Voortgang van het werk in Israël deel 1 t/m 7

2000

Voortgang van het werk in Israël (1)

Kwijn ik tussen de doornen?
“Is het mogelijk dat een plant, die wel een stengel heeft en ook wel bladeren en een aar, maar die geen vruchten draagt, toch nog vruchten kan krijgen?” Die vraag werd me gesteld door een jonge Russische Jodin ergens in Jeruzalem, nadat ik in een samenkomst had gesproken over de gelijkenis van de zaaier. Ze had het door de Heere Jezus gebruikte beeld van het zaad tussen de doornen naar zich toegekregen. In een ziel waar de wortels van wereldse verlangens niet uitgeroeid zijn, maar alles dreigen te overwoekeren, is toch geen geestelijk leven? Is het daar niet hopeloos mee gesteld? Misschien is het ook uw vrees. En ik denk dat het goed is om daar bang voor te zijn. Dat heb ik ook tegen haar gezegd. We hebben gesproken over wat het is om te sterven aan alles wat van ons is. Zo hebben de 3000 bekeerlingen op de Pinksterdag ook ervaren toen ze verslagen (doorstoken) werden in hun hart (pricked in their heart). Als je been verwond wordt, behoef je niet te sterven, maar als je hart geraakt wordt, sterf je. Zo moeten we sterven aan al het goede dat we dachten te hebben. Ze beaamde dit van harte. We moeten aan het onze sterven om één plant te worden met Christus in de gelijkmaking Zijns doods. Alleen zo zullen we dit ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. Zo wil de Heere ons het wonder leren kennen, waar Hosea van spreekt: “Uw vrucht wordt uit mij gevonden.” Het heeft me ontroerd hoe ze op dit alles betrokken was. Als ik me niet vergis, mocht ik hier iets bespeuren van het werk van Gods Geest. Je voelt dan een wondere verbondenheid en  de bede in het hart dat het toch Gods werk mag zijn, en dat mag blijken dat ook daar Gods welbehagen door Christus’ hand gelukkig voort zal gaan. Wat zou het een wonder zijn als de Heere ons daarbij wil gebruiken. Ik wil proberen in een aantal afleveringen in de Saambinder iets te vertellen over het laatste werkbezoek dat we (ds. Sonnevelt, dhr. Moerdijk en ds. C.J. Meeuse) in Israël mochten afleggen.

Jaarlijks wordt er door het Deputaatschap voor Israël van onze gemeenten tweemaal een reis naar Israël gemaakt om contacten te onderhouden of uit te breiden. Het gaat daarbij voornamelijk om twee soorten relaties: eerst met gemeenten of huisgroepen en in de tweede plaats met boekhandels, uitgeverijen en plaatsen waar we diaconale hulp verlenen. In de samenkomsten van gemeenten of huisgroepen worden we dikwijls gevraagd om te (s)preken. In de bezoeken bij boekhandels en uitgeverijen, enz., gaat het meestal om zendingen van Bijbels (in het Hebreeuws of in het Russisch), werken van puriteinen (Boston, Guthry, Owen, Bunyan, e.a.). Daarnaast zijn er telkens nieuwe contacten, waarvan sommige incidenteel zijn, andere meer blijvend. Opdat u op de hoogte blijft van wat er met uw geld gedaan wordt en onze gemeenten bij ons werk betrokken te houden, volgen hier wat impressies van deze laatste werkreis.

We kwamen op dinsdag 17 augustus laat in de avond aan op het vliegveld Ben Goerion bij Tel Aviv en met het passeren van de douane, het huren van een auto en de reis naar onze bestemming in Noord-Galilea was zoveel tijd gemoeid dat we ons niet voor half drie ’s nachts te rusten konden leggen. De eerste dagen overnachtten we in het guesthouse van Nes Ammim, ten noordwesten van Akko. De nachtrust was kort, maar de volgende dag wachtte een vol programma en dan moet je niet te laat beginnen. 

Het eerste bezoek was aan het bejaardenhuis in Haifa, Ebenezer Home, onderaan de Karmel, waar Haifa tegenaan en op ligt. We spraken daar met Margreet Boschma, afkomstig uit Sneek, hoofd van de huishouding; zij werkt al ongeveer twintig jaar in Israël. Het huis herbergt Messiasbelijdende bejaarden; het krijgt geen subsidie van de overheid. 80% van het benodigde geld komt van kerken en instellingen buiten Israël. Wij kunnen voor hen niet zoveel doen, maar toch hopen we een paar stofzuigers voor hen te betalen en alle bewoners te voorzien van een mooi exemplaar van de Christenreis van Bunyan. Toen we het gebouw verlieten, zag ik naast de ingang een olijfboom die het beeld vertoonde wat in onze huwelijkspsalm wordt gezegd: rondom de stam stonden veel jonge olijfplanten en zouden de kinderen der Godvruchtigen niet zijn als olijfplanten rondom hun tafel?

Een tweede bezoek betrof een christelijke boekhandel in dezelfde stad. Albert Nessim was er onze gastheer. We voorzien hem van Hebreeuwse TBS-Bijbels en nog een aantal andere Bijbels en boeken van de Banner of Truth. In een gesprek met het winkelmeisje bleek dat zij nog niet zo lang geleden uit Londen gekomen was, waar ze in Hyde Park met de Bijbel in aanraking gekomen was en geleerd had dat ze God kwijt was. “Heb je Hem nu gevonden”, zo vroeg ik haar. “Nee”, antwoordde ze. “Hij heeft mij gevonden!”

