ‘gratia infusa’ (ingestorte genade) wijst op de gedachte dat er een magische kracht schuilt in het sacrament. Men meent als het ware over genade te beschikken. Van Vlastuin verwijst in zijn studie ook wel naar de misvattingen over de Roomse leer van ingestorte genade, maar ondertussen koppelt hij in zijn gedachten de genade wel aan de bediening van de doop. Hij stelt het overgaan in het verbond en het deelhebben aan de beloften zo algemeen, dat hij het onderscheid tussen tweeërlei kinderen van het verbond dreigt te verdoezelen. Wel noemt hij het in discussies nog wel, omdat uiteindelijk blijkt dat verbondskinderen bij afval niet wezenlijk tot het verbond behoren, maar op grond van de doop wil hij uitgaan van een eenheid in alle gedoopten en ze ook als wedergeborenen bezien. Hij zegt dat ze zonder meer door de doop in Christus zijn ingelijfd. Niet het water zelf, maar wel de handeling is bepalend voor het Christus ingeplant worden. Hij ziet de gedoopten als kinderen Gods en wil ze zo aanspreken en ze zeggen dat God hun Vader nu is. Je hoeft er niet aan te twijfelen, want je bent gedoopt. De kinderen die gedoopt zijn, worden zo zalig gesproken. Ze hoeven zich niet af te vragen wat moet ik doen om zalig te worden, maar wat moet ik doen om verloren te gaan. Het al of niet deel hebben aan de beloften voor gedoopten is bij hem niet in het geding. Troost, heiliging en krachten stromen vanuit Gods beloften. Dit nadert wel de gedachte van een ‘gratia infusa’…

Erskine en Fisher schrijven evenwel in hun werk Kennis der Zaligheid onderscheidend over voor wie de beloften van het verbond zijn. Ze zijn met een recht van aanneming voor allen die het Evangelie horen en hun zaad. Maar alleen het geloof geeft een recht van bezit, uit kracht van de vereniging met Christus. Van Vlastuin maakt geen onderscheid tussen de aanbieding van of het delen in de beloften door wedergeboorte. Inwilliging van het verbond vindt hij niet nodig, maar het wordt in de doop geponeerd en men deelt automatisch in de beloften. Met verbijstering las ik dat Van Vlastuin schrijft. ‘In het sacrament wordt het hele heil geschonken’. Hij acht het sacrament niet afhankelijk van het geloof. Het heeft zijn waarde, volgens hem, zelfs zonder het ja-woord van de ouders. Hij wil niet dat het geloof er nog bij moeten komen, maar de belovende God is genoeg. Het verbond hangt niet af van ons besluit, maar van Gods besluit. Hij ziet geen millimeter speling tussen de doop en zijn zaligheid. We gaan hier evenwel ernstig mis als we het geloof hier tussenuit halen! Van Vlastuin zegt: ‘Het sacrament is niet afhankelijk van het geloof, maar het gaat voorop’, maar in citaten van Luther gaat het toch echt wel om geloof dat voor hem onmisbaar was.

(wordt vervolgd)

Misverstanden over de Doop (2)

Overschatting van de doop
We kunnen het sacrament van de doop onderschatten en we kunnen het ook overschatten. Aan het eerste voelde Van Vlastuin zich vroeger schuldig en ik denk dat velen van ons dat ook mogen doen. Hij dacht dat de doop niet meer was dan ‘een soort geïntensiveerd aanbod van genade’, en inderdaad doen we daarmee het verbondskarakter van de doop tekort. Toch vrees ik dat hij door ontwikkelingen en verschuivingen in zijn denken doorgeschoten is naar de andere zijde. Hij is van overtuiging dat door het rationalisme van Descartes, de opkomst van het modernisme en een post-moderne samenleving een individualisme heeft veroorzaakt dat veel kwaad heeft gedaan voor de opvattingen rondom de doop. Voor die tijd zou men het onderscheid tussen objectieve en subjectieve zaken niet zo gebruikt hebben als nu het geval is. Toen sprak men meer in het kader van gemeenschappen waaronder God tegenwoordig was, die gezamenlijk deelden in Zijn werk, terwijl men nu door objectivering een afstand ervaart tussen God en het individu. Van Vlastuin ziet hierin een secularisatie van het hart, met een hang naar individualisme , terwijl hij liever relationeel en subjectief denkt dan objectief. Dan wordt de gemeente een gemeenschap voor Gods aangezicht en staat niet een individu tegenover God. Ongetwijfeld heeft hij hier een punt dat onze aandacht vraagt. De gemeenschap moet in ieder geval ook een accent krijgen. Dat leerde de Heere Jezus ons al in de meervoudsvorm van het ‘Onze Vader’ gebed. Toch mag een individuele benadering niet gezien worden als een product van het verlichtingsdenken, maar leert Gods Woord op tientallen plaatsen dat we niet slechts in groepsverband in het verbond verenigd zijn, maar ook individueel en persoonlijk deel moeten hebben aan het wezen en de beloften van het genadeverbond.

