12. Heilige Oorlog

De Heilige Oorlog XII

Psalm 118 : 13
Schriftlezing: Psalm 24

We hebben iets gezien van dat grote, wondere, werk van Vorst Immanuel bij de inname van de stad Mensenziel. We hebben de capitulatie van de stad meegemaakt. In het vervolg zal het gaan over de voltooiing van die heerlijke overwinning. De capitulatie was volkomen en daar is al op grootse wijze feestgevierd. De burgers kwamen de wallen op. Bunyan tekent hier in zijn eigen kanttekeningen bij op: De wallen, dat is het vlees, werden getreden met voeten. Vorst Immanuel heeft een rondgang gemaakt. Diabolus is verdwenen en kapitein Geloof heeft woning in het kasteel gekregen. Maar u heeft misschien toch wel met enige bevreemding opgemerkt dat Vorst Immanuel zijn verblijf nog buiten de stad heeft. Hij heeft zijn woning nog in het legerkamp. We gaan nu overdenken hoe Hij zijn intrek neemt in de stad.

Een spiegelgevecht
Eerst wordt beschreven hoe dat er een spiegelgevecht plaatsvindt voor de muren van de stad. Waarom dat nu toch? Waarom zijn daar schijngevechten van de legers van Immanuel? De burgers van de stad stromen toe en mogen bezien hoe de krijgslieden bekwaam zijn in hun strijd. Wat doen de krijgslieden dan zoal? Eerst wordt hun het marcheren uitgelegd.Wij zouden dat nu exercitie noemen. U weet misschien, wat de krijgskunst betreft, dat dit uitgevonden is op Nederlandse bodem. En dat onze grote veldheren, de zonen van Willem van Oranje: Frederik Hendrik en Maurits, zich daarin bekwaamd hebben en voor het eerst zo geoefend hebben. Daarna is dat uitgewaaierd naar andere legers in Europa. En Bunyan heeft zelf aan den lijve ondervonden wat dat is, want hij heeft dat meegemaakt in de legers van Cromwell. Hij weet dus vanuit het gewone leger waar hij over spreekt. Al de oefeningen die te maken hebben met het bekwaam maken voor de strijd, die vinden plaats in spiegelgevechten. Dat is nu toch nog. Dan lezen we vaak in de krant van grootscheepse oefeningen die gehouden worden; waarbij er het aan toegaat of het oorlog is, maar het zijn schijngevechten. Dat wordt hier dus beschreven.

De burgers van de stad mogen zien hoe dat de legers van Immanuel zo wondergoed gedisciplineerd marcheren. Men ziet hoe dat ze naar één zijde allen te samen uit kunnen gaan, maar dan opeens ook naar twee zijden. Het leger kan zich dus splitsen, het kan zich verdelen. Ze moeten ook leren de gelederen te openen en ze berijpen het. Ze moeten de gelederen kunnen sluiten en ze moeten opeens een front kunnen maken, tijdens hun exercities. Of ze moeten leren om het front te verbreden. En dat kunnen ze. De voorhoede, rechts of links, kan opeens in de aanval gaan; of zelfs de achterhoede kan naar voren komen. Ook oefent men met de wapenen in het spiegelgevecht en ze tonen een grote behendigheid.

Waar kunnen wij bij dit alles aan denken? Ik denk aan wat ieder kind des Heeren gaat doen als hij bekeerd wordt. Dan ga je lezen, lezen en nog eens lezen. Of luisteren naar alles wat met die goede strijd des geloofs te maken heeft. Dan wil je daar o zo graag iets van vernemen; ook al betreft het jezelf dan net niet. Als u een boek leest, dan leest u ook wel eens dingen die te maken hebben met de belevingen van een ander; zoals een ander de strijd doormaakt. Maar toch leest u het wel graag. U hoort ook graag, in gesprekken, van de werken des Heeren. U moet niet denken dat iedereen precies allemaal hetzelfde meemaakt, op dezelfde wijze, maar je voelt je er toch bij betrokken. En er zijn vaak punten van herkenning. De wezenlijke zaken vind je in ieders leven terug.

