Psalm 119 vers 64

DE GROOTSTE SCHOONHEID VAN DEZE AARDE

Heere, de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen (Ps.119:64)

Lezen: Psalm 145.

We kunnen deze aarde, deze wereld wel op verschillende manieren bezien en dat wordt ook wel verschillend gedaan. Algemeen is dat mensen deze aarde zien als door de mensen vervuild. Dat lezen we overal in kranten en tijdschriften. De lucht is vervuild door industrieën, het water is vervuild door alles wat erin geloosd wordt, zoals door alle afval dat door de riolen naar de zeeën stroomt. De grond zelfs is vervuild en op veel plaatsen vergiftigd met allerlei zaken die erin opgenomen en ingetrokken zijn. Kortom: een vervuilde wereld. Het is heel verdrietig dat de mens zo met Gods schepping omspringt en toont geen enkele verantwoording te kunnen dragen. Het is verdrietig dat de mens ook daarin zijn zelfzucht openbaart, zijn gemakzucht, en totaal geen rentmeester blijkt te kunnen zijn over deze schepping, die zo goed uit de handen Gods is voortgekomen. Andere mensen kijken tegen de wereld liever anders aan. Het is de plaats waar ze een korte tijd blijven, dat zal niemand kunnen ontkennen. Ze zeggen: ‘Carpe diem’, dat is: pluk de dag. Laten we er van nemen, wat we krijgen kunnen. Die leven om te genieten en zoeken alles wat mogelijk is om er zoveel als het kan uit te halen. Eten en drinken staat bovenaan, zoals van die brassers in de Bijbel staat: ’Laten we eten en drinken, want morgen sterven wij’. Maar er zijn ook mensen die toch anders tegen deze wereld aankijken. Zij kunnen niet leven om alleen maar wellusten na te volgen en zich uit te leven. Zij denken aan een God Die oordeelt en de Schepper van deze wereld is. En niet alleen van deze wereld, maar ook van hun leven. Die mens, die door God onderwezen wordt, die uit Gods Woord leert, ziet op deze wereld en in eigen leven zonde en ongerechtigheid. Dat is juist wat de natuurlijke mens niet wil zien. Dat willen zelfs mensen verdoezelen, die toch alleszins godsdienstig willen zijn, maar niet die nare toon willen horen van zonde en van schuld. Daarover altijd maar te spreken benauwt hen. Zo zijn er toch veel mensen die wel godsdienstig willen heten, maar niet dat ze zoveel in de Bijbel lezen, want daar komen ze het ook telkens tegen. Of je moet het weg proberen te vertalen, maar lees de Psalmen slechts. Wat wordt er veel gesproken over zonden, over schuld, over benauwdheid, over droefheid. Zij die door God geleerd worden zien op deze wereld veel zonden, veel ongerechtigheid, die bedroeft en benauwt. Het kan wel eens dreigen dat je de wereld niet meer anders ziet, terwijl je toch wel enig licht van God krijgt. Maar let op! De Heere wil dat de wereld ook nog anders gezien wordt!

God spreekt er zelf over in Zijn woord, in de Bijbel; bijvoorbeeld in de tekst, die we nu overdenken. Want daar wordt de wereld niet gezet in het licht van wat de mensen ervan maken en wat zij ermee doen; want dat is zonde en ongerechtigheid. Maar hier wordt de wereld gezet in het licht van wat God er doet. En dan moeten we belijden en mogen we zien: ‘Heere, de aarde is vol van Uw goedertierenheid’. Deze aarde, deze verworden wereld, deze goddeloze, gruwelijke samenklontering van ongerechtigheid als we letten op wat de mensen ermee doen, diezelfde aarde heet nog vol te zijn van Gods goedertierenheid. Het is toch goed om dat ook te zien. Ik weet zeker dat de Heere wil dat de mensen dat ook zien. Want in de Bijbel wordt er op vele plaatsen zo over de wereld gesproken.