Een derde bezoek die eerste dag betrof  de (Arabische) familie van Elias Jubran in Kfar Sme’a. We hebben bij hem de maaltijd genuttigd. Was het vorige keer het zelfgemaakte bijzonder dorstlessende citroensap wat me bijgebleven was, nu waren er heerlijke verse vijgen uit eigen tuin. Elias steunen we met een beperkte jaarlijkse gift en met lectuur voor zijn evangelisatiewerk, met name onder Russische Joden. Hij heeft grootse plannen voor een bejaardenhuis, maar veel meer dan adviseren kunnen we daarbij niet voor hem doen. Hij heeft ons overigens deze reis bijzonder geholpen door ons bij verschillende gemeenten in Galilea te introduceren.  Dat begon al die eerste avond, bij ons vierde bezoek die dag. Dat was bij Mark Askenazy in Karmi’el. Hij is in Rusland directeur geweest van een onderwijsinstelling en doceerde daar Engels; hij is als Jood naar Israël geëmigreerd en werkt nu als beveiligingsofficier. Maar in Israël is er een grote verandering in zijn leven gekomen toen hij tot het geloof in de Christus der Schriften kwam. We hebben met verbazing gezien hoe hier, midden in het bergland van Galilea,  God Zijn Woord kracht heeft gegeven en deze sympathieke man Gods waarheid onderzoekt en bestudeert, ook met behulp van Calvijn en de puriteinen die we in zijn boekenkast aantroffen. Mark heeft een kleine huisgemeente, waar wij die avond mochten voorgaan. Ik heb er, samen met ds. Sonnevelt, gesproken over de gelijkenis van de zaaier. We hadden ons voor alle bezoeken bijzonder op Mattheüs 13 voorbereid. Men verwachtte dat we zoveel mogelijk uit het hoofd zouden spreken en hoewel ds. Sonnevelt dit gemakkelijk afgaat – hij heeft jarenlang in Nigeria Engels als tweede taal gehad – zelf moet ik “op mijn tenen lopen” om in deze taal uit het hoofd te spreken en bereid ik me graag goed voor. Vandaar dat we in alle verschillende samenkomsten op verschillende plaatsen, heel het land door, zoveel mogelijk over dezelfde stof hebben gesproken. In de gelijkenis van de zaaier spreekt de Heere Jezus over de uitwerking van Zijn Woord. Het is een separerend onderwerp, dat aanzet tot zelfonderzoek. De vragen: wat heeft Gods Woord bij mij gedaan, of: wat is het zaligmakende geloof in onderscheid met een historisch geloof, een tijdgeloof of een wondergeloof, of: zijn er wel vruchten van geloof en bekering? mochten steeds in het midden gelegd worden. Elias merkte na de meditaties op: wanneer de Heere ons vernedert, dan zijn we groot! Mark zei: de satan doet zich soms voor als een engel des lichts en het blijft voor een waar gelovige een strijd om dat te onderkennen. Alleen door het werk van de Heilige Geest in ons hart leren we dat onderscheiden. Maar degenen die door de Heere krachtig geroepen zijn, kunnen niet meer uit de genade vallen.

Geliefde lezer, dat blijven toch ook vragen voor ons? Wij ervaren het als een wonder, dat we op veel plaatsen in Israël open deuren krijgen om Gods Woord te brengen. Maar daar is het zelfde nodig als bij ons: het ontkiemen van het zaad van Gods Woord in de harten, opdat er door het werk van Gods Geest een levend geloof mag komen, wat in de vruchten openbaar komt als een waar geloof! Vraagt u zich wel eens af, of u kwijnt tussen de doornen?          

                                                    

De voortgang van het werk in Israël (2)

Open deuren
Op onze tweede werkdag in Israël zijn we ’s morgens naar Nahariya aan de kust getogen, voor een bezoek aan Albert Nessim, de boekhandelaar. We zijn door hem en zijn vrouw Ruth gastvrij ontvangen. Albert is geboren in Japan en is later verhuisd naar Londen. Door de prediking van ds Martin Lloyd Jones is hij voor het calvinisme gewonnen. Hij is nu voorganger van een kleine huisgemeente, maar omdat men er alleen Hebreeuws spreekt, is er geen groei van de zijde van Russische immigranten. Ruth is bestuurslid van de Israëlische afdeling van Christian Witness to Israël, de organisatie die nog teruggaat op het werk van Mac Cheyne onder de Joden. Het echtpaar is duidelijk beducht voor een nieuwe wind van leer die vanuit Amerika in verschillende gemeenten dreigt op te steken. Nadat we bij hen de maaltijd hadden genuttigd zijn we teruggegaan naar Nes Ammim. We hebben gevraagd om een rondleiding en bezichtiging van de rozenkassen, maar ook om een ontmoeting met mevrouw Pilon, de weduwe van een van de stichters van de kibboets. Ze vertelde ons hoe dit gegaan was en ook dat voorwaarde voor de vestiging van deze christelijke nederzetting was, dat men moest beloven het christelijk geloof niet uit te dragen. Nu bleek ze daar geen enkele moeite mee te hebben, want volgens haar overtuiging zijn de Joden het volk van God en daarom kinderen van God. Ze hebben geen Middelaar nodig; Jezus is er alleen voor de heidenen, aldus mevrouw Pilon. Toen ik daar tegenin bracht dat de Heere Jezus Zelf anders gesproken heeft en dat Paulus  toch wel anders gehandeld heeft, veegde ze dit van tafel en poneerde dat de christenen verantwoordelijk zijn voor het leed dat de Joden de eeuwen door is aangedaan. Wij hebben geen geloofwaardige boodschap voor hen, en kunnen beter naar hen luisteren. Ik heb haar gezegd dat ik wens dat iedere christen een Jood wordt en iedere Jood een christen, in de zin van Romeinen 2. Daar staat dat een ware Jood een Godlover is, met een besneden hart; dat kan niemand worden zonder Christus. Helaas! we vonden geen aansluiting. Thuisgekomen in Holland zagen we dat juist toen een artikel over haar in het blad Terdege was opgenomen; haar verdrietige opvattingen kwamen daarin evenwel niet zo uit de verf.

Nadat we een warme maaltijd in een restaurant aan zee in het oude Akko (een kruisvaardersvesting) hadden gebruikt, zijn we op donderdagavond door Elias gebracht in een gebedsdienst in Kiryat Yam van de gemeente Ohalei Rachamiem (Tenten der Barmhartigheid). Hoewel ds. Sonnevelt toch ook hier gelegen­heid kreeg om een duidelijke meditatie uit te spreken – hij sprak  over de roeping van Levi, de tollenaar – voelden we ons er toch niet zo thuis. De gemeente is nogal charismatisch. Hun vorige gebouw was door een geworpen brandbom verloren gegaan, maar nu hebben ze op het industrieterrein van Kiryat Yam een ruim gebouw betrokken, met bijbelschool, bibliotheek, kantoorruimte en textielwerkplaats. We hopen hun Hebreeuwse Bijbels, de Christenreis en andere goede boeken te zenden, maar ervaren wel dat er vrij grote verschillen zijn tussen de Messiasbelijdende gemeenten; wat is gedegen reformatorische lectuur hier broodnodig! 