Er zijn ook verschillende zaken en het kan o zo nuttig zijn om daar van te horen en om daar iets van te ervaren. Dan kunnen sommigen minachtend zeggen dat het alleen beschouwing is. Dan is dat ook zo, ’t is waar, dan is er beschouwing van bevinding. We weten best dat het niet genoeg is als iemand alleen maar spiegelgevechten ziet en nooit de strijd van binnen meemaakt. Als je alleen maar erg goed thuisbent in de beschouwing van de strijd, en je hart nog nooit een strijdperk is geworden, en de stad Mensenziel van eigen leven nog onder de heerschappij van Diabolus is, dan heb je een arm portie. Maar het is een kenmerk voor allen die de goede strijd leren kennen, dat ze er ook graag van horen, van lezen en van zien, of op welke wijze dan ook, daar meer onderwijs in krijgen. Het kan wel tot nut zijn voor andere keren.

Vorst Immanuël moet in de stad komen wonen
Vervolgens lezen wij dat de stad Mensenziel toch haar gemis voelt. Weer een gemis, want de Prins Immanuel is nog buiten de stad. Hij heeft zijn intrek nog niet genomen in de stad. De inwoners van de stad kunnen hem niet meer missen. En daarom trekken ze op naar het legerkamp en komt men massaal om de Prins te danken. Ze willen hem danken om de grote dingen die hij voor hen gedaan heeft, om zijn wondergrote genade. En vervolgens smeken ze hem ook: “O, wilt toch alstublieft met ons meegaan naar de stad en uw intrek nemen in het kasteel . Tot zevenmaal toe buigt men ootmoedig voor hem neer; als men het verzoek bij hem brengt. En zij worden ontvangen met de zoete woorden uit zijn mond: “Vrede zij ulieden.” Hij reikt hen dan de scepter toe; waarvan ze de punt mogen aanraken. Vervolgens komt hun verzoek om toch alstublieft bij hen te komen wonen. Ze vragen hem met zijn legermacht binnen de stad te komen. En zijn slingers en stormrammen niet langer rondom hen op te stellen, maar in de stad, hun ten goede. Ze zouden willen dat deze wapens dienstbaar mogen zijn voor hun stad. En dat hij, hun eeuwige koning en hoofd, voor altijd in hun midden zult zijn.

U ziet hier het verlangen. Dat is het verlangen van de ziel die de strijd, tegen God en genade, heeft leren opgeven. De wapenen van vijandschap heeft ze ingeleverd en die ziel heeft zich overgegeven. Maar zulk één heeft dan de tegenwoordigheid des Heeren zo nodig en kan daar niet zonder. En de ziel verlangt dat alles waar ze tegen gestreden heeft, nu haar ten goede mag zijn; dat wat eerst tegen was, nu ten goede mag zijn om haar te beschermen en haar te beveiligen. Die stormrammen en slingers moeten de stad in. En boven dat: Immanuel, die de strijd heeft aangevoerd, moet Mensenziel gaan regeren; ja door zijn tegenwoordigheid, hij moet de leiding nemen.
Ze zeggen dan in hun smeekbede: “Als u weg zou gaan, dan is het voor ons net of we nooit blij zijn geweest. Dan neemt u alle vreugde mee. Dan is het of ze nooit bestaan heeft. En weet u waar we zo bang voor zijn? Dat de vijanden terugkomen en dat het dan met ons gedaan is. We zijn zo bang voor die Diabolusmannen. Waar zitten ze eigenlijk? Zitten ze nog niet in schuilhoeken in de stad? Wij vrezen dat het misgaat. Misschien zijn ze nu al met complotten bezig tegen de stad. En daarom, blijft toch bij ons. Kom in ons wonen en neem uw intrek in het kasteel.”

De Prins stelt hen nog eens op de proef en vraagt: “Mag ik dan alles met uw vijanden doen wat ik goed vind?” Begrijpt u die vraag. Als u nu aan de Heere zou vragen: “O Heere neem toch Uw intrek in mijn hart. Wil hier toch wonen en werken. En geef dat de goede strijd tegen de vijanden van binnenuit gevochten mag worden. Dat de stormrammen en slingers hier opgesteld staan en dat ik de vijanden van binnenuit mag bestrijden.” Als u dat vraagt aan de Heere, dan zegt de Heere: “Ja maar vind je het goed dat Ik met die vijanden doe naar mijn welgevallen?”

