De Heilige Oorlog XVIII
Zingen: Psalm 101 : 2, 3 , 4 en 7
Schriftlezing: Klaagliederen 3 vanaf vers 40
Toezicht in de stad Mensenziel
We willen overdenken hoe het complot, wat daar is, ontdekt wordt. Daar is in de stad Mensenziel een persoon van wiens werk maar weinig begrepen wordt; en wiens werk eigenlijk dikwijls ook te weinig gewaardeerd wordt. Als er een wederkeren is tot de Heere, dan zal deze persoon meer waardering ondervinden; en zijn werk beter kunnen doen. Hoe is de naam van deze persoon? Zijn naam is Toezicht. Bunyan beschrijft: dat naar het welbehagen van El-Schaddaï, daar in stad Mensenziel iemand is met die naam Toezicht. U begrijpt dat wel: Deze persoon moet toezicht houden in de stad Mensenziel. En uitdrukkelijk wordt er door Bunyan bijgezegd dat hij een vriend is van de inwoners van Mensenziel. Hij heeft de inwoners van de stad lief.
Kent u Toezicht?
Wie wordt er graag op zijn vingers gekeken? Wie wil dat ze alles van je weten en van je zien? Om wat dichter bij te komen: Wie houdt er toezicht in zijn eigen leven? Toezicht houden op alles wat je denkt; op alles wat je doet. Wie bezint zich daarop; en overdenkt het? U moet daar eens aan denken. De natuurlijke mens leeft heel erg oppervlakkig, bekijkt zichzelf ternauwernood. Nu ja, die mens bekijkt zich alleen in de spiegel, alleen aan de buitenkant, alleen maar met het oog op andere mensen. Die mens vindt het belangrijk om te weten wat een ander van hem vindt. Men bekijkt zichzelf dan alleen maar om te kijken hoe te kunnen stijgen in de achting van anderen. Nee, dat wordt hier niet bedoeld! Toezicht, zoals El-Schaddaï die wil hebben in de stad Mensenziel, is een beschouwing van al hetgeen je wil, hetgeen je denkt, hetgeen je doet, hetgeen je begeert. Daar wil je toezicht op houden. Dan vraagt men zich af: Is het wel goed, is het wel zoals El-Schaddaï het wil? Is het wel zoals de Heere het wil?
Kent u die Toezicht? Hebt u toezicht in uw leven? Naar het welbehagen van El-Schaddaï is er zo iemand. De natuurlijke mens, die geheel en al in de macht van Diabolus is, die begeert die toezicht niet. Die kent die toezicht niet; die houdt die toezicht over zichzelf ook niet. Maar waar God gaat werken door genade, daar is naar het welbehagen van El-Schaddaï, ook iemand die tóch een vriend is van de stad Mensenziel; die de stad liefheeft. Het lijkt dikwijls wel of het zo niet is. Als iemand je op de vingers tikt, opdat voortdurend nagezocht wordt of er kwaad is, wordt dan niet gezien dat dit uit liefde gebeurd. Daar moeten de ogen voor opengaan. Toezicht moet er steeds zijn en wijzen op het kwaad. Dat moet voortdurend gebeuren, uit liefde. Dus deze Toezicht is in de stad Mensenziel om er toezicht te houden. Het is een gewoonte, die hij aangenomen heeft, om overal te luisteren en op te letten. En vooral luistert hij, ja daar is hij op gespitst, of er niet iets is wat kwade gevolgen kan hebben.
