OPMERKELIJK

Bidden om een nieuw hart

Op het avondsymposium ter gelegenheid van het boek van dr. W. van Vlastuin In Christus gedoopt, stelde professor Kater aan professor Van Vlastuin de opmerkelijke vraag: ‘Wim, wat heb je toch tegen een nieuw hart? Je schrijft dat het gebed erom zo massief kan gaan functioneren, alsof er een bliksemschicht uit de hemel in ons binnenste moet komen’. Door deze vraag probeerde hij door te dringen tot diens opvatting over de positie van onze kinderen tegenover God. In het regionale kerkblad Gomarus hoop ik het boek uitvoerig te bespreken, maar ik wil deze vraag eruit lichten voor de lezers van deze column.

Van Vlastuin achtte de uitdrukking ‘te bidden om een nieuw hart’ iets van de laatste honderd jaar en vond ze bezwaarlijk, wellicht omdat hij in zijn boek leert dat kinderen door de doop Gods genade deelachtig zijn. De betrekkelijkheid hiervan verdient verduidelijking. Over dat laatste schrijf ik elders, maar hier iets meer over het gebed om een nieuw hart.

Overeenstemming hadden beide hoogleraren erover dat Ezechiël de uitdrukking ook gebruikt. Deze schrijft: ‘Werpt van u weg al uw overtredingen waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?’ (18:31). ‘En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven’ (36:26). Genade die het hart vernieuwt, is noodzakelijk en heel wezenlijk. Het gaat om een nieuwe wil, een nieuw liefde, als bron voor de uitgangen van ons leven, zoals Salomo dat noemt (Spr. 4:23). We kunnen meer teksten noemen: ‘En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven, en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlezen hart geven (Ezech. 11:19), en: ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest’ (Ps. 51:15). De uitdrukking behoeft overigens voor kinderen wel verklaring, zowel in preken als in catechetisch en huiselijk onderwijs!

Jammer vond ik het dat beide hoogleraren het beloftekarakter benadrukten en het bidden erom bekritiseerden. Het werd vervuld gezien in de belofte. Het beloftekarakter werd door beiden heilzaam gedacht als correctie voor het bidden om een nieuw hartje, maar die correctie behoeven we niet. Hoewel de belofte bemoedigend is, moeten we er niet vanuit gaan dat onze kinderen al een nieuw hartje kregen bij de doop.  Graag wil ik ook benadrukken dat ze er nog om moeten vragen, en niet alleen zij, maar ook wij! Zeker is het mogelijk dat kinderen al een nieuw hartje kregen in hun prille jeugd, zoals Mozes, David, Jeremia en Johannes de Doper. In de doop wordt de wedergeboorte betekend en Gods verbond verzegeld, maar de betekende zaak werkt de Heilige Geest en dat gebeurt niet automatisch bij de doopbediening. De meeste kinderen zijn nog onbekeerd, maar worden bemoedigd om de Heere te zoeken en wij, al of niet wedergeboren, met hen. Laat het bidden om een nieuw hart geen belemmering zijn voor bekommerde zielen, waar Van Vlastuin bevreesd voor  is, maar laat het een bemoediging zijn dat dit bij God te verkrijgen is. Laten we, wat Van Vlastuin overigens ook wil,  allemaal maar blijven bidden: ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest’.