De zonden moeten uitgebannen
Wie zijn die vijanden, die Diabolusmannen? Zijn dat de zonden niet! Allerhande zonden en lusten van het vlees, die nog in ons, en als we tot God bekeerd zijn, tegen onze wil, maar toch overgebleven zijn. Wel dan zegt Vorst Immanuel: “Mag ik met die zonden, die misschien wel troetelkinderen van je waren, mag ik daar mee doen naar mijn welgevallen?” Dat is zijn vraag aan de stad Mensenziel. En zo zegt hij dan nog verder: “Zult u me daar bij helpen? Zult u mij bijstaan in de strijd tegen de vijanden van u, die ook mijn vijanden zijn? Wat zou u antwoorden als dat aan u gevraagd wordt? Wat antwoordt de stad Mensenziel? Dan zie je dat er licht is van de hemel. Ze antwoordt: “Ik weet het niet.” We weten wel zeker dat de vermetele en zichzelf overschattende mens allicht zegt: “Natuurlijk zal ik u helpen. En ik zal de eerste zijn om ze eruit te jagen.” Maar de mens die zichzelf leert kennen, die leert het wel af zich zo te overschatten. De stad Mensenziel zegt: “We weten niet wat we doen zullen, want we vertrouwen onszelf niet. En als we u iets mogen zeggen: U moet ons ook maar niet vertrouwen.” Dat is wat! Dat is nu genade: Ik vertrouw mezelf niet en u kunt op uw heiligen ook niet vertrouwen.” Dat staat ook in de Bijbel; dat de Heere op Zijn heiligen niet vertrouwen kan.

“Maar,” zeggen ze, “wij kennen uw wijsheid.” Hier zie je nu zelfkennis en Godskennis. Ze zeggen: “We weten zoveel van onszelf, dat we onszelf niet meer vertrouwen kunnen. We hebben vroeger ook de stad uitgeleverd aan Diabolus. We zijn al zo gruwelijk en slecht bezig geweest dat we niet kunnen zeggen dat wij onfeilbaar zijn en dat wij standhouden.” Als een kind des Heeren dat wel zegt, dan heeft hij nog weinig oefeningen. Als Petrus dat allemaal wel zegt: “Ik zal mijn leven voor u zetten. Ik zal u geenszins verloochenen.” We zien hier dat hij nog weinig oefeningen heeft. Dan moet hij dat: “Ik zal…” nog afleren en dan moet hij zichzelf leren wantrouwen vanwege een arglistig hart, wat bedrieglijk is. Dat hart, dat arglistiger is,meer dan enig ding, ja dodelijk. In de oefeningen, die de Heere geeft, ga je wel jezelf wantrouwen, maar niet God wantrouwen!

De stad Mensenziel zegt dan: “Wij kennen uw wijsheid en dat is ons genoeg en daarom: Kom maar, wij vertrouwen op die wijsheid. Wat u doet, dat zal goed zijn. Wij zijn bang voor wat wij doen, maar wij begeren dat u bij ons komt en dat uw licht ons voorgaat en dat uw liefde ons navolgt. Wij begeren dat u ons bij de hand vat en dat u ons altijd maar vasthoudt.” Zie, dat is genade: Niets van jezelf vertrouwen, maar Hem vertrouwen. En dan van Hem begeren, dat Hij alles voor je doet. Er is een begeerte dat Hij bewaart voor de zonde en dat Hij ons leert om Hem te dienen. Wij kunnen dat allemaal niet. Maar zie, hoe dat de stad van Godswege geleerd is. En dan antwoordt de Vorst (zo zal Hij nog antwoorden): “Ik zal zeker komen. Morgen zal ik de stad binnentrekken bij de Oogpoort. Wil daar maar alles in gereedheid brengen en dan zal ik doen wat nog nooit eerder gebeurd is. Dan zal ik zulk een heerlijk werk gaan doen, wat nog nooit eerder plaats gevonden heeft. Dan moet u denken aan wat onze vaderen met zoveel licht in de Dordtse Leerregels hebben opgeschreven(Hoofdstuk drie en vier; artikel 12). Ze schrijven daar over de wat God doet in een mensenziel als hij wedergeboren wordt. Dan gaat het vooral om de doorwerking van de bekering. Dan gaat het vooral om de vernieuwing van de mens.