Deze Toezicht, die zo overal in de stad doende is, en zijn ogen en oren goed de kost geeft, weet dat er Diabolusmannen in de stad zijn. En hij weet ze ook te ontdekken. Hij komt op een plaats waar de Diabolusmannen samengekomen zijn. Die plaats van samenkomst is op Kwaadheuvel. En nu, in de duisternis van de nacht, hebben ze zich aan velen onttrokken, maar niet aan het gezicht van Toezicht. Toezicht sluipt nader om hun gefluisterde gemompel te horen. En ja, hij hoort wat ze met elkaar overleggen: “Het zal niet lang duren of Diabolus komt met zijn leger. Hij heeft het bijna in gereedheid gebracht. Bij die Hellepoortsheuvel in het land van de Twijfelaars heeft hij twintigduizend manschappen gerekruteerd. En het leger zal welhaast komen naar de stad Mensenziel.” “Prachtig,” zegt een andere Diabolusman, “dan zal het gedaan zijn met de inwoners van de stad Mensenziel. Ze zullen met het zwaard gedood worden.” “Ja, en de kapiteins en de soldaten van Immanuel, die nog in de stad zijn, zullen allemaal verjaagd worden,” zegt weer een ander. Een heerlijke overwinning wacht onze heer Diabolus.”
Toezicht is getuige van dit gesprek. En nauwelijks heeft hij het gehoord of hij weet niet hoe snel hij het bericht door moet geven aan de burgemeester van de stad. U kent hem wel, het is burgemeester Verstand. Als de burgemeester hoort wat Toezicht vernomen heeft, gaat hij onmiddellijk naar de griffier; die trouwens ook de tweede prediker is in de stad Mensenziel. Zijn naam is Geweten. Hij kon zo vervaarlijk brullen in de stad. Dat heeft hij ook gedaan toen de kapiteins van El-Schaddaï kwamen. Maar hij is ook wel wat van de wijs geweest. Onder de heerschappij van Diabolus`wist de man totaal niet meer hoe hij moest spreken. Hij is zelfs opgesloten geweest in zijn geblindeerde huis, opdat hij maar geen licht zou hebben.
Het sprekende Geweten in de stad Mensenziel
Maar deze Geweten is nu in zijn positie hersteld en mag zeer verdienstelijk werk in de stad doen. Hij is de tweede prediker. Waarom is hij niet de eerste leermeester? Het ministerie, dat aangesteld was, kende ook een eerste prediker. En dat was de Opperste Geheimschrijver van Vorst Immanuel (Bunyan doelt op de Heilige Geest). Aan de heer Geweten was uitdrukkelijk gezegd om goed naar hem te luisteren. Hij mag niets zelf ondernemen en met zijn eigen wijsheid komen. Hij moet geheel en al een leerjongen van de Opperste Geheimschrijver zijn. Geweten mag nazeggen wat de Heilige Geest leert. Dat doet toch het geweten in de ziel van de wedergeborene? Dan gaat het geweten weer spreken naar dat de Heilige Geest leert. Daar wordt immers Gods wet immers weer opgericht in het geweten. Daar wordt het geweten geijkt aan wat God wil en wat de Heilige Geest werkt. En daar moet het geweten, de tweede prediker, naar spreken.
De burgemeester gaat dus naar deze heer Geweten, de stadssecretaris. Er moet bij vermeld worden dat de eerste prediker nog ongesteld is. U moet dat niet verkeerd begrijpen. U zou kan vragen: “Kan dat van de Heilige Geest gezegd worden?” Bunyan bedoelt hier dat de Opperste Geheimschrijver, zozeer, zijn werk in de stad niet meer doet. Hoe komt dat dan? Ach, u weet dat de Diabolusmannen gearmd met de inwoners van de stad door de straten flaneerden. U weet toch wel dat men het op een akkoordje gegooid had met de zonden in de stad Mensenziel. De Diabolusmannen hadden het steeds makkelijker gekregen. En hun getal kon bijna de overhand, krijgen.