Op vrijdagmorgen zijn we naar Nazareth gegaan. Een vriendelijke Arabier, die we een lift gaven, wees ons de weg naar het plein waar we zijn moesten, bij de Mary’s Well Church, waar we Sameer Siman zouden ontmoeten. Omdat we hem niet meteen zagen, zijn we het kerkgebouw ingegaan, waar we een verrassend goed gesprek met de portier kregen; de man  kende de boodschap van de Bijbel en het bleek dat hij weliswaar zijn werk in die Grieks Orthodoxe Kerk had, maar lid was van een plaatselijke baptistengemeente. Toen we even later Sameer ontmoetten, ging hij ons voor naar zijn nieuwe boekwinkel op een galerij aan het plein: een prachtig pand, met aan alle wanden boekenkasten, maar… nog zonder een boek op de plank. We hopen hem goede boeken te zenden tot een bedrag van $3000. Vandaar zijn we naar Tiberias gegaan voor een eenvoudig doch voedzaam maal onder de prachtige dadelpalmen, langs het meer van Galilea. Via Kapernaüm, waar we toch even bij de indrukwekkende overblijfselen van de grote synagoge hebben gestaan, spoedden we ons naar het noorden, om te bemerken dat we te laat waren om de bronnen van de Jordaan nog te bezichtigen. We maakten toen een prachtige rit over de bergen in Noord-Galilea, over een weg die pal langs de grens met Libanon liep. Wel voelden we ons voortdurend gevolgd door de kijkers op de vele posten van het Israëlische leger, maar we hebben kennelijk geen onverantwoorde uitstapjes gemaakt en zijn niet aangehouden. We kwam op tijd aan in Abu Sinan, bij het woonhuis van Fatien Ya’coub, een sympathieke Arabier, die ons op Arabische koffie (een klein kopje, zeer sterke en zeer zoete koffie, met veel koffiedik) onthaalde. Een avondmaaltijd schoot er bij in, want het was tijd voor de samenkomst. Zijn gemeente was speciaal voor ons bezoek bijeengeroepen en zelfs de jongeren, die net terug waren van een vermoeiende reis naar Bethlehem, waren present. Fatien opende de samenkomst en ik kreeg gelegenheid om kort iets te zeggen over het werk van de Christus en van de Heilige Geest in het toebrengen van zondaren. Ds. Sonnevelt sprak hierna uit Mattheüs 13 over het zaad dat door Gods genade ontkiemen mag in zondaarsharten om goede vruchten voort te brengen. Nadat er enkele vragen gesteld waren  – onder andere over onze onvruchtbaarheid en over het snoeien van de ranken die vruchten voortbrengen – vertelde een oude baas van 94  over Gods goede zorgen over hem: hij was door een operatie geholpen. Spontaan werd de gemeente opgewekt ons toe te zingen; wel moesten we gedrieën ook hen toezingen, wat we  na veel aandrang hebben gedaan uit Psalm 87:3 en 4: De Filistijn, de Tyriër, de Moren zijn binnen u, o Godsstad voortgebracht; verzen die spreken van het geboren worden te Sion en het genoemd worden met de naam van Sions kinderen. Die wens lag tijdens het zingen als een bede in ons hart! Deze gemeente van Arabische christenen vroeg ons bij monde van de voorganger uitdrukkelijk om onderwijs en leiding. Ze voelen dat het niet goed is in geen kerkelijk verband te staan en de voorganger hoopt voor kennismaking met ons kerkverband spoedig een reis naar ons land te maken.

Op zaterdagmorgen zijn we, weer onder leiding van Elias Jubran, die ons ook bij Fatien Ya’coub gebracht had, begeleid naar de First Russian Baptist Church in Haifa. Het kostte wel wat moeite de plaats van samenkomst te vinden, maar we hadden gelukkig ditmaal tijd genoeg. Elias trakteerde ons vooraf op Arabische koffie met abrikozenkaas; ik vrees dat deze traktatie me evenwel een kleine week ongemak bezorgd heeft; maar de bedoeling was goed.

Ongeveer tachtig mensen waren samengekomen in een krappe bovenwoning waar wat ventilatoren en flessen water geen overbodige luxe waren om de samenkomst, die drie en een half uur duurde, tot het einde toe mee te maken. Na een hartelijk welkom kreeg eerst een voorganger uit Amerika (Nikolaj Michka) het woord. We hoorden met gemengde gevoelens hoe hij 2 Petrus 1:3-11 verklaarde en toepaste. Het was een soort bergbeklimming, waarbij maar enkelen de hoogste top bereikten, maar wat nu eigenlijk genade was voor een arme zondaar klonk helaas niet door. Daarna werd ons gelegenheid gegeven de gemeente toe te spreken. Ik heb getracht vanuit de verklaring van de gelijkenis van de zaaier de weg te wijzen naar een lager plaats: aan de voeten van de Zaligmaker.  Ds Sonnevelt heeft vervolgens het eenzijdige werk Gods in de bekering van zondaren verklaard vanuit het tweede deel van de gelijkenis en benadrukt dat de rijkste vrucht van Gods genade gevonden wordt in een verbroken hart en verslagen geest. Daarna werden verschillende Russische en Hebreeuwse liederen ten gehore gebracht, waarbij we, zo goed of kwaad als dit ging, getracht hebben mee te zingen. We hopen deze gemeente een flink aantal exemplaren van de Christenreis en een aantal Russische uitgaven van Bostons Viervoudige Staat toe te zenden.

Hierna hebben we afscheid genomen van onze vriend Elias. Hij vertelde ons dat hij eens met zijn vader een stenen afscheiding moest maken. Om de grote stenen van de muur op zijn plaats te houden, waren kleine steentjes nodig voor de ondersteuning. Hij hoopte als zo’n klein steentje dienstbaar te mogen zijn in de muur van de gemeenten in Israël.

De voortgang van het werk in Israël (3)

Werk in Jeruzalem
Voordat we Haifa verlieten, zijn we de Karmel opgereden. Het was erg warm, maar toch waagden we ons aan een afdaling langs het steile pad naar beneden. Waarschijnlijk hebben hier eens de mannen water moeten halen om over Elia’s offer te werpen. Er waren enkele rustbanken bij “Elijah’s Cave”, waar we een grote wilde vijgenboom aantroffen, met honderden kleine vijgjes waar ik er enkele van proefde. Mogelijk waren deze de oorzaak van de klachten die ik de dagen erna had… Naar beneden lopen gaat wat gemakkelijker dan de klim terug! Het kostte menig zweetdruppeltje eer we weer konden genieten van het prachtige uitzicht over de baai van Haifa en over de Middellandse Zee. Onderweg hadden we nog een ontmoeting met een jong stel, dat we aanraadden de Bijbel te lezen om de Messias te leren kennen.

Daarna zochten we de snelweg naar het zuiden, die ons langs Caesarea leidde. We konden het niet nalaten hier korte tijd te stoppen om de opgravingen te bezichtigen die hier verricht zijn in de nabijheid van de plaats waar Cornelius Petrus heeft ontboden en waar later Paulus gevangen heeft gezeten. Het verleden is dan dichtbij en toch moet je je afvragen wat wij hebben van de liefde en vrijmoedigheid die deze mannen Gods toen toonden  in hun dienstwerk.  

We vervolgden onze reis naar Yad Hashmona, een Finse christelijke kibboets tussen Tel Aviv en Jeruzalem, vanwaaruit we de tweede week onze bezoeken zouden afleggen. Dezelfde avond zijn we nog naar Jeruzalem gegaan om een dienst bij te wonen in de gemeente “Voice in the Wilderness” van Anthony Simon, een gemeente van voornamelijk Russische baptisten. We kwamen halverwege de preek binnen en vingen nog iets op over dat we van nature liefhebbers van de zonde zijn en haters van God, en dat een nieuw hart nodig is om haters van de zonde en liefhebbers Gods te worden. Dominee Sonnevelt werd uitgenodigd de dienst te vervolgen en hij heeft er gesproken over de roeping van Levi, waarbij hij ieder vroeg of men iets van zo’n roeping kende.

