Gebed bij de Klaagmuur

Gebed bij de Klaagmuur

De laatste zonnestralen glijden met hun gouden glans
langs flats en huizen tot ze rusten op de witte trans
van wat in ’t ver verleden bij de tempel heeft behoord.
Straks valt de duisternis, maar niet voor wie dit oude oord
beziet in geest’lijk licht, want d’ eerste morgenstralen
van de verrezen Zon, Die in haar opgang niet zal dralen,
verlichten reeds de nacht; de donkerheid moet wijken
nu door vervulling van beloften hier zal blijken
dat ongeloof van velen dit toch niet weerhouden kon.

Nooit was de macht der duisternis nog sterker dan de zon.
Door nauwe, donk’re stegen zijn we dringend voortgeduwd,
totdat de oude binnenstad ons hier heeft uitgespuwd,
zoals de vis eens Jona, toen Zijn God hem krachtig riep
naar Nineve te gaan, maar hij, naar Tarsis vluchtend, sliep.
Nu sta ik in de avondzon verbaasd te staren
naar de gemengde, saamgekomen joodse scharen
– sefardisch, azkenasisch of met een verhuld verleden –
tot wie ik gaan moest met de boodschap dat God in het heden
weer omziet naar Zijn bondsvolk, waar men eeuwenlang voor bad,
maar dat het heil van zijn Messias steeds verworpen had.

‘k Ben door de diepe indruk van het schouwtoneel verward.
Ben ik bewogen met hun heil, of is mijn hart verhard?
Geniet ik van de slangendans van jeugd die vrolijk is,
of voel ik pijn om vreugde waar ik Christus nog in mis?
Men stopt bij buigend bidden de gebeden tussen stenen
en komt hier bij de Klaagmuur om zijn toestand te bewenen.
Och, mocht men bevend naar de Heere en Zijn goedheid vragen,
zoals beloofd is in Hosea voor de laatste dagen!
Nu ik hier smachtend uitzie naar de Messiaanse tijd,
vraag ik, o God, U ootmoed, liefde en vrijmoedigheid.

Toelichting
Als het donker wordt bij de Klaagmuur, zal er toch enig licht blijven in het hart van hen voor wie de beloften van de tempeldienst werkelijkheid zijn. Er schijnen al zonnestralen van de Zon der gerechtigheid, Christus, in Israël. De duisternis zal het niet van de Zon winnen, maar de Zon zal, naar Gods beloften, de duisternis verjagen.

Toen ik eens vanuit de nauwe sloppen meegevoerd was door een mensenstroom naar de Klaagmuur voelde ik iets van Jona die, door de walvis uitgespuwd, op het strand stond om zijn roeping te vervullen. Ik zag de bonte massa Joden, verschillend gekleed, al naar hun afkomst, en voelde de boodschap van de Messias bij hen te moeten brengen. Dan kan ik toch niet genieten van de slangendans, waarin men mij wel wil opnemen, of bewonderend kijken en luisteren naar de biddende mannen die het gebedsbriefjes tussen de stenen stoppen? Wat voelde ik een behoefte aan een gebed voor mezelf, om toch ootmoed, liefde en vrijmoedigheid te krijgen om met de mensen hier te spreken over de Zon der gerechtigheid!