Wat doet dan de Opperste Geheimschrijver? Wat doet de Heilige Geest als het er in het leven van Gods kinderen slordig aan toegaat; en als ze het zo nauw niet meer nemen met de zonden? Hij is dan niet meer werkzaam. Dan doen ze de Heilige Geest smarten aan. Dan kan het zelfs wel zijn dat de twistingen van de Heilige Geest schijnen te verdoven. Dan kan het wel zijn dat er een ingezonken, dor leven, is waarin bijna geen tekenen van geestelijk leven meer gevonden worden. Dan doet de Opperste Geheimschrijver, die eerste prediker, weinig werk meer. Maar nu wordt geschud aan het geweten, bedoelt Bunyan te vertellen. De burgemeester gaat naar de heer Geweten. Stel het u voor hoe het in de ziel van een kind des Heeren gaat, die wakker geschud wordt uit zijn ingezonken toestand. Dan komt het woord weer van toezicht; opmerkzaam gemaakt op de ernstige toestand en het grote gevaar, gaat een kind des Heeren met zijn verstand zien, in wat voor een ellendige toestand hij verkeerd. Hoe gevaarlijk het is en hoe dat de duivel zijn triomfen weer dreigt te vieren. Wat doet dan het verstand als het recht handelt? Het schudt het geweten wakker. Het geweten moet bemerken hoe verdrietig de toestand is.
Wat doet de heer Geweten in de stad Mensenziel? Hij laat de klok luiden. Hij roept het volk samen. En van alle kanten komen de inwoners van de stad Mensenziel toegelopen. Hij spreekt hen toe en roept hen op toch waakzaam te zijn, vanwege het gevaar van de Diabolusmannen. En vervolgens vertelt hij hen wat Toezicht aan burgemeester Verstand heeft verteld; en wat hij op zijn beurt van meester Verstand heeft gehoord. Hij maakt dat de burgers van de stad Mensenziel bekend, zodat ze met Geweten moeten verschrikken en waakzaam moeten worden. Toezicht zegt als hij mag spreken: “Het is geen vreemde zaak dat het er niet best voor staat als men weet wat gebeurd is op de Kwaadheuvel. Het is verontrustend wat de Diabolusmannen daar met elkaar hebben besproken; wat gebeurd is bij de Hellepoortsheuvel, of bij de gewesten der rampzaligheid.” Als Toezicht zomaar een tipje van die sluier oplicht, dan moet de stad Mensenziel ook horen dat het geen vreemde zaak is dat het er zo slecht met hen voorstaat; dat Diabolus hen weer wil onderwerpen en zijn dreigende komst hen wel moet verschrikken. Het is de werkelijkheid dat zijn overmacht hen dreigt te overweldigen. De inwoners zeggen dan: “Dat is onze eigen schuld.” Dat is de taal weer van Geweten. Hij zegt: “Dat is niet bevreemdend, want wij hebben El-Schaddaï beledigd en wij hebben toegelaten dat zijn zoon Immanuel ons heeft verlaten. En wij hebben ons vriendschappelijk gedragen met de Diabolusmannen, in plaats van ze uit te roeien. En wij hebben verschrikkelijke ziekten in de stad toegelaten. Wat zijn er veel goede burgers, veel inwoners van de stad Mensenziel gestorven. En wat zijn er veel brieven van de Diabolusmannen naar Diabolus gegaan en ook omgekeerd teruggezonden. Wat zijn er veel contacten geweest. Begrijpt u hoe Geweten nu doende is in de stad Mensenziel?
Toepassing voor ons leven
En begrijpt u nu ook hoe het er dus toegaat in leven van een ‘ingezonken’ kind des Heeren, die weer wakker geschud moet worden. Dan gaat het geweten te keer. En het geweten gaat duidelijk maken dat het er zó ellendig voorstaat en dat de vorst der duisternis zijn greep dreigt te versterken. O, dan is het zo duister in het leven en is Christus zover geweken! Weet u hoe dat komt? Dat is eigen schuld. Die Heilige God is vertoornd, Die is beledigd, door dit leven en gedrag. Dat Christus geweken is, komt door de slordige levenswandel. Men heeft hem laten gaan en er is niet eens bemerkt dat Hij Zich terugtrok van die gemeenzame omgang die men weleer mocht genieten. Men heeft het op een akkoordje gegooid met de zonde. En daar is slordig in gehandeld en daar is niet nauwlettend toegezien. Men liep gearmd met de Diabolusmannen. Men moet van zichzelf zeggen slordig geleefd te hebben, in een vertrouwelijke omgang met de zonden.