‘Ja maar’, zegt u, ‘dat was toch voor de zondeval, want voor de zondeval was alles goed in deze wereld. Toen was de aarde vol van de goedheid van God.’ Dat is zeker ook waar. Toen was er geen kwaad, toen was er geen zonde, toen was er niets dat de wereld bezoedelde. Maar door de zonde is de duivel op deze wereld gekomen en hij draagt de naam ‘overste dezer wereld’. Hij is de geweldhebber van deze eeuw. de verleider van de mensen. Hij houdt door de zonde de mensheid in zijn macht. Maar al wordt de duivel een overste der wereld genoemd, dan is dat niet anders dan omdat hij de wereld van God wil ontroven. En denkt u dat dit gelukt? Denkt u dat hij de eindoverwinning wegsleept?

’En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde van God nederdalende uit de hemel’. Nee, de duivel wint het niet. Al is op deze wereld zijn macht en zijn heerschappij zo uitgestrekt, en al lijkt hij nog zoveel te kunnen en al lijkt zijn rijk de overwinning te behalen, het is allemaal schijn. Gods werk is en blijft op deze wereld en de zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven. En deze wereld zal gereinigd en gelouterd worden door vuur. Er zal een tijd komen, dat zal blijken dat God niet verliest, dat God nooit verliest, maar dat Hij overwint. En nu op deze wereld, waarop de mens God verstoten heeft, waar de zonde heerst, en de Heere zich met Zijn liefde en met Zijn gunst terugtrekt, op deze wereld zien we toch nog een overvloed van Zijn goedheid. Dat staat hier in onze tekst. En wie er oog voor krijgt, ziet het ook. Er is nog een overvloed van Gods goedertierenheid. Dat is wel een wonder! Want God zou Zich helemaal hebben kunnen terugtrekken. De Heere zou hebben kunnen zeggen: Ik laat de mens aan zichzelf over, aan zijn dwaasheid, aan zijn zonde en zijn goddeloosheid. De Heere had de mensheid kunnen verlaten, Hij had ons kunnen verlaten en aan onszelf kunnen overlaten, maar Hij doet dat nog niet. Nee, de aarde is nog vol van Gods goedertierenheid. God geeft Zijn eigendomsrecht op de wereld immers niet op. De Heere zegt niet: ’Ik zal de wereld nu maar loslaten en overgeven aan de duivel en aan de zonde’. Nee, de aarde was van God, is van God en blijft van God en de mensheid was van God, is van God en blijft van God. De duivel zal de wereld niet oordelen, maar God zal de wereld oordelen en ieder mens, wie hij of zij ook is. Die roofnaam die de duivel draagt, komt hem rechtens niet toe. Nee, dan geldt wat in Psalm 24 staat: ‘De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, de wereld en die daarin wonen’. Al wat op deze wereld is, de mensen die daarin wonen, ze zijn van God. Vanaf de Sinai heeft de Heere gesproken tot Zijn volk Israël.

Niet alleen: ‘Mijn volk Israël is Mijne’. Dat is ook zo, dat was in bijzondere zin zo, maar toen sprak Hij ook: ’De ganse aarde is Mijne’. In Psalm 47 staat: ‘God is een Koning der ganse aarde’. De teksten waarin dat staat, die zijn te vermenigvuldigen. Er zijn er veel meer. We moeten er oog voor krijgen dat alles van God is. Want het is wel zichtbaar, maar we moeten er ogen voor hebben om het te zien. De verblinde mens ziet het niet dat al het goede op deze wereld, alles wat goed en rechtvaardig is, van God komt. De aarde is er vol van. Wat is de Heere goed als ‘s morgens de zon nog opgaat. Zonder zon was er geen leven. Is het geen goed, dat deze aarde door een wondere samenwerking van de hemellichamen zo wonderlijk geordend is in haar tijden? Dat heeft God zo gewild; dat heeft geen mens uitgedacht. Is het geen wonder dat de seizoenen elkaar opvolgen, zoals God dat wilde en dat de zomer, de winter, dat ook de dag en nacht, dat ook koude en hitte, dat ook zaaiing en oogst niet zullen ophouden, dat is een wonder. Het is Gods zorg nog, ook na de zondvloed. Hij doet de zon opgaan over bozen en goeden, regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zo staat er. Is het geen wonder dat de Heere het leven op deze wereld nog onderhoudt? Nu in de winter, als alles dor en doods is, en straks in het voorjaar, dat al dichterbij komt. Dan wordt weer waar, wat de dichter in Psalm 104 zegt: ’Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks’. Nu, het leven op aarde is een werk van God door Zijn Geest. Hij onderhoudt, zorgt voor groei en bloei, zorgt voor het leven, ook van de mens en bestuurt alle dingen nog, zodat deze wereld gedragen en verdragen wordt. Dat is onbegrijpelijk, maar het geldt ieder mens. Paulus zegt dat we in God leven en bewegen. We zijn van Gods geslacht, zegt hij zelfs in dast verband. Er is geen hart dat slaat, of Hij geeft er de kracht voor om te slaan. Er is geen ademhaling in het mensenlichaam of God geeft dat het lichaam nog moet leven en Hij heeft die ademtocht in Zijn hand.