Vorst Immanuël neemt zijn intrek in het kasteel
Immanuel zal dus een groots werk gaan doen. Een werk wat men nog nooit eerder gezien heeft. Wel, er is geen grootser werk, geen heerlijker en machtiger werk, op aarde dan wat er gebeurt als een mens bekeerd wordt en als Christus Zijn intrek neemt in een zondaarshart. En geen groter wonder dan als Hij gaat vernieuwen, door Zijn Geest, met Zijn onweerstaanbare werkingen. Hij zal komen!
Een vreugdekreet gaat op in de stad Mensenziel. Daar is weer grote vreugde. Hij heeft beloofd te komen, en dan zal hij ook komen. Kent u ook die vreugde van een vernieuwde belofte? Of van een nieuwe belofte? Kent u ook die vreugde als Hij beloofd heeft tot uw ziel te zullen komen, zelfs al is Hij er nog niet? Dan mag er toch al wel eens vreugde zijn. Want: “Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, “ zo zegt de profeet, “Hij zal gewisselijk komen.”

De stad wordt versierd. De weg van de Oogpoort wordt versierd met bloemen. Daar is muziek en de poorten worden geopend. Zo is de volgende dag alles in gereedheid. De oudsten van de stad zullen hun opwachting bij de Prins maken. Als zij hem dan ontmoeten, dan gaan ze hem huppelende voor naar het kasteel, waar hij zijn intrek neemt. We moeten hier toch even denken aan David, die huppelende voor de ark ging toen de Heere bij hem kwam wonen in Jeruzalem; toen de Heere daar een rustplaats had verkozen naar Zijn welbehagen.( psalm 132) Toen huppelde David voor de ark. Toen heeft David psalm 24 gedicht. Hier huppelen de oudsten voor Vorst Immanuel, en voor zijn legermacht, als hij zijn intrek gaat nemen in de stad Mensenziel.
De Prins is gekleed in een gouden wapenrusting. Zijn schoonheid is verblindend. De vlaggen zijn ontplooid en alle inwoners van de stad zijn uitgelopen. Overal willen ze dat heerlijke schouwspel zien. Op de muren, op de daken, in de balkons en overal waar ze maar kunnen, daar stromen ze toe om Vorst Immanuel te zien.

Maar als men dan ter hoogte van de woning van de griffier Geweten komt, dan houdt vorst Immanuel een ogenblik stil. En dan zendt hij een bode vooruit naar het kasteel. Wie zit daar in het kasteel? Daar zit kapitein Geloof. Een bode wordt naar kapitein Geloof gezonden om te zien of het kasteel al in gereedheid is gebracht. Of de Prins er toegang kan verkrijgen en zijn intrek kan nemen. Wat betekent dat? Bunyan schrijft dit allemaal niet voor niets. Ter hoogte van Geweten houdt de prins stil. Dus als Vorst Immanuel zijn intrek neemt, dan zal het geweten nog wel verontrust kunnen zijn. Waarover? Wel, of het hart wel in gereedheid is gebracht voor de ontvangst van Vorst Immanuel. Dan denken aan de woorden van psalm 24 : “Wie zal klimmen op de berg des Heeren? En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Die rein van handen en zuiver van hart is. En die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid en die niet bedrieglijk zweert.” Is het kasteel in gereedheid gebracht, zodat Vorst Immanuel daar zijn intrek kan nemen? “Heft u hoofden op gij poorten; ja heft op, gij eeuwige deuren. Opdat de Koning der Ere inga.” Inderdaad heeft kapitein Geloof het alles in gereedheid gebracht. Hij komt naar buiten om Vorst Immanuel naar binnen te leiden. Door het geloof neemt Christus de toegang en komt Hij in het hart van een mens, die tot God bekeerd wordt.