Wat beduiden dan de brieven naar Diabolus in een mensenziel? Dat is dat er contact is met de werken der duisternis en met de dienaren van de vorst der duisternis. Dat is: ons iets gelegen laten liggen aan zijn wil, in plaats van aan de wil des Heeren. Wat verschrikkelijk als dit in het leven van een kind des Heeren geschied! Maar, het geschied! Dan zijn er contacten met de duivel en met de hel in de mensenziel. O, laten we toch verlegen zijn om het werk van die Toezicht die in stad Mensenziel het middel is geweest om wakker te schudden. Toezicht, die de plannen van de vorst der duisternis wel kent; die het verstand wakker schudt en die het geweten wakker geschud, zodat de stad ontwaakt uit haar ingezonken toestand.
Droefheid in de stad Mensenziel
En als men dan zover gekomen is, dan is de reactie in de stad Mensenziel: geween. Dat zal zo zijn bij ieder zondaar, die bij vernieuwing ontwaakt; daar is grote droefheid. Mensenziel heft zijn stem op en weent. En ook Toezicht weent met de wenenden. Wat een verdriet; en door eigen schuld in een ellendige toestand gekomen.
Maar het blijft daar niet bij. Men maakt toch meteen weer nieuwe plannen. Daar moeten verzoekschriften naar El-Schaddaï. Maar er zijn er toch al zoveel weggegaan? Ja, maar dat was verstandwerk, daar had burgemeester Verstand de hand in. En dat mocht wel, die verzoekschriften mochten weggaan, maar ze zijn geen van allen nog goed ontvangen. Daar is uiteindelijk nog geen herstel van de toestand. Daar moet een nieuw verzoekschrift naar El-Schaddaï en naar zijn Zoon. En ook de kapiteins, die er toch nog zijn in de stad, moeten aangezocht worden om toch weer waakzaam te zijn. De kapiteins moeten hun wapenrusting nazien en vooral goede moed hebben. Wat is dat in een mensenleven; als men zo handelt in de droefheid die er is over eigen ingezonkenheid? Dan is er wel geween, maar men moet niet in de droefheid ten ondergaan, niet verslonden worden door overmatige droefheid. Dat is een gevaar waarvoor in Gods Woord ook gewaarschuwd wordt. David heeft eens geweend in Ziklag. O, hij was ook zo dwaas geweest. Hij was ook zo afgeweken van de Heere en had zijn sterkte zo buiten God gezocht, bij de Filistijnen. En toen Ziklag verwoest was, toen heeft hij geweend. Hij heeft geweend totdat er geen kracht meer in hem was om te wenen. Maar daarin lag zijn kracht dan ook niet, daarin verloor hij zijn kracht! Dan staat er: “En David sterkte zich in de Heere zijn God.” Daar lag zijn kracht!
Als de stad Mensenziel nu weent dan blijven ze toch niet in hun wenen steken, maar dan gaan ze heen naar de kapiteins van El-Schaddaï. Wat doet een kind des Heeren dan? Wat betekent dat? Dat betekent dat een kind des Heeren omziet naar wat in zijn leven toch van de Heere is; en daar nog is. Wat dan? Kapitein Geloof, kapitein Hoop, kapitein Liefde. Nee, die waren echt nog niet weg. Kapitein Onschuld, kapitein Geduld, kapitein Boanerges en ook de kapiteins Overtuiging, Oordeel en Strafoefening zijn er nog. De kapiteins van Immanuel worden aangesproken. Dat betekent dat een kind des Heeren om gaat zien naar wat de Heere tóch in zijn leven heeft gewerkt. En al is dat geloof dan ingezonken, al is die hoop verflauwd, al is die liefde verkild en verlaten, al is die onschuld en al is dat geduld kwijnende, evenwel mag men omzien naar die kapiteins van Immanuel. En men mag tot hen zeggen: “Kom wees sterk!” Men mag hen opwekken: “Zie naar uw wapenrusting. Laat het geloof gesterkt worden, laat de hoop verlevendigd worden, laat de liefde weer ontbranden. Hebt goede moed!” Dat is iets bijzonders.