Ach, de aarde is wel vol van de goedertierenheden des Heeren. We kunnen vanzelf niet alle dingen noemen, maar wie er ogen voor krijgt, ziet het in alles; die ziet het overal om zich heen. Dan zie je iedere dag dat God toch zoveel wondergoede dingen geeft. Ik weet wel dat mensen het vaak niet willen zien. Ze zien het niet, maar de mens die door de zonde verblind is, draait alles om en zegt hij dat het goede van hem zelf is en het kwade van God. Dan horen we bittere verwijten aan Gods adres: ’Als Hij God en goed is, waarom sneuvelen er zoveel mensen tijdens oorlogen? Waarom zijn er dan zoveel rampen, zorgen en onheilen overal? Waarom is er zoveel leed en verdriet, zelfs onder kinderen? Alsof God de schuldige zou zijn van alle kwaad! De mens die zo spreekt, heeft nog nooit zijn eigen kwaad gezien, heeft nog nooit zijn eigen schuld gevoeld. Die weet niet wat het is om schuldig te zijn en de dood te verdienen. Want Gods Woord leert ons niet anders dan dat God goed en recht is. Hij is niet onrechtvaardig, zoals een koning dat niet is die gerechtigheid oefent. Men noemt zo iemand een goede koning, want die handelt en oordeelt eerlijk, recht en billijk, en dat is goed. En de Heere doet niet anders. Nee, wij begrijpen niet alles, maar we moeten weten, dat al Zijn werken in deze hele wereld, alles wat Hij doet, niet anders dan goed mag heten. We moeten dat wel leren. En we leren het in een weg waarin we alle zegeningen als verzondigd ervaren.

Wij denken al gauw dat iets goed is, als het ons voor de wind gaat. Maar komen er dingen die anders zijn dan we willen, dan is het niet meer goed. Dat leren zelfs Gods kinderen, ja leren juist zij, het te belijden, dat ze het niet zo gauw met God eens zijn. Leren juist zij het niet te belijden, dat ze een opstandig hart hebben? Heeft Jacob het niet gezegd: ’Al deze dingen zijn tegen mij’? hij was zo gemakkelijk niet op zijn plaats. Toen zag hij de goedheid van God ook niet meer, in al Zijn bestuur. Misschien is dat bij u ook wel zo en moet u eerlijk belijden: ‘Ik zie het niet meer, ik begrijp Gods bestuur niet meer, ik kan het niet meer verwerken; ik kan het niet meer zo makkelijk belijden dat het goed is wat God doet’. Want ach, waarom doet God het toch zo? De waaroms komen bij allerlei zaken soms op de zondaar af. Alleen God kan er licht over geven en ons op de plaats brengen waar Hij geen kwaad kan doen en wij leren dat wij geen goed kunnen doen. Zo leidt de Heere Zijn kinderen. Zo heeft de Heere David geleid. David heeft veel in zijn Psalmen gesproken over zijn dwaasheid. ‘Mijn dwaasheid Heere’, zegt hij dan, ’is voor u niet verborgen’, in Psalm 69. Hij spreekt over zijn zonde, over zijn schuld, over zijn ellende, zijn benauwdheden, de straffen die hij verdiend heeft en hij billijkt de Heere in zijn Psalm. De Heere is goed en David deugt niet. De goedertierenheden des Heeren heeft hij leren kennen tot zijn behoud, tot zijn eeuwig behoud. Want het is niet alleen de algemene goedheid van God, die over al Zijn werken is, en waar hij over spreekt in ons tekstvers. Die is ook zeker waar. Maar hij heeft ook de barmhartigheid en de genade van God in de Heere Jezus Christus leren kennen, tot zijn eeuwig behoud; tot vergeving van zijn zonden en tot vernieuwing van zijn leven. Ik denk – om nog maar een voorbeeld te noemen – aan de 23e Psalm, als hij spreekt (hij is zelf herder geweest) over de Heere als zijn Herder; hij spreekt over zijn leiding, over de verkwikking van zijn ziel, over het geleid worden in het spoor van de gerechtigheid om Zijns Naams wil. De gerechtigheid van de Heere Jezus redt hem van de dood, maar hij hoeft niet meer te vrezen in het dal van de schaduwen van de dood.