Op zondag 22 augustus zijn we ’s morgens naar de graftuin gegaan om een dienst bij te wonen. Er werd gepreekt uit Lukas 23 over het kruislijden van de Zaligmaker en Zijn betaling voor zondaren. Gelukkig geen Schriftkritische prediking, maar helaas weinig over het toepassende werk van de Heilige Geest in het zondaarshart. Na deze dienst in de open lucht ontmoetten we in deze tuin enkele Nederlandse meisjes die werkzaam waren in de kindertehuizen Jemima en Kezia in Bethlehem en enkele oude bekenden uit Ridderkerk, zodat we nog wat gedachten hebben uitgewisseld over de reden van ons verblijf in Israël. Op een vriendelijke uitnodiging hunnerzijds konden we vanwege ons drukbezette programma niet ingaan.

We moesten ons haasten om op tijd te zijn voor de dienst in de East Jerusalem Baptist Church, waar Alex Awad uit Bethlehem voor zou gaan. Hij sprak over de tweede bede van het Onze Vader, de bede om de komst van Gods Koninkrijk. Aan de orde kwamen onder andere de afgoden van onze tijd die de komst van Gods Koninkrijk tegenstaan, maar ook bewoners van de settlements die Palestijnen verachten en de aardbeving in Turkije, die net plaats had gevonden en de vele aids-patiënten in Afrika. God heeft een geestelijk koninkrijk en Zijn onderdanen mogen in Zijn nabijheid leven. Een der deputaten mocht de gemeente begroeten en na de dienst was er gelegenheid om met de bezoekers te spreken, wat nog een pittig gesprek opleverde met een vurige pro-palestijnse Canadees.

Daarna was het tijd om naar de Schotse Kerk te gaan, waar we deze reis op twee zondagen een Hollandse dienst mochten leiden. Ds. Sonnevelt preekte er uit Exodus 3:13,14, over “de bekendmaking van Gods Naam” en stond stil bij de verborgenheid van die Naam en de rijke openbaring ervan. Bij de mens van nature is geen plaats voor de levende God, totdat hij een rechteloze wordt voor Zijn aangezicht. Maar wie in Gods handen valt, wordt geleid tot Christus. Gods Naam wordt heerlijk geopenbaard in het Nieuwe Testament, als de Naam Jezus, Zaligmaker, betekenis krijgt. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen! Het is een bijzondere ervaring hier in Jeruzalem in de gelegenheid gesteld te worden ook voor landgenoten te spreken. Na de dienst was er nog gelegenheid de bezoekers te ontmoeten, maar veel tijd hadden we niet, want we werden die avond nog verwacht in Holon, in de gemeente “The Hope of Israel” van pastor Tom Jamison. Men kwam samen in de huiskamer van een flatwoning en begon met het zingen van een aantal Russische liederen. Ds. Sonnevelt bracht de groeten uit Holland over en daarna kreeg ik de gelegenheid om de gelijkenis van de zaaier uit Mattheus 13 te behandelen. Er was hierbij alle gelegenheid om over het werk van de Heilige Geest in het hart te spreken. Een aanwezige vrouw deelde mee een gedicht geschreven te hebben over deze gelijkenis met als titel: Waar zijn de vruchten? Ze zei veel aan de uitleg van de gelijkenis gehad te hebben, en dat is ook onze begeerte en bede als je zo’n samenkomst weer verlaat.  In het huis van Tom hebben we daarna nog een maaltijd gebruikt. Hij is een Amerikaan die vroeger in Irak evangeliseerde en eerst in de gemeente “Grace and Truth” van Baruch Maoz voor het calvinisme gewonnen werd. We hopen deze kleine gemeente te steunen met het toezenden van goede lectuur.

Zo hadden we een drukbezette zondag, die veel indrukken achterliet. Mocht er ook zaad gevallen zijn in door God toebereide harten, om door het werk van de Heilige Geest te ontkiemen en Hem vruchten voort te brengen van geloof en bekering.

Op maandag 23 augustus zijn we ’s morgens vertrokken voor een bezoek aan En Gedi, bij de Dode Zee. Het is voor mij de mooiste plaats die ik ooit bezocht heb. Bij een vorig bezoek maakten ds. Sonnevelt en ik er een korte bergwandeling. Nu zijn we de kloof ingegaan voor een lange klimtocht langs de watervallen naar de bron van Sulamith. Voortdurend zijn je gedachten dan bij David die hier een toevluchtsoord vond toen hij opgejaagd werd door Saul. Maar ook veel andere plaatsen in Gods Woord noemen deze plaats, waar zoveel schaduwen zijn van Christus en Zijn werk voor de Zijnen. Het zou te ver voeren om hier de vele indrukken te verwoorden die we hier hadden, maar ik moet met schaamte bekennen dat ik voorheen altijd over de naam En Gedi heen las in de Bijbel, maar sinds ik deze wonderschone oase aan de Dode Zee ken, begrijp ik wat dit oord voor David betekend heeft.  

’s Middags hadden we weer enkele afspraken in Jeruzalem. Helaas gelukte het ons na veel zoeken niet de eerste, bij Asher Intrater van de Messianic Jewish Alliance, na te komen. De tweede afspraak was bij Ted Walker, directeur van de pro-life organisatie Be’ad Chaim, een soort Israëlische VBOK. De organisatie ondervindt veel tegenwerking van orthodoxe zijde, omdat men de strijd tegen het doden van ongeboren menselijk leven vanuit een christelijk beginsel voert. De organisatie heeft van veel kinderen al het leven mogen redden! Er zijn daardoor verschillende cliënten christen geworden. Zowel door advertenties en het verspreiden van folders als door persoonlijke voorlichting tracht men het aborteren van ongewenste baby’s te voorkomen. Wij steunen deze organisatie met een geldbedrag.

Het avondeten hebben we die dag genuttigd in The Seven Arches, het hotel op de Olijfberg waar we de vorige reis ons verblijf hadden. We hadden hier een ontmoeting met een Leuvense pastoor en zijn geadopteerde zoon. We hebben met hem gesproken over verschillende geloofszaken, ondervonden weinig tegenstand, maar helaas ook weinig begrip. Ik gaf hem een kopie van het gedicht “Zicht op Jeruzalem vanaf de Olijfberg”, dat ik schreef voor de bondsdag van onze vrouwenverenigingen.