Niet alleen de Vorst mag in de stad komen, maar ook zijn gevolg. Ook zijn legermacht komt mee. Is daar wel plaats voor in de stad? O ja, daar is overal plaats voor. Er is juist hier en daar nog enige droefheid, omdat men niet meer soldaten kan herbergen. Ieder zou eigenlijk wel het hele leger in huis willen nemen; zo heeft men de Vorst en zijn leger lief. Dus het leger wordt overal ingekwartierd en daar is geen grotere vreugde voor de inwoners van de stad Mensenziel dan om de knechten van Immanuel te dienen. Daar zijn natuurlijk, inzonderheid, de kapiteins die ook een plekje krijgen in de stad. Waar moeten ze huizen?

Kapitein Onschuld trekt in bij de heer Rede. Kapitein Geduld mag wonen ten huize van de heer Gemoed. Kapitein Liefde mag intrekken bij de heer Genegenheid. Kapitein Goede Hoop mag gaan wonen bij de heer Verstand die, weleer, burgemeester was. En dan de kapiteins Boanerges en Overtuiging, zij kunnen nergens beter wonen dan bij de oud-griffier, de heer Geweten. Want daar kunnen ze ook hun stem weer laten horen als er wat misgaat in de stad. Dan zijn er nog kapitein Oordeel en Strafoefening. Zij komen onder de hoede van de heer Vastewil. Tenslotte is er één kapitein nog niet genoemd. Dat is kapitein Geloof, maar die had al een woning. Hij woont natuurlijk in het kasteel. Kapitein Geloof hoort in het hart. Zo krijgen zij dus allen een woning toegewezen en mogen ze hun intrek nemen in de stad, om daar hun taken te vervullen.

Ontmoetingen en feest met Vorst Immanuël
De mensen van de stad willen vervolgens dolgraag de Prins veel zien. Hij heeft nu zijn intrek genomen en overnacht in het kasteel. Maar de inwoners willen zo graag zijn gangen zien; die zo vol roem en eer zijn en die aan zijn volk zijn gebleken. (Zoals in psalm 68 staat) Ze willen hem niet alleen graag in het kasteel hebben, maar ze willen zo graag dat hij ook op straat komt. Ze willen hem ontmoeten. Ze willen zo graag een glimlach van hem zien. Ze willen zo graag zijn blikken zien en zijn woorden horen als hij spreekt. Want daar krijgen ze leven van en daar putten ze kracht uit. Dat is de levenskracht van de stad geworden. En een ieder die de Heere vreest, begrijpt dit gelijk.
De inwoners van de stad mogen de Prins niet alleen ontmoeten, maar ze krijgen ook ongehinderd toegang tot het kasteel. Als hij daar is, mogen ze zondermeer toegaan tot zijn persoon. Dat ziet op de vrije toenadering tot de troon der genade. Kent u het? Een vrije toenadering tot Christus; om bij Hem te komen. Ze mogen daar komen met al wat hen deert. Maar ze mogen daar ook komen om naar hem te luisteren. En als hij spreekt, dan moet men zwijgen. Niets doen ze liever om zo de woorden, van zijn mond, in te drinken. Of ook zijn voetstappen te drukken; daar waar hij gaat.

Dan laat Vorst Immanuel een groot feestmaal aanrichten voor de inwoners van de stad Mensenziel. Het is een heerlijk feestmaal, met gerechten: zo exotisch! Ja echt exotisch, want die gerechten komen van buiten. Ze komen niet alleen van buiten de stad Mensenziel, maar ze komen zelfs van buiten het koninkrijk van het heelal. Ze komen allemaal uit de hoftuinen van El-Schaddaï. Het zijn gerechten, spijzen en vruchten, die hen worden opgediend. En ze mogen daarvan overvloedig eten. Als ze aan de tafel zitten, weten ze eigenlijk niet veel anders te zeggen dan: “Wat is dit! Wat is dat!” U kent de spreekwijze die het volk Israël gebruikte, in de woestijn, toen ze brood kregen uit de hemel. Toen zeiden ze: “Wat is dat!” In het Hebreeuws: “Manna!” Ze werden dagelijks begenadigd; met manna, hemels brood verzadigd.,” zingt de dichter. Maar hier worden zij ook begenadigd en verzadigd met hemels brood. Het is het brood der engelen wat ze mogen eten. En water uit de rotssteen wat ze mogen drinken. U begrijpt het wel: Water werd in wijn veranderd en dat mogen zij ontvangen.