Eén van de oudvaders zegt dat het een oordeel over de is kerk, als Gods knechten moedeloos worden. Het is een bijzonder oordeel als Gods knechten de moed verliezen. Wel, dat vind je hier nu eigenlijk ook. Als de werkzaamheden van het geloof, die gaven zijn van de Heilige Geest, ingezonken zijn, dan moeten die weer gesterkt worden. Dan moeten die weer kloekmoedig zijn. Zij moeten verlevendigd en opgewekt worden, omdat de strijd aanstaande is. Vervolgens gaat men besluiten nemen. U ziet, men is toch nog besluitvaardig. Temidden van deze trieste omstandigheden, terwijl een leger van twintigduizend twijfelaars klaarstaat om te komen, gaat men toch, alleszins navolgenswaardige, besluiten nemen. Let er eens op. We denken dat het besluiten zijn waar ieder wel iets van kan leren, bekeerd of onbekeerd. Een zestal besluiten:
Besluiten voor versterking en verdediging
Het eerste besluit is: De poorten moeten gesloten worden en de bouten en grendelen moeten versterkt worden. Men moet goed toezien dat de poort wezenlijk dicht is. En als hij eens opengaat, omdat er iemand uit moet, dan moet er goed gekeken worden wie dat is die eruit wil. Of als er iemand binnenkomt, moet men ook goed kijken wie het is. Heel goed opletten, bij iedere poort, wie er uitgaat en wie er ingaat. Men moet opletten of dat geen Diabolusman is. Nu, is dit geen stof tot overdenking voor ieder van ons. Hoe staat het met die poorten van de stad Mensenziel? (Bijvoorbeeld met de Oorpoort en de Oogpoort) Laten we eens alleen die twee poorten overdenken. Wat gaat er naar buiten en wat gaat er naar binnen? Wij moeten de wacht eens betrekken bij die poorten. Wij moeten eens letten op wat eruit gaat en wat erin komt. Toezicht heeft weer werk! We denken dat dit dagwerk moet zijn. O, daar moet een ingezonken kind des Heeren, die gestruikeld is, eens op gaan letten. Hoe gedraag ik me nu de hele dag? Ja, gewoon in het dagelijkse leven. Wat gaat er nu uit en wat gaat er nu in, ten aanzien van de ziel. Waar luister ik de hele dag naar; waar leen ik het oor naar? Luister ik naar verleidingen tot de zonde. Luister ik naar lasteraars, naar kwaadspreken, naar goddeloze taal. En blijft dan die Mondpoort dicht? Houd ik me op met zondige dingen, die mijn ziel bezoedelen. Neem ik het er zo nauw niet mee.Dan is er geen toezicht!
Er zijn wat een mensen, onbekeerde mensen, die hebben al die poorten maar open staan en die laten vrij naar binnen en naar buiten gaan. Alsof dat allemaal niets geeft; alsof je, je ziel niet vergiftigen kunt. Wat zijn er velen die zo goddeloos handelen met hun ziel, door die poorten maar zondermeer open te laten staan.
En Bunyan zegt: “Dan moeten ze erop letten wie er naar binnenkomt of naar buitengaat, die in verbinding staat met Diabolus. Lenen we het oor naar de duivel? Het ware beter te zeggen: “Ik neig het oor, daar ik op Gods inspraak wacht.” De Oogpoort, de Oorpoort, de Mondpoort, ach het is stof tot overdenking voor ieder van ons. Wat is van God en wat is van de duivel? Er is nogal wat, wat naar binnengaat en van de duivel is. Er is zoveel wat alleen maar kwaad doet in onze ziel, wat alleen maar verderf sticht, wat alleen maar tot de zonde verleidt. Doet dat boek toch weg! Kijk daar toch niet naar; luister daar toch niet naar. Houd de wacht! Want je bezoedelt je ziel. Je haalt duisternis over je hart en Christus wijkt daardoor van de Zijnen. En wat gaat er naar buiten door die Mondpoort? Wat zeggen we allemaal? Zijn er geen Diabolusmannen die naar buiten glippen? “Zet Heer’een wacht voor mijne lippen, behoed de deuren van mijn mond. Opdat ik mij tot gene stond’, iets onbedachtzaams laat ontglippen.” Dit is dus het eerste besluit wat genomen wordt. Een strenge wacht bij alle poorten van de stad Mensenziel.