Van Vlastuin vindt dat de oproep tot wedergeboorte niet terecht is voor verbondskinderen. Het lijkt erop dat hij het geloof vereenzelvigt met de doop, zodat er sprake is van een ‘geloofsdoop’ in de zin dat men moet geloven dat het sacrament de verzegeling is van een persoonlijk deel hebben aan genade. Hij gaat aan de kant van baptisten staan als hij de eenheid van geloof, wedergeboorte, vergeving en doop benadrukt. Hij denkt de doop met de Heilige Geest vóór de waterdoop. Hij maakt van de oprechtheid van de geloofsbelijdenis van de ouders geen punt. Hij zegt dat zonder ons ja-woord de doop toch waar is. Het is terecht dat hij de waarde van de doop niet afhankelijk maakt van de oprechtheid van ouders, maar zij blijven wel de verantwoordelijken voor een christelijke opvoeding.

Voor mij werpt het een na het ander vragen op. Vermeld is al dat hij problemen heeft met het vragen om een nieuw hart. Hoewel hij is discussies zijn standpunt wel afzwakte, schrijft hij toch dat we ‘authentiek vragen van kinderen platslaan door ze te vragen of ze een nieuw hart hebben’. Bijbelplaatsen in Jeremia en Ezechiël over deze spreekwijze kennen we allemaal. Verduidelijking is ongetwijfeld onmisbaar, maar waar het nu wezenlijk omgaat is, of ons hart ook wezenlijk vernieuwd moet worden door het werk van de Heilige Geest, of dat we ervan uit moeten gaan dat dit wel gebeurd is. Hij ziet de doop niet als een teken en zegel van een objectieve waarheid, maar als een uitdrukking van een levenseenheid van Christus met ons. Hij noemt de doop een ultieme zekerheid ervan. Persoonlijke verkiezing verstaan we als we onze doop verstaan. Augustinus schreef evenwel over Simon de Tovenaar: ‘Beroem u dus niet op de doop alsof hij uit zichzelf u voldoende is tot zaligheid.’

De onderschatting van de doop
Van Vlastuin waarschuwt in zijn werk voor een onderschatting van de doop, zoals hij die bij zichzelf gewaar werd en zoals die ook onder ons zeker kan bestaan. Omdat dit niet bij de bespreking van zijn boek hoort, moet ik er hier kort in zijn, maar ik wil de lezer wel waarschuwen voor een ander uiterste dan wat we bij hem lezen. Als we over het hoofd zien wat in onze Heidelbergse Catechismus staat over de kinderdoop en onze kinderen als gelijk zien aan heidenkinderen, dreigen we ons van de verplichting te ontslaan dat we onze kinderen moeten opvoeden in de voorzijde leer. Dat betekent dat we hen moeten wijzen op het teken en zegel dat ze bij hun doop kregen en dat God ze daardoor afzonderde van de wereld en ze in Zijn verbond opnam. Dit lijkt op het volksverbond met Israël, waarvan de besnijdenis een teken en zegel was. Ook al zijn we zonder wedergeboorte niet wezenlijk in Gods verbond, we willen toch ook niet spreken van een uitwendig verbond. Dat zou het welmenende van Gods genadeaanbod schaden. Beter is het dan te spreken over een uitwendig in het verbond zijn, zolang we nog niet wedergeboren zijn. Maar de verbondsband die we hebben, schept verplichtingen. Gedoopte kinderen zijn afgezonderd; het heet in het formulier zelfs ‘in Christus geheiligd’. We dragen, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, een merk- en veldteken van Christus. Weiger je onder Zijn banier te strijden tegen de duivel, de wereld en de zonde, dan ben je een deserteur! Daartegenover staat dat we, zoals hierboven al vermeld is, een recht van toegang hebben tot Gods beloften. We moeten onze kinderen erop wijzen dat ze naar Christus mogen met hun zonden en hun verlangen naar vernieuwing van hun hart en leven. Het is onze vijandschap als we ons daarvan afkeren en Gods aanbieding afslaan en dat moet ons tot schuld zijn. Leer ze vergeving vragen en leiding zoeken van Hem, Die gereed staat hun Leidsman te zijn. Wee, de ouders, die hun kinderen opofferen aan de afgoden van deze tijd en die nalaten ze de weg te wijzen. In het doopformulier werd niet voor niets gewezen op het brengen van onze kinderen tot de Zaligmaker. Het Koninkrijk van God is ook voor kinderen. We moeten onze kinderen leren dat God hun Vader zijn wil, dat ze bij Christus vergeving mogen zoeken en dat de Heilige Geest hun door Gods Woord leiden wil op de weg der zaligheid. ‘Hoe zullen wij ontvlieden , indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen’ (Hebr. 2:3a)?