Muzikanten zijn er ook. Zolang het feestmaal duurt, is daar kostelijke muziek. De opperzangmeesters komen ook van buiten. Het zijn allemaal opperzangmeesters van het hof van El-Schaddaï. We willen er toch even op wijzen dat wij daarom zoveel waarde hechten aan onze psalmen. We hebben zo graag muzikanten van buiten; begrijpt u? Als we zelf onze verzen maken, kan dat mooi en goed zijn. Dan kan dat nuttig en stichtelijk zijn, dat is alles waar. Als de stad Mensenziel liederen gaat maken, is dat ook goed. Maar bij die bijzondere feestmaaltijd zijn er opperzangmeesters van het hof van El-Schaddaï. Die hebben de beste muziek en de mooiste liederen. En die worden daar nu juist gezongen. Zo hebben wij de geïnspireerde psalmen die toch altijd nog weer wat anders zijn, en beter zijn, dan alle liederen die wij maken. Het zijn Bijbelse liederen die daarom voor ons van zoveel waarde zijn, ook bij de samenkomsten van de gemeenten.

Raadselen opgelost
Vervolgens wordt men daar ook beziggehouden met raadselen, opdat ze hun verstand zouden richten op de dingen die hen voorgesteld worden. Soms worden die raadselen, op het onverwachts, opgeklaard. Het zijn moeilijke raadsels, die allen betrekking hebben op El-Schaddaï of op Vorst Immanuel. Soms slaan ze ook wel op de oorlogen die hij voerde. En sommige raadselen zijn moeilijk. Maar de Prins lost ze opeens op. En als hij spreekt en als hij laat zien hoe het is, dan zegt men: “Natuurlijk!” En dan doorziet men wat hij hen liet zien. Maar niet zelden was het zo, dat dit niet eens nodig was. Het gebeurde nogal eens dat de moeilijkste raadsels hen werden voorgesteld, maar dat één blik op Vorst Immanuel genoeg was om de oplossing van het raadsel te krijgen. Men zei dan verwonderd: “O, hij is het lam. Hij is het offer, hij is de rotsteen, hij is de rode vaars, hij is de deur, hij is de weg, hij is de goede herder.”

Als men de Prins zag wist men het antwoord en was het raadsel opgelost. Gods kinderen weten daar van mee te spreken. Er kunnen zoveel raadselen zijn, ook uit het Woord. Maar als ze Hem maar zien, dan valt er licht over. Dan zijn er soms verder geen woorden meer nodig om de raadselen in hun ziel op te lossen.
Zo mocht de hele stad, overstelpt van vreugde, vrijelijk feest vieren. Immanuel had het zo gewild. En men zong daar van zijn heerlijke daden.

Vernieuwing in de stad Mensenziel
Maar vervolgens had Immanuel zich ook voorgenomen om de stad een nieuw aanzien te geven. We denken hier gelijk aan heiligmaking. Het gaat niet alleen om schuldvergevende genade, maar ook van vernieuwing van het leven; van hen die tot God bekeerd worden. Vorst Immanuel heeft zich voorgenomen om de stad niet alleen te versterken, maar ook te verfraaien. En zo laat hij de slingers en stormrammen in de stad plaatsen op de borstweringen en op de torens. De Prins wil dat vooral bij de Mondpoort een bijzonder goed wapen gehanteerd wordt, door kapitein Geloof. Als kapitein Geloof dat wapen hanteert, schiet het altijd raak tegen de vijanden, die naar binnen willen dringen. Vervolgens beveelt hij de heer Vastewil het bevel weer te voeren over de torens. Hij moet zorgen voor een staand leger. Er is dan nu wel geen oorlog, maar er moet wel een leger zijn. En er moet ook wacht betrokken worden. Bovendien zitten er overal nog van die Diabolusmannen. Die Diabolisten moeten als ze tevoorschijn komen, gelijk opgepakt worden en gevangen gezet worden. Dus Vastewil krijgt de heerschappij over de wacht.