In de tweede plaats: Nauwkeurig onderzoek in de stad om te kijken of er ook Diabolusmannen verborgen worden in de huizen. Dus huiszoeking bij iedereen! Waar verbergen die schelmen zich? Waar hebben ze hun holen, zodat ze vanuit verborgen plaatsen, als een leeuw, hun prooi zoeken te overweldigen. Onderzoek, nauwkeurig onderzoek! Ja, dat is het werk wat God de Zijnen leert. Wat kun je verdrietig zijn als mensen soms openlijk, vanuit hun blindheid en dwaasheid, zeggen: “Een mens moet niet zo in zijn binnenste wroeten.” Met minachting spreken velen daarover. Met grote afkeer werpt men dat terzijde en zegt men: “Het gaat toch om Christus.” Dat laatste is inderdaad wel waar: het gaat om Christus, maar waar wil Hij wonen? Wee, die nog nooit gezien heeft hoe verschrikkelijk vervuild zijn stad Mensenziel is. Christus zal geen intrek nemen als het daar zo is en zo blijft. En daarom, wie Christus liefheeft, haat de zonde. Zo een haat niet alleen de zonde van anderen, maar ook de zonde in het eigen hart. Wie Christus liefheeft, haat zijn zonden; en die is niet wars van zelfonderzoek.
Wie de zonde haat, wil ze dood hebben en die zou al die Diabolusmannen in het hart wel op willen sporen. Dat is een vrucht van het werk van de Heere, van het werk van de Heilige Geest. En wat blijkt dat ook hier. Dat zien we niet alleen bij pas ontvangen genade. Dat is echt niet iets wat iemand alleen in zijn eerste overtuigingen moet leren: de duivel en de zonde leren kennen. Daar heb je, je hele leven voor nodig. Men gaat in de stad Mensenziel huiszoeking doen, bij iedere burger. Waar zitten nu toch die Diabolusmannen?
Het derde punt is: Waar een Diabolist huis, moet die openbaar komen. Die moet aan de schandpaal. Een Diabolusman die gevonden wordt, mag niet verborgen gehouden worden, maar die wordt tot schande van degene die hem gehuisvest heeft en zo in de openbaarheid gebracht. En wat die schelm betreft, die moet natuurlijk naar de gevangenis. En wat de inwoner betreft, die hem huisvestte, die moet dus openbaar komen, opdat dat kwaad niet voort zou gaan. En opdat zo’n mens daarvan genezen zou worden.
Het vierde punt: Daar wordt een vast- en bededag uitgeschreven in de stad Mensenziel. Een dag waarin een ieder zich moet verootmoedigen voor zijn Vorst, voor El-Schaddaï, en voor zijn Zoon, vorst Immanuel. En deze vast- en bededag moet een algemene vast- en bededag zijn. Daar mag geen van de inwoners zich van onttrekken. Wee, wie het wel doet, die met zijn arbeid doorgaat op die vast- en bededag! Die moet gehouden worden voor een Diabolusman en die moet zijn ongerechtigheid dragen. Aldus het vierde besluit, wat hier genomen wordt.
Het vijfde besluit is: Het dringende smeekschrift om hulp aan El-Schaddaï. Met daarbij een mededeling van wat de heer Toezicht allemaal heeft ontdekt. El-Schaddaï moet alles weten.
