Nacht op de Olijfberg

Nacht op de Olijfberg

Metalen galmen, langgerekt,
hebben mij uit mijn slaap gewekt
te middernacht, aanzwellend, schel,
als aanval op Gods Israël.

De roepstem van de minaret
wekt alle moslims tot gebed,
maar ketst op joodse zerken af;
ze liggen zwijgend in hun graf.

O God! U hebt mij Zelf gewekt
tot een gebed voor Israël.
Geef dat mijn roep niet koud of schel,
maar liefdevol tot leven strekt:

“Beloofde Losser, ons gegeven,
roep toch Uw bondsvolk weer tot leven!”

Toelichting

Bij mijn eerste reis naar Israël verbleven we ’s nachts in een hotel op de Olijfberg. De boeking was door het kerkelijk bureau verzorgd en alle hotels in Jeruzalem waren volgeboekt. Maar hier konden we nog terecht. Het is geen teleurstelling geworden. Het was eigendom van Arabische christenen en toonde tekenen van vroegere glorie. Evenwel was alles binnen versleten: de lopers, de gordijnen en nog meer toonde tekenen van verval. Het was ook niet zo’n bijzonder veilige plek, zo bleek al meteen, want voor het hotel zaten dag en nacht soldaten, met het geweer om de schouder. Er was al eens een auto met Joods nummerbord in brand gestoken en ook ons bleek herhaaldelijk dat de Arabische bevolking in de omgeving ons niet goed gezind was. Maar ik wil dat hier verder laten rusten. We zaten op de top van de Olijfberg en hadden een prachtig uitzicht over de stad. Ik heb later voor de vrouwenbond een lang gedicht geschreven over wat er vanaf deze plaats in de Bijbeltijd zichtbaar is geweest. Ook dat ga ik nu voorbij. In bovenstaand gedicht geef ik een herinnering weer van wat ons ’s nachts wekte: de huilende galmen van de oproep tot het islamitisch gebed. Voor vijfmaal per dag schrijft men gebeden voor op vaste tijden en een van die tijden valt toch echt wel in de tijd dat wij plachten te slapen. De door de luidspreker uitgegalmde klanken klonken als een klinkend metaal of luidende schel, waarin we, zoals in 1 Korinthe 13:1 staat, geen liefde hoorden klinken. Door de aanwezige haat tegen Joden en Christenen hoorden we het zowat als een aanval op het Joodse volk. Maar de aanwezigheid van Joden daar beperkte zicht tot de vele tienduizenden Joodse graven op de Olijfberg, waarvan op de zerken de klanken afketsten. Al die begraafplaatsen predikten de dood en we zochten het leven voor het oude bondsvolk. In het tweede deel van dit sonnet heb ik dit in een gebed verwoord. We verlangen dat de oproep tot bekering tot het Joodse volk niet koud en schel zal afketsen, maar een oproep tot leven mag zijn. In de slotzin wordt verwoord dat dit alleen kan als de beloofde Verlosser Zijn volk tot leven roept.