Verstand wordt hersteld in zijn oude ambt; hij mag weer burgemeester zijn. Vorst Immanuel zegt tegen hem: “Nu moet je een goed paleis betrekken. En dat paleis zal gebouwd worden. Het moet zo sterk zijn als een kasteel, als een vesting. Het moet het liefst dicht bij de Oogpoort gebouwd worden. Er komt dus een sterke vesting bij de Oogpoort. Daar komen immers de zonden zo gauw door naar binnen en daarom moet daar de wacht betrokken worden. Burgemeester Verstand moet ijverig studeren in de boeken van de verborgen openbaringen, opdat de geheimen hem bekend gemaakt worden. Zo moet hij inderdaad met verstand de stad regeren; onderwezen in de heilgeheimen. Kennis wordt nu de nieuwe griffier, de stadssecretaris. Dat zal u verwonderen. De griffier was toch de heer Geweten? Is de heer Geweten dan toch ontslagen, omdat hij zich zo dwaas heeft aangesteld in vroeger tijden, toen hij zo te pas en te onpas kon brullen? Nee, de heer Geweten krijgt echt wel een functie in deze vernieuwde stad, maar niet meer die van griffier. We zullen later zien dat hij een beter ambt krijgt.

Het beeld Gods hersteld
Vervolgens wordt er gearbeid op de marktplaats waar een afschrikwekkend beeld staat. Het beeld van Diabolus is daar opgericht. Weleer heeft daar het beeld van El-Schaddaï gestaan. Het beeld van Diabolus wordt in stukken geslagen. En bij vernieuwing wordt daar het beeld van El-Schaddaï opgericht, tezamen met het beeld van zijn Zoon Immanuel. Wat mag dat betekenen? U weet dat de mens is geschapen naar Gods beeld. Dat beeld Gods, in de mens, ligt door de zonden in stukken. De mens die van God afgevallen is, vertoont Gods beeld niet meer in zijn ziel. Integendeel! Het beeld van de duivel komt telkens naar voren. Het is het beeld van die lasteraar, van die tegenstander, van die leugenaar, van die bestrijder van al wat van God is en goed is. Wel, dat beeld van Diabolus, wat in de natuurlijke mens zit, dat moet nu weer in stukken geslagen worden. En het beeld Gods moet hersteld worden. Dat doet de Heere bij de Zijnen ook. En merkt Bunyan fijntjes op: “Het wordt nog mooier dan als het eerst was. Het wordt nog mooier dan vóór die verschrikkelijke val van de stad Mensenziel.

Nu wordt het beeld van El-Schaddaï nog schitterender. Waarom? Omdat God aan een zondaar, die Hij redt, nog veel meer van Zijn heerlijke deugden openbaart, dan dat de mens in het paradijs kende. Want in het paradijs, voor de zondeval, heeft de mens nooit Gods wondere barmhartigheid en Zijn genade zó gekend, als hij ze leert kennen in de weg van wedergeboorte en bekering. We kunnen dat ook zeggen van Gods recht en heiligheid. De deugden Gods worden nog beter, nog dieper, nog heerlijker, gekend in de weg van waarachtige wedergeboorte en bekering. Daarom weten de mensen ook meer van Gods wondere genade dan zelfs de engelen. De engelen mogen begerig zijn daarin te zien, maar die komen niet verder dan beschouwen en zien op een afstand. Maar de zondaar, die tot God bekeerd wordt, mag het ervaren.

Diabolusmannen gevangen genomen
Vervolgens is daar nog de opdracht om die Diabolusmannen uit te roeien. Het zijn mannen die niet in de stad thuishoorden en er vroeger echt niet waren. Voordat die verschrikkelijke overgave van Diabolus had plaatsgevonden, woonde er niet één Diabolusman in de stad Mensenziel. Andere functionarissen van de stad waren tot zonden vervallen en die hadden hun genegenheden aan Diabolus verkocht. Zij bleven nu bewoners van de stad en werden in ere hersteld. Maar de Diabolusmannen worden nooit in ere hersteld. Voor de duivel is ook geen vergeving. Voor de zonden zelf is geen herstel mogelijk, die moeten alleen maar uitgeroeid worden. Zonden moeten alleen maar gedood en uitgebrand worden. En daarom moeten de Diabolusmannen nog gevangen genomen worden.