En in de zesde plaats: Toezicht wordt bedankt. En niet op zulk een wijze dat hij de laan uitgestuurd wordt. Nee hij wordt echt bedankt; op zulk een wijze dat hij ook promotie mag maken. De heer Toezicht wordt benoemd tot: schout bij nacht. Altijd toezicht. We denken dat hier allemaal zaken zijn die voor ons tot lering mogen zijn. Die wachten, bij de poorten van de stad Mensenziel, staan ze bij uw poorten? Dat onderzoek in alle huizen van de stad Mensenziel; doorzoekt u uzelf zo nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt? Doorzoekt u uzelf zeer nauw, of er ook zonde of er ook ongerechtigheid in u woont? Gods Woord heeft vele plaatsen waar de vermaning weerklinkt om toch aan nauw zelfonderzoek te doen.
Diabolus’ macht opgespoord
En dan het te schande gemaakt worden van diegenen, die Diabolusmannen herbergen. Die moeten te schande gemaakt worden, opdat ze het niet weer zullen doen. Dat betekent dat u de zonde zo in uzelf bestrijdt, dat u met volle bewustheid weet: Hier ligt een boezemzonde van me, daar ligt een boezemzonde van me. En dat u zelf ook begeert dat die zonde gekruisigd, gedood en uitgeroeid wordt.
U merkt, Toezicht, de schout bij nacht, is altijd in de weer. IJverig gaat hij van de ene plaats naar de andere plaats, om maar te kijken of er nog iets is wat de stad tot schade kan zijn. En als hij dan niet meer kan, als hij dodelijk vermoeid terneer ligt, dan ligt hij toch nog op de loer. Dan ligt hij nog uit te zien om de stad ten goede te zijn; en alle kwaad maar openbaar te maken. Voortdurend toezicht!
En daardoor komt hij op een gegeven moment bij de Hellepoortsheuvel, bij het land van de twijfelaars. En als hij daar komt, bemerkt hij dat het waar is: Het leger van Diabolus staat klaar. Twintigduizend twijfelaars zijn onder de wapenen geroepen. En de opperbevelhebber van het leger, hoe kan het ook anders, is kapitein Ongeloof. “Waarom?” zo vraagt Toezicht, als hij in dat land doorgedrongen is en een twijfelaar ontmoet. En deze man die Toezicht niet kent of herkent, die openbaart het hem. Hij zegt: “Waarom Ongeloof opperbevelhebber mag zijn van het leger van Diabolus is nogal duidelijk. Niemand is er trouwer aan Diabolus dan Ongeloof. En hij heeft een dodelijke haat tegen Mensenziel. Hij begeert wraak te nemen op de stad. En hij kent de stad opperbest. Hij heeft daar vroeger zelf geregeerd. Dus wie is er geschikter om het leger van Diabolus aan te voeren dan Ongeloof!”
Begrijpt u hoe de macht van de boze Gods kinderen benauwt; en de legermacht uit de hel hen wil bespringen? Weet u wie de aanvoerder dan is van die vijandelijke macht, die Gods kinderen wil benauwen; en hen het liefst voor eeuwig zou willen verdoemen? De aanvoerder daarvan is Ongeloof. Herkent u hem niet? Als u Ongeloof op ziet komen, weet dan dat het een vriend van de duivel is; en dat u nooit naar hem mag luisteren. Ongeloof is de aanvoerder van deze legermacht en niemand is een trouwer dienaar van de duivel, dan hij. Herkenden we hem altijd maar. Ongeloof heeft een dodelijke haat tegen de stad Mensenziel; vooral daar, waar Gods werk is en waar Diabolus eigenlijk zijn stad kwijt is. Waar Ongeloof dus niet meer mag heersen en de macht niet meer heeft, daar keert hij zich tegen. Daar begeert ook de duivel wraak te nemen. Wat een hevige aanvallen kunnen er dan volgen.
Toezicht die dit alles dan weer gehoord heeft, in het land van de twijfelaars bij de Hellepoortsheuvel, haast zich naar de stad Mensenziel; en brengt daar onmiddellijk zijn boodschap. Als men daar verneemt wat er plaatsvindt, om de stad Mensenziel ten onder te brengen, dan is men daar ook niet dadeloos. Dan gaat men niet bij de pakken neerzitten. Maar dan gaat men handelen naar, dat men besluiten genomen heeft. Die besluiten waren wel genomen, maar nu voert men ze ook uit. Er is nu reëel gevaar en het nadert! Nu worden de Diabolusmannen overal gezocht. Twee worden er gevonden.