De noodzaak van de wedergeboorte
Door zijn gelijktrekken van de doop met het verbond, waar geen inwilliging voor nodig is en het wegredeneren van een verschil tussen toezeggen en delen in Gods beloften lijkt bij Van Vlastuin de noodzaak van roeping, wedergeboorte, geloof en bekering afwezig. God staat met ons in een verbonds- en liefdesrelatie en alleen ons ongeloof kan die relatie teniet doen. Vanuit de gelegde relatie spreekt Van Vlastuin nog wel over wedergeboorte, maar hij keert zich tegen het spreken erover in een engere zin, dus als een levendmaking. Hij haalt naar voren waar gesproken wordt over een wedergeboorte in ruimere zin, maar ziet niet dat hij daarbij onder meer rijke formuleringen van onze Dordtse Leerregels in Hoofdstuk III en IV, par. 12 en 13 verwaarloost. Hij ziet geen inplanting van een geloofsvermogen.

Ik vrees dat het wonder van de levendmaking in de wedergeboorte en van het toepassende werk van de Heilige Geest verdrongen wordt door een zelfvertrouwen dat zal blijken de vruchten van Godsvreze te missen. Gedoopte kinderen worden daarbij beschouwd of ze al wedergeboren zijn. Zo worden ze wel niet genoemd, maar de doop wordt wel vereenzelvigd met de betekende zaak, zoals al blijkt uit de titel van het boek. In Christus gedoopt te worden is een werk van de Heilige Geest. We bidden in de het dankgebed of de Heere dat wil geven.                                                       

(wordt vervolgd)

Misverstanden over de Doop (3)

De gemeente op een verkeerd spoor
Hoewel we oog en hart moeten hebben voor de gemeente als gemeenschap en tegen een te ver gaand individualisme moeten waken, denk ik toch dat we oog moeten houden voor de gemeente als ‘corpus mixtum’, een gemengd lichaam, waarin zowel schapen als bokken, wijze en dwaze maagden, kaf en koren zijn, om maar enkele onderscheidingen te noemen. Niet alleen Calvijn en Augustinus hadden hier aandacht voor, maar we leren het separeren uit de prediking van Christus Zelf. Ook de profeten wordt voorgehouden het onderscheid tussen rechtvaardigen en goddelozen eerlijk te preken. Bij nalatigheid wordt het bloed van hun hand geëist. We moeten uit liefde de mensen eerlijk behandelen, en moeten onszelf er soms voor over hebben als ons dat niet in dank afgenomen wordt. Er is een brede en er is een smalle weg. We moeten onbekeerden de weg wijzen en Gods kinderen bemoedigen en vertroosten.

Ds. W. Visscher vroeg in de samenspreking in Apeldoorn hoe Van Vlastuin de gemeente ging aanspreken. Het verschil tussen veronderstelde wedergeboorte, verondersteld geloof zal in de praktijk wegvallen, en als de lijn gevolgd wordt, die in dit boek geleerd wordt, worden de mensen aangesproken alsof ze kinderen Gods zijn. En wordt het bloed niet van onze hand geëist als wij, als predikanten, niet waarschuwen voor het verderf van hen die wezenlijk, dus zonder wedergeboorte, buiten Christus zijn? Daarnaast moeten we eerlijk bemoedigen en vertroosten die door de Heilige Geest zijn wedergeboren en oprecht tot Christus vluchten om bij Hem te schuilen.

We moeten eerlijk omgaan met vragen die in de gemeente beantwoord moeten worden. Op welke wijze maken we aan onze kleine kinderen duidelijk waarom zij gedoopt zijn? Hoe spreken we met hen die hun doop niet verstaan maar ontheiligen? Hoe handelen we met hen die belijden dat zij hun doop hebben leren verstaan en daarom vragen of zij het (kerkelijke) recht om tot het avondmaal toe te treden mogen ontvangen? Waar moet dan een predikant en moet een kerkenraad naar vragen? Wat zijn de criteria om iemand tot het avondmaal toe te laten en welke zaken moeten als het gaat om zelfonderzoek onder de aandacht worden gebracht? Over deze zaken is al veel gepubliceerd en het is goed om ze ook op gemeenteavonden te behandelen.