Hij eindigt die Psalm met te zeggen: ’Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens’. Ze zullen hem volgen, die goedheid en die weldaden van God in Christus tot zijn heil. Die zullen hem volgen; ja hij heeft ze gezien in de bediening der verzoening bij de tabernakel, hij heeft ze gezien als daar de priesters kwamen en als daar de mensen de offers brachten en de priesters in het Heiligdom gingen om daarna het volk te zegenen. Hij zag daar afgebeeld wat God over arme zondaren besloten had tot hun behoud en zaligheid. Dat heeft David ervaren in de dienst der verzoening. Maar hij mocht ook weten dat dit niet meer van hem scheiden zou. Wat God in Zijn hart gewerkt had, in zijn leven gedaan had, dat zou hem volgen. God zou hem vasthouden als een goede, als een volkomen goede Herder. Hij zou Zijn schapen niet laten verdwalen, hen in het oog houden. Daarom die goedheid en die weldadigheid die zullen mij volgen, zegt hij. Ach, als ik ze dan niet kan volgen, niet kan vasthouden, God zal mij volgen, zal mij vasthouden al de dagen van mijn leven.

Hoe dan Gods goedheid in een bijzondere zin wordt gekend en wordt gezien in deze wereld, dat weten degenen die zich tegen God stellen, die God niet begeren te dienen, niet. Zij erkennen daarom Zijn goedheid ook niet. Ze zullen dit geluk, deze vrede en deze zaligheid ook niet kennen. Wat hiermee gepaard gaat en wat er wezenlijk bij hoort, is het gebed: ‘Leer mij Uw inzettingen’. De tekst luidde: ‘Heere de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen’. Wie zich niet tegenover God opstelt, die vindt het leven in Zijn goedertierenheid. Wie Gods inzettingen zoekt en liefheeft, die vindt zelfs zijn leven in Gods goedertierenheid. ‘Leer mij Uw inzettingen’. Dat is een afhankelijk gebed. Dat is het gebed van een dwaas, die zegt: ‘Ik ken uw inzettingen niet’. Het is het gebed van iemand die zegt: ‘Ik moet nog geleerd worden. Ik heb leiding nodig; ik heb onderwijs nodig.’ Sommigen zijn geneigd om te zeggen dat dit het gebed is van een bekommerde. Maar ik weet dat dit ook het gebed is van Gods bevestigde kinderen. Weet u nog hoe dit gedeelte uit deze Psalm begon in vers 57? ’De Heere is mijn deel, Ik heb gezegd dat ik Uw woorden zal bewaren’. Dat is het getuigenis van iemand die zeker is van zijn zaak. Dat is het getuigenis van een bevestigde christen:´De Heere is mijn deel, Ik heb gezegd dat ik Uw woord zal bewaren’. En eindigt hij dan met zo’n ootmoedig gebed? Gaat dat dan samen? Of is David ver afgezakt? Nee, dat heeft niets met afzakken te maken; dat gaat samen. Werkelijk, als u maar door de Heere bevestigd bent in het allerheiligst geloof, dan betekent dit niet dat u niet meer afhankelijk bent. Je komt zulke mensen weleens tegen, die zijn, op zijn zachtst gezegd, niet op hun plaats. Want als de Heere Zijn kinderen bevestigt en versterkt in het geloof, daar maakt Hij ze niet groot mee in zichzelf. Werkelijk niet. Daar maakt de Heere geen grote christenen van, die zichzelf gaan prijzen en in onafhankelijkheid en zelfstandigheid hun weg gaan als mondige mensen, zoals men in onze tijd zo vaak zegt.