Eén wordt er gevonden in het huis van de heer Gemoed. Weet u nog wie daar in huis was gekomen? Dat was Begeerlijkheid, onder de naam Spaarzaam. Hij woonde in het huis van de heer Gemoed, maar hij wordt nu ontdekt en ontmaskerd als een Diabolusman. En Begeerlijkheid wordt naar de stokbewaarder Getrouw gebracht en in de kerker gesloten. Maar de heer Gemoed wordt te schande gemaakt. Iedereen ziet dat in het huis van Gemoed, Begeerlijkheid gehuisvest was.
Begrijpt u het? Zo vergaat het Gods kinderen ook als de Heere ze meer en meer ontdekt. In hun gemoed werd begeerlijkheid gehuisvest. O, wat een schande voor hun gemoed!
En dan Vastewil. Hij had wel een hoge positie in de stad, maar ondertussen had Vastewil Onreinheid gehuisvest. Onreinheid had woning gevonden bij de heer Vastewil, onder de naam van Geoorloofd-vermaak. Vastewil dacht dat dit allemaal wel kon en mocht. Maar nu in deze tijd komt men er achter dat Geoorloofd-vermaak niemand anders dan Onreinheid is. En Vastewil heeft Onreinheid gehuisvest. Onreinheid moet in de kerker; het is een Diabolusman. En ieder moet weten dat Vastewil hierin zot gehandeld heeft.
Zo vergaat het Gods kinderen in de weg van nadere overtuiging. De zonden worden opnieuw ontdekt en gevangen genomen. Hoe vergaat het dan deze Onreinheid en Begeerlijkheid? Ze zijn in de kerker aan de tering gestorven. Ze zijn zo slecht behandeld, daar in die kerker, dat ze stierven. Zo moet het ook met de zonden. De zonden moet je slecht behandelen, totdat ze sterft. De zonden moet je geen eten geven, die moet je niet voeden. Die zonden moeten eraan! Zo is het gebeurd met Begeerlijkheid en met Onreinheid. En hun meesters hebben in het openbaar hun schuld moeten belijden. Dan gaat men nog wel door met het zoeken naar Diabolusmannen. Men doorzoekt de hele stad. Maar wat is dat moeilijk! Ja, er zijn er. Ze weten dat ze er zijn; dat zien ze aan hun voetsporen. Ze zien die voetsporen van de Diabolusmannen overal; en ze ruiken hun stank, maar ze vinden ze niet. Kijk, en zo is het nu met de zonden ook. Zo is het ook vaak met de zonden in een gemeenschap, in de kerk. Wat kun je ze vaak moeilijk aanwijzen, grijpen en uitroeien. Maar zo is het ook in een mensenziel. Je vindt de voetsporen, je bemerkt dat er zonden in zijn, maar waar schuilen ze? Hoe moet ik ze vinden? Hoe moet ik ze grijpen? Zo gaat het dus met die Diabolusmannen in de stad Mensenziel. We hopen, evenwel, dat u voortdurend bedacht bent op die Diabolusmannen. Dat u ze kent en begeert te vangen en te doden.
Ach, de Diabolisten hebben in deze tijd in de stad Mensenziel niet veel meer te vertellen. Gelukkig niet! De stad is toch wakker geschud en overdag hoeft geen Diabolusman zich op straat meer te wagen. Dat geflirt met de Diabolusmannen is afgelopen. Ze zijn nu alleen nog ’s nachts in de weer. Als nachtuilen zwerven ze door het duister.Toezicht heeft goed werk gedaan! Ondertussen is het leger van Diabolus in opmars. Dat leger nadert met Ongeloof, als veldmaarschalk; en met de kapiteins uit de afgrond. Maar we gaan in het vervolg bezien wat daar van geworden is.
Psalm 51 : 5