De voortgang van het werk in Israël (4)

Samenwerking met de TBS en de GBS
De volgende dag togen we naar Rishon LeTsion om bij de uitgeverij HaGefen diaken Eitan Kashtan van de gemeente van Baruch Maoz te ontmoeten. Hij leidt de uitgeverij die de Messiasbelijdende gemeenten in Israël van goede lectuur tracht te voorzien. We hadden afgesproken hier de heer Rowland van de Trinitarian Bible Society uit Engeland te ontmoeten. Hij bleek al gearriveerd te zijn, maar voelde zich aanvankelijk als Engels gentleman niet erg op zijn gemak, daar zijn koffer op reis was zoekgeraakt en hij verontschuldigde zich voor de afwezigheid van zijn stropdas… Het gesprek verliep er evenwel niet minder vlot om. Het TBS heeft in Londen ongeveer 9000 Hebreeuwse Bijbels staan, die men graag in Israël wil verbreiden. Men heeft ons deputaatschap gevraagd hierbij behulpzaam te zijn, vanwege de vele goede contacten die wij in Israël hebben. De GBS heeft de uitgave financieel gesteund en kan daarvoor 2000 exemplaren gratis opvragen en wil die ook door middel van ons Deputaatschap in Israël onder de mensen brengen. Buiten Israël zijn er weinig mogelijkheden voor afzet, maar in Israël is men bijzonder blij met deze uitgave, met name ook omdat de Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament die erin opgenomen is, aansluit bij de grondtekst van het Oude Testament die men gebruikt. We konden de heer Rowland nu persoonlijk in contact brengen met verschillende personen die bij de import en distributie van deze Bijbel kunnen helpen. De uitgeverij HaGefen kan als importeur optreden en als verzendhuis fungeren. Kashtan wil ondanks de mogelijke tegenwerking van de overheid en de douane bij de import alles op legale rechtdoorzee wijze importeren. Weldadig doet daarbij aan het vertrouwen in Gods regering over ieder, ook over douanebeambten. Doron Even Ari van het Israëlische Bijbelgenootschap, die we later op deze reis hebben bezocht, zal hierbij betrokken worden en ook met drukker-uitgever Victor Smadja in Jeruzalem hebben we hierover later nog contact gehad. Rowland kan ook zorgen voor 5000 Arabische Bijbels voor evangelisatiedoeleinden.  We hadden hier een bijzonder constructief gesprek en waren blij te mogen bemiddelen en meewerken aan dit project. Met Eitan Kashtan is verder nog gesproken over de utgave van The Sovereignty of God van Arthur Pink en de Gebedsgestalten van ds. F. Bakker. Er moet hulp komen voor het vertalen in het Ivriet en we hebben daarvoor steun toegezegd. Verder hebben we hem op de hoogte gebracht van onze ervaring in Galilea, de ontdekking van de gemeente van Mark Askenazy, het bezoek in de gemeente van Fatien Ya’coub en de lege planken in de boekhandel van Sameer Siman in Nazareth. Zo kunnen er contacten gelegd worden tussen verschillende calvinistische gemeenten en het is onze wens dat dit mag bijdragen tot versterking van het verband van Schriftuurlijk-bevindelijke christelijke gemeenten in Israël. De heer Rowland besloot ons samenzijn met een ontroerend ootmoedig gebed, waarin we een onderlinge verbondenheid in de Heere gevoelden, die alle cultuurverschillen overstijgt.  

’s Middags hebben we een bezoek gebracht aan Daniël Lichtman van de Gates of Righteousness in Holon. Dertig jaar lang heeft deze man een zondig leven geleid; zijn huwelijksgeluk is in de drank verdronken. Hij is evenwel, nadat zijn lichaam al grotendeels door drank- en drugsgebruik verwoest is – zo is hij bijna blind – in een opvangcentrum terechtgekomen en van zijn verslavingen genezen. Daar is hij ook met Messiasbelijdende Joden in aanraking gekomen en momenteel tracht hij zijn leven in dienst te stellen van  de hulpverlening aan behoeftige medemensen aan de zelfkant van de samenleving. Hij verzamelt en verdeelt kleding onder arme mensen, koopt babyvoeding voor behoeftige gezinnen, vangt verslaafden op die hij van een maaltijd voorziet en bezorgt ook voedsel waar dit nodig is. We willen hem helpen bij zijn baby-project en zullen proberen mensen uit onze achterban in te schakelen om enkele baby’s voor onze rekening te nemen.

We zijn hierna naar de oude stad Jaffa gereden voor onze avondmaaltijd aan de oever van de Middellandse Zee. Het was in de nabijheid van de plaats waar Simon de leerlooier gewoond moet hebben en waar Petrus zijn visioen heeft gehad. Een beeld van een walvis op een pleintje moest de herinnering aan Jona’s vlucht hier levendig houden. Onze Arabische kelner van het Fishermen’s Restaurant, Tony Wakileh, bleek gevoelig voor de boodschap van het Evangelie. Hij leest persoonlijk de Bijbel, maar het kwam in zijn leven nog niet tot een duidelijke keuze. Hij is nog Grieks Orthodox, maar beseft wel dat het niet genoeg kan zijn een “nominal christian” te zijn. We hebben hem erop gewezen dat hij niet moet verslappen in het Bijbellezen en aansluiting moet zoeken bij een Schriftgetrouwe gemeente. Ons langdurig gesprek leverde Tony wel een reprimande op van zijn cheffin, wat we hebben getracht in evenwicht te brengen door haar te complimenteren vanwege de goede bediening. We hebben hem na thuiskomst een pakket boeken gestuurd met onder andere de Christenreis. Zegene de Heere het handje zaad dat we daar mochten strooien.

Die avond zijn we weer naar Rishon LeTsion getogen voor een Bijbelstudie in de gemeente van Baruch Maoz. Nadat ik hier de gelijkenis van de zaaier heb trachten te verklaren voor een noodzakelijk zelfonderzoek, heeft ds. Sonnevelt het tweede gedeelte behandeld met een verklaring van de onmisbare vruchten van een waar geloof.  Het was een aangenaam samenzijn waarbij ook verschillende persoonlijke vragen gesteld en beantwoord zijn. Mochten er door genade ook vruchten zijn.

Woensdagmorgen zijn we naar de Bible Society in Jeruzalem gegaan voor een afgesproken ontmoeting met Doron Even-Ari. We hadden hem vaker ontmoet en hij heeft ook eens op een studiedag van ons deputaatschap in Gouda gesproken. Hij vertelde ons met blijdschap dat hij ingang heeft bij het Ministerie voor Toerisme en een brochure met een duidelijk christelijke boodschap op kosten van dit Ministerie in  verschillende talen mag worden gedrukt en verspreid. Met het Ministerie van Onderwijs heeft hij contact om een mobiele tentoonstelling over de Bijbel op scholen te laten zien. Wel is er veel tegenwerking van ultraorthodoxe zijde. Zo wordt zijn winkel telkens beklad met hakenkruizen. We hebben in het verleden al eens een brandbeveiliging voor zijn zaak bekostigd en hopen hem ook in de toekomst nog waar nodig en mogelijk te steunen bij een van zijn projecten.