Nu wordt nogal eens gezegd dat we veraf gegroeid zijn van de wijze waarop onze oudvaders over verbond en doop schreven. Laat daarover geen misverstand zijn. Er waren twee aspecten die de geschriften over de doop in hun tijd sterk beïnvloedden. Dat is hun bestrijding van de Wederdopers en het grote aantal stervende kinderen. Wat hun bestrijding van de Wederdopers betreft, kunnen we wel van hen leren. In hun gedachten over de staat van jong stervende kinderen leest u in de Dordtse Leerregels hoe ze naar het oordeel der liefde gelovige ouders wilden vertroosten door hun voor te houden dat ze niet moeten twijfelen aan de staat van die kinderen, op grond van Gods genadeverbond. We bemerken duidelijk verschillen tussen de oudvaders, maar moeten ons niet verheffen om hen laag weg te zetten. We willen binnen het kader van onze belijdenisgeschriften niemand verketteren, maar gaan graag in hun voetspoor van een liefdevolle separatie, die naar vermogen eerlijk zoekt te handelen met de hoorders.

Geen aanbeveling
Helaas kan ik het boek In Christus gedoopt niet aanbevelen, omdat ik vrees dat het, ondanks mooie onderdelen erin, zal zorgen voor veel verwarring, zowel bij ambtsdragers als bij gemeenteleden. Laten we elkaar opscherpen door de zaken ernstig op te nemen en onze kinderen liefdevol te wijzen op de noodzaak van wedergeboorte. Laat niet na de kenmerken ervan ook aan te wijzen, want het zal zeker waar zijn dat er ook van onze kinderen wedergeboren zijn.

Het doorlezen van dit werk gaf veel stof voor overdenking maar het wierp in de gereformeerde gezindte meer vragen en verwarring op dan dat het een helder kader gaf van Gods verbond. Samen met mijn vrouw herschreef ik in ons eerste huwelijksjaar het boek Halleluja over het Genadeverbond van Wilhelmus à Brakel. Daarin vond ik een heldere visie op deze zaken en dit heeft me ook in mijn ambtelijk leven middellijk veel bemoediging en houvast gegeven

Van Vlastuin vindt dat we Gods verbond als werk van Gods Geest recht moeten doen en hij vindt alleen maar spreken over werk van de Heilige Geest te schraal. Voor hem is het draaipunt (scharnier) de doop en niet de wedergeboorte in engere zin, of het geloof.

Hier stel ik tegenover dat we moeten beseffen dat het verbond in ons leven zijn waarde alleen maar krijgt door het werk van de Heilige Geest in onze harten.

Van harte hoop ik dat professor Van Vlastuin het kader van zijn verbondsopvatting en de gedachten van de bediening ervan grondig herziet en de generatie predikanten die opgeleid wordt aan het seminarie aan de VU in Amsterdam niet laat weggroeien van een schriftuurlijk omgaan met de gemeenten, zoals Christus ons dat leert. We moeten beducht zijn mensen te bedriegen voor de eeuwigheid en vasthouden aan separatie; de rechtvaardigen aanzeggen dat hen hun wel zal gaan en de goddelozen dat het hun kwalijk zal vergaan.

Nu is dit boek rijk van stof. Er staan ook veel goede en mooie dingen in. Door de aandacht die ik gaf aan wat ik als ontsporingen zag, wil ik goede onderdelen niet loochenen. Het boek is door allerlei uitweidingen haast overladen. De auteur kan ontzaglijk veel zeggen in een zin, maar nogmaals: het kader waarin het staat geeft me geen vrijmoedigheid het aan te bevelen. We lezen, om maar een paar zaken te noemen, die ik aantekende, rijke dingen over het Vadershap van God, over hoe God alles ten beste kan keren in een mensenleven, over Gods welbehagen, over verzoening door voldoening over de gemeenschap met Christus, de dagelijkse bekering, het doden van onze oud natuur, het verloochenen of misbruiken van de wereld, de vreemdelingschap, de relatie tussen de bruid en haar Bruidegom, een omschrijving van wat de ziel is, gedachten over de eeuwige bruiloft en nog veel meer

Maar al met al komen me veel zaken nogal tegenstrijdig over en dat betreur ik. Verder mis ik voor een werk als dit, dat meer studieboek is dan meditatieboek, een naam- en zaakregister en ook een literatuuropgave. Maar dat zal zijn oorzaak vinden in de oorspronkelijke bedoeling van het schrijven: een meditatieboek voor hart en hoofd te schrijven.

Naar aanleiding van: Dr. W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd (Apeldoorn: De Banier, 2025), hardcover 432 pag., € 34,95 (ISBN 9789402912302)