Een gouden greep
Het is opmerkelijk dat ds G.H. Kersten kort voor zijn sterven in 1948 nog een brochure uitgaf over het verbond der genade en de beloften ervan. Ik vrees dat deze publicatie teveel over het hoofd gezien is. Ik denk zelfs dat de breuk van 1953 menselijkerwijs voorkomen had kunnen worden als men zich gevonden had in de inhoud van dit kleine boekje. Hij nam een gouden greep uit het werk van de Erskines en Fisher, nu nog bekend onder de titel De kennis der Zaligheid. Het betreft het twintigste hoofdstuk daaruit, dat handelt over ‘Het verbond der genade’. Daarin staan onder meer de volgende drie vragen: 82. Aan wie worden de beloften van het verbond voorgesteld? Aan alle die het evangelie horen, met hun zaad. Hand. 2:39: ‘U komt de belofte toe en uw kinderen.’ 83. Welk recht hebben zij, die het evangelie horen, op de beloften, als ze hun zo algemeen overgemaakt worden? Een recht van aanneming van de beloften en van al de goederen, die erin vervat zijn, zodat ze daardoor niet te verontschuldigen zijn, als ze niet geloven, Joh. 3:18. 84. Welk recht geeft het geloof of de daad van het geloven op de beloften? Een recht van bezit, uit kracht van devereniging met Christus in Wie al de beloften ‘Ja en amen’ zijn. Joh. 3:36: ‘Hij die gelooft… heeft het eeuwige leven’.
Er wordt hier dus onderscheid gemaakt tussen een recht van toegang tot de beloften van het verbond en een recht van bezit. He is of ds. Kersten een vooruitziende blik had op de meningsverschillen die tot scheiding zouden leiden en die hij voorkomen wilde.
Het recht van toegang krijgen allen die het teken en zegel van het genadeverbond krijgen. Het wordt als het ware zichtbaar gemaakt. Daarbij moeten onze kinderen opgevoed worden en het moet hun ook telkens weer voorgehouden worden; Je bent geroepen, je wordt genodigd om tot de Zaligmaker te gaan om vergeving van zonden en een nieuw leven te krijgen. Er worden geen verhinderingen opgeworpen, maar er is een oproep om te vluchten tot Christus.
Ten aanzien van het recht van bezit vrees ik, dat velen misgaan. Velen verwarren het recht van toegang met het recht van bezit. Ze denken al te bezitten terwijl ze niet tot Christus gekomen zijn. Ze roemen in de beloften, maar hebben er geen deel aan gekregen omdat ze alleen in Christus Jezus ‘Ja en amen zijn’. Steunen op beloften zonder overtuiging en overbuiging, zeg maar: zonder wedergeboorte, is levensgevaarlijk. Alleen door wedergeboorte leer je de waarde van het Koninkrijk en de goederen van de Koning kennen. Alleen zo ga je wezenlijk naar binnen, zegt Christus tot Nicodemus (Joh. 3:.
Laten we het onderscheid toch goed blijven zien. Dan blijft het onvoorwaardelijk, vrije aanbod van genade staan, maar dan houden we ook vast aan de noodzaak van wedergeboorte, een komen tot Christus om Hem wezenlijk ingeplant te worden.
Niet te luisteren naar de nodiging is zonde. Het is een verwerpen van de aangeboden genade en daarmee schuld. Laten we het elkaar maar blijvend voorhouden: Hoe zullen we ontvlieden, indien we op zo grote zaligheid geen acht nemen (Hebr. 2:3a)?