’s Middags hadden we een afspraak met Yossi Kapach, een orthodoxe Jood die leiding geeft aan het Amitay Center in Jeruzalem. Hij is een gepensioneerd burgemeester en vertelde ons hoe zijn zoon van zeventien zes jaar geleden op de Westbank door Palestijnen gestenigd is. Hoewel hij grote droefheid toonde, verzekerde hij ons dat zijn hart niet vervuld is met haat. Graag wil hij bruggen bouwen, ook tussen Joden en christenen. Ik heb getracht hem te wijzen op het offer van Christus waarover Jesaja in zijn 53e hoofdstuk spreekt en waardoor allereerst verzoening met God verkregen kan worden, maar Yossi kon dit niet accepteren. Hij wilde liever afwachten welke Messias de Almachtige nog zou zenden, Mozes, Elia of wellicht toch Jezus, maar voorlopig had de meerderheid Jezus niet geaccepteerd en dat zou de Messias toch niet overkomen. Ds. Sonnevelt deed nog een poging vanuit het Oude Testament over de Christus der Schriften te spreken, maar onze gastheer was duidelijk meer geïnteresseerd in eventuele mogelijkheden van ons om zijn projecten financieel te steunen. Hij wil wel praktische samenwerking met christenen, maar wil onze boodschap liever maar laten liggen. Hij werkt al samen met de stichting Christenen voor Israël en Breng de Joden thuis. Wij zoeken evenwel vooral hulpverlening in samenhang met Evangelieverkondiging en daarvoor schijnt hij weinig mogelijkheden te kunnen bieden. Toen hij ons in zijn auto wegbracht, hadden we nog een gesprek over het persoonlijk geloof. We hebben met een hartelijke handdruk afscheid van hem genomen en we hebben hem gevraagd nog over een klein project na te denken waarin wij onze doelstelling, in overeenstemming met ons mandaat, gestalte kunnen geven. 

De voortgang van het werk in Israël (5)

In Jeruzalem en Bethlehem
Op straat ontmoetten we die middag een troep soldaten, die voor een korte rustpauze langs de weg zaten. We zijn tussen hen in gaan zitten en probeerden een gesprek te krijgen over de Hoop voor Israël. Niet het leger, maar God is Israël’s verwachting, zo hielden we hen voor. Toen we evenwel over de Heere Jezus spraken, kwam het commando om verder te gaan en helaas moeten we vrezen dat er te weinig zaad is gestrooid om verwachting van te hebben. Of zou er toch iemand aan het denken zijn gezet? God weet het en wij bidden er om! 

Ons volgende adres was de uitgeverij van Victor Smadja. Op onze kosten zijn hier al duizenden Russische Bijbels gedrukt en we zijn gewend hem jaarlijks te bezoeken, waardoor er een vertrouwensrelatie is ontstaan die het werk duidelijk ten goede komt. Hij had door een vriend een goede ingang bij de overheid voor drukopdrachten, maar heeft een grote opdracht om telefoonboeken te drukken afgewezen, omdat hij moest beloven dan van het drukken van Bijbels af te zien. Nu ervaart hij het als een zegen dat er zoveel Bijbels gedrukt mogen worden. Toen we bij Victor aankwamen, was de heer Rowland van het TBS al aanwezig. We hebben hier verder gesproken over de Hebreeuwse Bijbel van het TBS en de invoer hiervan. Victor had graag de druk in Israël verzorgd en Rowland heeft een nuttig contact mogen leggen voor het drukken en/of verbreiden van TBS-uitgaven in de toekomst, zo de Heere het wil. Indrukwekkend is steeds hoeveel reacties Smadja krijgt op zijn advertenties en evangelisatiemateriaal. Hij heeft inmiddels een database van 12.000 adressen opgebouwd aan wie hij periodiek een lijst zendt met te verkrijgen boeken. We hopen ook in de toekomst Victor te bijven helpen, voornamelijk met het drukken van Russische Bijbels, maar hopen ook dat we er middelen voor mogen krijgen.

De avondmaaltijd hebben we op de “Haaspromenade” gebruikt. We hebben Rowland uitgenodigd deze samen met ons te gebruiken. We hebben meer van het uitzicht genoten dan van het eten. Een goed stukje vlees is in Israël bijna niet op je bord te krijgen. Het spreekwoord blijft waar: oost, west, thuis best!

Maar het uitzicht van deze promenade op de zuidelijke heuvelrij rond Jeruzalem is prachtig. Je kijkt op de berg Sion en de oude stad, die daarbij lag, neer. Hier zie je evenals op de Olijfberg het beeld dat de dichter van Psalm 125 gebruikt, als hij zingt: “Rondom Jeruzalem zijn bergen.” Hij vervolgt dan: “Alzo is de HEERE rondom degenen die Hem vrezen.” Hij bezong Gods wondere bescherming van Zijn volk, een heerlijke waarheid die ook in Nederland troostrijk is.

We hebben tijdens de maaltijd met Rowland nog uitvoerig over ons werk gesproken. Voor we afscheid van elkaar namen, zagen we op de helling van de berg een grote groep Ethiopische Joden – dus met een zwarte huidskleur – druk bezig met het leren van Joodsre riten en gebeden onder leiding van een blanke rabbi. We zochten het tafereel vast te leggen op een foto. Rowland die daarbij naast mij stond, toonde dicht bij zijn hart te zijn en zei: “How sad!” Wat droevig! En inderdaad, als je dan weer van nabij ziet waar het orthodoxe Jodendom zijn waardigheid voor God in zoekt, kun je alleen maar droevig gestemd zijn en verzuchten of God het deksel nog eens van hun verstand en harten wil wegnemen. O, mochten de middelen die we daartoe aanwenden gezegend worden!

Die avond werden we verwacht in de gemeente van Anthony Simon, The Voice in the Wilderness, onder het gebouw van de Finse Kerk, in een soort kelderruimte. Nadat een aantal Russische liederen gezongen

waren, kreeg ik het woord. Ik voelde me geholpen toen ik hier weer over de gelijkenis van de zaaier mocht spreken, maar had helaas de tijd niet goed in de gaten. Ds. Sonnevelt heeft toen de beantwoording van de vragen op zich genomen. Alles werd vanzelf weer vertaald, want we spraken in het Engels wat lang niet allen beheersten. Hier had ik na afloop het fijne gesprek met Alina, de vrouw van John Theodor, die zo te strijden had met de wortels van de zonden in haar leven en met wie je door kon praten over de noodzaak van een stervend leven om door Christus vruchtbaar te mogen zijn. Ik schreef daar in het begin al over. Het gesprek liet bij mij diepe indrukken achter en ‘k meende het wondere werk van Gods Geest in haar worsteling te zien. Een huichelaar kent deze strijd niet! Later terug in Holland deelde ds. Silfhout mee dat hij haar ook had ontmoet en een soortgelijke ervaring met haar had. De Heere werkt zijn wondere genadewerk in zondaarsharten overal waar Zijn Woord als zaad gestrooid wordt. En wat blijkt dan toch dat je elkaar herkent in een stervend leven, waar Paulus van schrijft: “Wij die leven worden dagelijks in de dood overgegeven, opdat het leven van Christus in ons sterfelijk vlees geopenbaard zou worden.”