Enkelen worden door de heer Vastewil aangepakt. Eén van hen is ondermeer: burgemeester Ongeloof. Hij was burgemeester tijdens de strijd. Ook de vroegere burgemeester Zinnelijke Lust wordt tesamen met de heer Goedvergeter gegrepen. Ze worden alledrie gevangen gezet door Vastewil. En niet alleen zij, maar ook de edellieden die bij hen behoren, die tot de adelstand verheven waren in de tijd van Diabolus. Enkelen van hen waren: jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en jonkheer Valse Vrede. En ook de ereburgers: de heren Zonder Waarheid, Zonder Medelijden en Hoogmoed. Ze worden allemaal opgepakt. Zij horen niet in de stad thuis. Ze worden in de gevangenis gezet waar de cipier Waarachtig hen moet bewaken. Waarachtig is meegekomen met het leger van Vorst Immanuel en hij mag nu de wacht betrekken bij deze Diabolusmannen. Voor deze mannen mag geen plaats meer zijn in deze verloste stad.

Boze forten geslecht
Vervolgens gaat het werk nog door om te slechten wat Diabolus allemaal nog heeft opgezet. Zijn beeld is al in stukken. Maar er zijn ook nog verschillende sterkten die hij destijds in de stad Mensenziel heeft gebouwd. Daar zijn nog het fort Tegenweer en het fort Middernachtshol en het fort Zoetezonde. Die drie sterkten, die alledrie een plaats hadden, moeten afgebroken worden. Zo is het fort Tegenweer gebouwd bij de Oogpoort. En daar moet nu het kasteel van burgemeester Verstand komen. Dat fort staat er alleen om de Oogpoort te verduisteren. Het fort moet weg. En voor de gouverneur Inspijt-van-God, die daarin huist, is geen plaats meer. Het andere fort Middernachtshol moet er voor zorgen dat de stad Mensenziel geen kennis heeft van zichzelf. Dat fort staat heel dicht bij het kasteel en moet het kasteel eigenlijk in de schaduw stellen. In dat fort huist Diabolus graag. De gouverneur van dit fort is Lichthater. De stad Mensenziel moet zichzelf niet kennen! Maar nu moeten ze zichzelf wel kennen, dus dat fort moet ook afgebroken worden. Dan is er nog het fort Zoetezonde. Het fort dat zo tegen de begeerte tot het goede ingaat. Dat fort staat op de markt. De gouverneur van dat fort heet Minnaar des Vleses. Maar ook voor dat fort is toch geen plaats meer. Afbreken die boel! Het bevel is wel gegeven en het werk wordt ook wel ter hand genomen, maar wat een zwaar werk! Het is bijna ondoenlijk. Aan al die stenen van die forten hangt lood. Dus u begrijpt wel dat het heel wat tijd kostte om die forten te slechten. Misschien bent u er in uw hart nog mee doende. Dat werk duurt lang, maar als het maar ter hand genomen wordt. We denken dat dit het belangrijkste is voor u. Niet, hoe ver u gevorderd bent met dat werk, hoe ver het in u voortgeschreden is, maar óf het in u plaatsvindt! Of dat het zaken zijn waarvan u zegt: “Het zijn voor mij niet alleen maar spiegelgevechten, maar ik beleef er ook wel eens iets van.” Het is nodig om iets te beleven van die strijd van Diabolus en Immanuel. Het is groot om iets te mogen zien van die heerlijke overwinning van Vorst Immanuel. Iets te aanschouwen van de strijd die hij niet halverwege in de steek laat, maar waarmee hij voort wil gaan, totdat hij woning genomen heeft in het kasteel van de stad Mensenziel! Wat zou het groot zijn als deze Vorst ook in ons hart zo Zijn intrek neemt.

Psalm 24 : 4 en 5