Ach nee. Grote christenen zijn er eigenlijk niet. Ja, wel in hun inbeelding, maar dat zijn de huichelaars, die zo groeien in eigen waarneming. Gods kinderen heten niet voor niets ‘kinderen’. Echte christenen, door God op Zijn leerschool genomen zijn, die worden steeds minder, die worden steeds kleiner in zichzelf. Die leren wat Johannes de Doper zei: ‘Hij moet wassen en ik minder worden’. Het geheim van het werk Gods is, dat Christus groot wordt in hen. Ze krijgen niet van zichzelf steeds meer verwachting, maar ze worden steeds afhankelijker van Hem Die hun Leidsman wil zijn. Die hen wil onderwijzen, die hen wil troosten, die Zijn genade wil openbaren, die hen wil bedienen uit de volheid van Zijn genade. Gods kinderen worden, naar mate ze meer oefeningen krijgen, afhankelijker. Die gaan dan ook niet minder bidden, maar die gaan meer bidden. Daarom is het geen tegenstelling als David nu weer bidt: ‘Leer mij Uw inzettingen.’ Wie dit verlangen niet kent en dus niet bidt, moet zich eens afvragen of hij ooit oprecht heeft begeerd om heilig te zijn. Want die oprecht begeert naar Gods wil te leven, die begeert ook Gods wil te kennen. Die begeert daarin onderwezen te worden: ‘leer mij Uw inzettingen’. Dat is de begeerte van allen die God vrezen. Ja dan begeren ze, dat zij die inzettingen houden. Maar ze verlangen het van iedereen. Als Gods Woord ons leert dat de aarde vol is van Gods goedertierenheid, en dat die overal op al Gods werken verspreid ligt, zoals de dichter zingt: ‘Zijn goedheid ligt verspreid op al zijn werken’, dan mag je er in de eerste plaats om denken om zelf Gods inzettingen te mogen leren, maar David sluit anderen dan niet uit. Dat lezen we ook in andere Psalmen. In Psalm 33 staat: Dat de ganse aarde de Heere vreze’, De ganse aarde, dat is dus iedereen. Want het komt God immers toe, dat alle mensen Hem dienen, vrezen en liefhebben, ook u.

Wat is het leven geweest, zoals het nu achter u ligt? Was het een leven in de dood, een geesteloos leven, waarin je eigen zin, eigen wil, eigen eer zocht? De Heere weet het. Was het niet tot eer van Hem? Het mocht u nog tot zonde worden. Als God een zondaar bekeert, wordt het doorgebrachte leven tot schuld. Dan gaan we oog krijgen voor de goedertierenheden des Heeren waar de aarde vol van is en gaan we de bijzondere barmhartigheid zoeken voor zo’n ellendige doorbrenger. Dan gaan we met al Gods kinderen bidden: ‘Leer mij Uw inzettingen en zullen we alleen rust vinden bij Hem, de grote Davidszoon, Die God inzettingen gehouden heeft. Door Zijn levensvernieuwende werk wordt God verheerlijkt en zien we overal in deze wereld Gods goedertierenheid.

Zingen Psalm 119:32 (ber. CJM) en Psalm 145:2 en 6:

32 ’t Is bij Uw volk dat ik het liefst verkeer,
‘k Ben een gezel van allen die U vrezen,
met wie ik Uw bevelen houd en eer.
De aarde is vervuld, schoon onvolprezen,
met wat Uw goedheid geeft, o HEERE! Leer
mij aan Uw wetten steeds verknocht te wezen.


2 Ik zal, o HEER’, dien ik mijn Koning noem,
Den luister van Uw majesteit en roem
Verbreiden, en Uw wonderlijke daân
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
De grote kracht van Uwen arm verhogen;
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren.

6 De HEER’ is recht in al Zijn weg en werk;
Zijn goedheid kent in ’t gans heelal geen perk.
Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht;
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;
Dat ongeveinsd, in ’t midden der ellenden,
Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden;
Hij geeft den wens van allen, die Hem vrezen;
Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.