De volgende dag, donderdag 26 augustus, stond een bezoek aan Bethlehem op het programma op de zogenaamde Westbank. Enkele honderden meters voor het Bethlehem Bible College is het graf van Rachel, streng bewaakt door Israëlische militairen. De Joden beschouwen dit als een heiligdom en hier komt men om te bidden, vooral ook om kinderen. We zijn er even naar binnen geweest, maar je wordt daar niet blij van. Te vrezen is dat er weinig begrepen is van de woorden die Christus tot de Samaritaanse vrouw sprak. God mag overal aanbeden worden en wel in Geest en waarheid.

Even later zaten we bij Bishara Awad, de directeur van het Bethlehem Bible College. Hij is Arabier, evenals de meeste docenten en studenten aan deze opleiding, hoewel ze ook wel Joodse voorgangers hier hun opleiding ontvingen. Protestantse Arabieren voelen zich toch altijd nog op een bijzondere wijze verbonden aan protestantse Joden. Beiden vormen een minderheid in hun volk en ze hebben immers een sterk gelijkende godsdienst. Als de gesprekken over de politiek gingen, bleek ons evenwel steeds dat ze niet zo dicht bij elkaar stonden, maar zeker teksten die over de landbelofte gaan verschillend uitleggen!

We helpen de christelijke gemeente van Bethlehem jaarlijks rond Kerstfeest om de vele armen in de gemeente te ondersteunen. Ons Deputaatschap Bijzondere Noden verschaft hiertoe de middelen. Met Bishara hebben we nog een bezoek gebracht aan een arm Arabisch gezin, waarvan de vader werkeloos was; ze kwamen oorspronkelijk uit de Roomse Kerk, maar behoorden nu tot een protestantse gemeente. Moeder Elene was genezen van een gezwel in de borst. Er was veel gebed geweest en ze begeerde God te erkennen voor haar genezing. 

Heel de stad lag overhoop voor de naderende millenniumwisseling, want men verwachtte ontzettend veel gasten. Hotels werden gebouwd, straten geplaveid, huizen gerenoveerd, etc. Ik denk niet dat de helft van het werk op tijd geklaard is.

We hebben de bibliotheek en het guesthouse van het college bezichtigd en hebben in hun eetzaal een eenvoudige lunch genuttigd. Bijzonder daarbij waren de heerlijke zoete druiven die Alex Awad, die we ’s zondags als voorganger beluisterd hadden, van huis meegebracht had. We hopen de voedselhulp aan deze Arabische gemeenschap met behulp van ons Deputaatschap Bijzondere Noden voort te zetten en voor alle studenten van het college een goed boek toe te zenden.

Een volgend bezoek in Bethlehem betrof de kinderhuizen Jemima en Kezia. We hebben al jaren goede contacten met Ed Volbehr, die hulpdiensten verricht om ons op zondag in de Schotse Kerk in Jeruzalem te laten preken. Eds vrouw is de achterliggende periode overleden en hij heeft het duidelijk niet gemakkelijk met het vele werk dat verricht wordt onder de gehandicapte Arabische kinderen. We hebben verschillende van die kleinen gezien, gesproken, en ook wel in de armen gehad. In Kezia zijn wat oudere gehandicapten opgenomen. Ds Sonnevelt zag nog gelegenheid om  een huisbezoek te doen bij een gemeentelid dat daar werkte en op loopafstand woonde. Wellicht dat zijn kerkenraad nu een deel van onze reiskosten op zich neemt…

We kunnen dit werk in Bethlehem eigenlijk niet structureel steunen; dat zit niet in ons mandaat. Daarvoor hebben zij overigens ook andere fondsen. Wel krijgen ze weer een complete serie van de Vertellingen bij de Bijbel toegestuurd. De voertaal in het huis is Nederlands.

We hebben hartelijk afscheid genomen en haastten ons om op tijd te zijn voor een Bijbelstudie in Bat Yam die avond. Dat ging echter anders dan we gehoopt hadden. Bij de grensovergang van Bethlehem naar Israël werd alle verkeer tegengehouden omdat er een bommelding was. Eerst nadat het verdachte voorwerp verwijderd was, mochten we onze weg vervolgen.

Veel te laat kwamen we in de studiegroep aan, die evenwel geduldig op ons zat te wachten. Ds Sonnevelt zou deze avond de bespreking van de gelijkenis van de zaaier afronden, waar ik de vorige week mee begonnen was. Ook nu was er een spits naar het zelfonderzoek, waartoe Christus Zelf ook opwekte. Nadat een aantal vragen waren beantwoord, kwam opeens de vraag aan mijn adres, of ik mijn bekering wilde vertellen. De Heere gaf gelukkig enige vrijmoedigheid en ik heb getracht te vertellen hoe de Heere van een Farizeeër een arme zondaar weet te maken en wat nodig is om daar niet bovenuit te groeien! De avond is door de heer Moerdijk met gebed beëindigd, waarna we nog een maaltijd nuttigden bij deze gastvrije familie van Michael Karpovetsky.

De voortgang van het werk in Israël (6)

Naar de Gaza-strook
Vrijdag 27 augustus zijn we eerst naar Jeruzalem getogen voor een bezoek aan de Immanuel Bookshop. Het was meer zakelijk van aard en had betrekking op welke boeken wij hun in de toekomst het beste kunnen zenden, met name ten aanzien van de Hebreeuwse Bijbel en de Viervoudige Staat van Boston. We ontmoetten – maar nu zonder afspraak – in deze zaak Rowland weer en spraken nog wat over Arabische Bijbels die we ook via het TBS kunnen betrekken. Vervolgens vertrokken we voor een reis naar het zuiden, naar Beersheva, de plaats waar de aartsvaders hebben gewoond en waar we op een vorige reis een Bible House ontdekten. De gemeente in deze plaats heeft de laatste tijd veel te lijden gehad van de orthodoxe Joden, maar men was ervan overtuigd dat het had mogen meewerken ten goede. Zij hadden het ten kwade, maar God had het ten goede gedacht. Wel waren er afsplitsingen geweest; er was een deel nogal charismatisch die eigen samenkomsten belegden en ook was er een deel dat alleen diensten wilde beleggen in het Russisch. We onderhouden hier evenwel alleen contacten met het Bible House en hopen hen in de toekomst van goede boeken van de Banner of Truth te voorzien en van TBS Bijbels en de Viervoudige Staat van Boston.

