OPMERKELIJK

Een jongeling als ouderling

Het is opmerkelijk hoe moeilijk het in sommige gemeenten is om in de ambten te voorzien. Er moet omgezien worden naar mannen met Godsvreze, maar ook met kwaliteiten om in een gemeente leiding te geven. Zelfs als men geschikte kandidaten meent te hebben gevonden, komt er nogal eens iets tegenop. Soms worden er bezwaren gemaakt tegen hun jeugdigheid; anderen vinden dat de kandidaten te oud zijn om nog te dienen. Daar kan het al of niet hebben van levenswijsheid bij betrokken worden. Sommigen maken bezwaren vanwege een te druk gezin, maar ook zijn er wel die vinden dat er teveel vrije tijd in gaat zitten. Verdrietig word je als daarbij materiële belangen de boventoon krijgen.

Het woord ‘ouderling’ doet denken aan levenswijsheid van ouderen. Daarbij denk je ook aan geloofsoefeningen, die nuttig en nodig zijn in het ambtelijk werk. Toen ik zelf op 27-jarige leeftijd gekozen werd, miste ik toch wel een en ander hiervoor en ging ik nogal eens bij oudere broeders te rade. Maar er zijn ook mensen die zeggen dat oudere broeders het veld moeten ruimen om plaats te maken voor jongere krachten. Hebben jongeren niet meer aansluiting bij de jeugd? We moeten een generatiekloof voorkomen en daarom stemmen sommigen bewust niet op ouderen. Als de oude waarheid hierbij niet  in het geding is (dat zou een afgang zijn), wil ik toegeven dat onervarenheid geen tegenargument hoeft te zijn; ervaring moet bij iedereen groeien. Veel oude ambtsdragers werden immers al jong geroepen, ook in mijn tijd. Wat wel bezwaarlijk kan zijn, is de gezinssituatie. Als het werk de tijd overdag opslokt en de avonden nagenoeg alle in beslag genomen worden door kerkelijk werk, dreigt dit in kinderrijke gezinnen de opvoeding te schaden. Als de moeder daar overdag haar krachten aan geven mag, zal ze het hard nodig hebben dat haar man haar regelmatig bijspringt. Maar je kan er ook bang voor zijn dat er moderne gezinnen zijn waar de moeder geen huisvrouw meer is en ze het daardoor niet op kan brengen er ’s avonds voor haar gezin te zijn. Als ze daardoor haar man uit het ambt wil weren, ontsporen er twee dingen, namelijk maatschappelijk en geestelijk. De roeping van een vrouw moet voor haar voorop staan. Paulus schrijft zelfs: ‘Zij zal zalig worden in kinderen te baren’(1 Tim. 2:15). De geestelijke ontsporing is nog erger: kennelijk weegt de noodzaak om in het koninkrijk Gods te dienen dan minder dan financieel voordeel. Dat laatste heeft in verschillende kerkverbanden er al voor gezorgd dat men niet meer in de ambten kon voorzien. Het kostte veel vrije tijd en leverde geen geld op. Bijklussen leverde vaak meer op. Moeten we niet vrezen dat er zo nog veel meer ontsporingen zijn, die tonen dat het geestelijk leven geen voorrang krijgt? Zeker moeten er offers gebracht worden door gezinnen waarin de vader geroepen wordt tot ambtelijk werk in Gods koninkrijk. Maar de Koning wil die gezinnen zegenen. Het kan je beangstigen hoe sommigen dit werk laag durven weg te zetten. Laat er wijsheid zijn in de praktijk. In opvoedingssituaties moet de afwezigheid van de vader zich beperken tot twee of hooguit drie avonden in de week. We moeten de leeftijden van ambtsdragers niet tegen elkaar uitspelen. Onder de ambtsdragers ook ouderen te hebben heeft veel voordelen, zoals geestelijke ervaring en kennis van de gemeente.

Veel wisselingen hebben veel nadelen. Word de ambtelijke geheimhouding wel bewaard? Is het niet beter een opleiding te geven aan ambtsdragers, zoals vroeger Koelman al wilde en ze langer te laten dienen, zij het wel na regelmatige (her)verkiezing?

Ik wil naar een slotconclusie. Moeten we niet concluderen dat bij het afwegen van belangen de geestelijke belangen voorrang moeten krijgen? Van jongere ambtsdragers zeggen we met Paulus: ‘Niemand verachte uw jonkheid.’ Godsvreze, zelfverloochening, ootmoed, wijsheid de gave om te luisteren, hebben we allen nodig. Maar je mag om die gaven bidden.