Door de contacten met Bishara Awad in Bethlehem waren we in de gelegenheid gesteld om een bezoek te brengen aan de Gaza-strook, aan Gaza-stad, waar een dependance van Bethlehem Bible College is. De auto mocht niet mee, maar we werden opgewacht door een Palestijnse taxichauffeur, die ons naar het YMCA-gebouw bracht waar we een afspraak hadden. George Sayegh geeft hier les aan 14 studenten en aan een aantal christelijke kinderen. Van de 2.200.000 mensen uit Gaza zijn er 2000 christen en slechts 100 praktiserend in deze kleine gemeenschap. In 1948 was hier nog eenderde van de bevolking Grieks Katholiek, maar die zijn allen vertrokken. Als christenen houden ze van de Joden, maar in politiek opzicht voelt men zich Palestijn. George en zijn vader hebben ons naar de Bible Society gebracht, een mooie christelijke boekwinkel en bibliotheek die onlangs is geopend. Ze doen veel aan evangelisatiewerk en we waren onder de indruk van de mogelijkheden die deze kleine gemeenschap in dit volkrijke Gaza krijgt. De taxichauffeur kreeg opdracht ons nog iets van Gaza-stad te laten zien en zo kwamen we bij de regeringsgebouwen, de universiteit, prachtige flatgebouwen, maar ook in de grote volkrijke sloppenwijken. We hebben hartelijk afscheid van elkaar genomen en al kunnen we weinig voor hen doen, we hopen elkaar in het gebed te gedenken. Ook ontvang ik regelmatig een e-mail van George’s werk in Gaza-stad, waaruit blijkt dat de begaafde jongeman bijzonder betrokken is op het ene nodige voor zichzelf en anderen. 

Het was een hele ervaring deze dichtbevolkte streek te bezoeken, maar ook een hele belevenis er weer uit te komen. We werden door de Israëlische douane van hot naar her gestuurd voor een uitreisvisum; alles moest gescand worden om te controleren of we geen explosieven of andere narigheden meenamen. Tenslotte vonden we onze auto weer aan de andere zijde van de grens en op weg naar Gan Yavne, waar we in het gezin van Eitan Kashtan te gast zouden zijn, dachten we na over wat we toch nog voor de christelijke Arabieren zouden kunnen doen. Daar rees het plan om te trachten enkele deeltjes van de Vertellingen bij de Bijbel in het Arabisch te laten vertalen en drukken, voor verbreiding hier, in Bethlehem, maar ook in Galilea en wellicht ook onder Arabisch sprekende asielzoekers. Dat werk kan evenwel ook niet onder ons mandaat vallen. Misschien dat we nog eens een instantie vinden die dit op wil pakken.

Bij Eitan Kashtan, die zijn woning heeft in Gan Yavne, en waar ik op een vorige reis een samenkomst heb mogen leiden, werden we gastvrij ontvangen. We hebben er een sabbatsmaaltijd genuttigd – het was vrijdagavond – en we waren er in een ontspannen huiselijke sfeer. 

Op zaterdag 28 augustus hebben we in de ochtend een dienst in de gemeente van ds. Baruch Maoz meegemaakt. Hijzelf was ziek. Ouderling David Zadok ging voor in een Bijbelstudie en behandelde het eerste hoofdstuk van de profeet Jeremia. Na een korte pauze en het zingen van een aantal liederen, kreeg Eitan Kashtan het woord. Hij sprak uit Deut. 7:6,  over Gods verbond met Abraham en over het Beloofde Land. Er was nogal een duidelijke spits in naar de landbelofte, wat na de dienst zorgde voor een felle discussie met een Palestijns gemeentelid, die graag onderscheid gemaakt zag tussen het Oude en Nieuwe Testament ten aanzien van de landbelofte, overigens toch in hartelijke verbondenheid ten aanzien van het belangrijkste van de boodschap. We hadden weinig tijd voor een nagesprek, want we moesten naar het Finnish Guesthouse, waar we verschillende Nederlanders en met name jongeren uit onze gemeenten die in Israël werkten, uitgenodigd hadden voor een samenzijn, met wat korte inleidingen en een gezellige maaltijd. Helaas viel de opkomst tegen. Het stelt je teleur als je met name de jongeren uitnodigt, ook al om hun problemen in dit land samen te bespreken, dat er altijd een aantal is dat de moeite niet neemt om op zo’n samenkomst aanwezig te zijn. Zovelen kunnen de cultuurschok niet aan, leggen hun godsdienstige opvoeding voor een groot deel af en waaien mee met alle wind van leer die in dit land waait. Evenwel was het goed degenen te ontmoeten die er wel waren. Ds Sonnevelt heeft het samenzijn geopend en gesproken uit Markus 6, de storm waarin Jezus tot zijn discipelen kwam op het water. Zelf heb ik daarna gesproken over Evangelieverkondiging onder de Joden door de eeuwen heen. De heer Moerdijk, toen nog onze algemeen-secretaris, vertelde wat over het werk van ons deputaatschap. We besloten met een warme maaltijd en gaven onze gasten als geschenk mee het boek van ds. Sonnevelt: Gods weg met Israël.

Tijdens deze bijeenkomst verzorgde ds. Sonnevelt nog een dienst voor Roemeense christenen in de gemeente van Anthony Simon, daar deze ziek was. Ook  ’s avonds is hij daar voorgegaan. Hierna hebben we voor de laatste dagen ons verblijf genomen in het Huis op de Berg, gelegen op de Olijfberg, vanwaar we een prachtig uitzicht hadden over Jeruzalem. 

Op de vroege zondagmorgen trachtte ik een eenzame plaats te zoeken voor Schriftlezing en overdenking, maar helaas gelukte het me niet met mijn schoenen met leren zolen de steile weg de Olijfberg af richting Gethsémané te gaan. Ik nam daarom mijn toevlucht in een prachtige tuin op de berghelling, waar… ik ds. Sonnevelt ontmoette, die me al voor was gegaan! De tuin was zelfs speciaal voor meditatie aangelegd en inderdaad kon je je daar goed terugtrekken van allerlei gewoel van mensen

Na het ontbijt zijn we naar de Baptist Church van dr. John Anthony gegaan in de Narkis Street. Er was een gastprediker uit Amerika, die sprak over de woorden “God is licht”. Er werden veel mooie dingen gezegd, maar helaas werden we teleurgesteld toen het ging over de wijze waarop de mens komt uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Geloof en gehoorzaamheid kwamen op uit de vrije wil van de mens. Als men het licht verwerpt, kan God niet anders dan ons verwerpen, luidde zo ongeveer de toepassing. We hebben na de dienst nog getracht daarover met hem te spreken. ’s Middags mochten wij de dienst verzorgen in de Schotse Kerk. Ik heb er gepreekt uit Rom. 3 : 28 en 29, over “Wie is een Jood?”. De besnijdenis van het lichaam en wat je in het openbaar bent, is hiervoor volgens de apostel niet bepalend. Een echte Jood is volgens deze Schriftwoorden een Godlover, en dat is niet ieder die zegt dat hij dit is, maar dit zijn degenen, die het in het verborgen zijn, wier harten besneden zijn en wier lof niet is uit de mensen maar uit God. Het werk van Christus is hiervoor onmisbaar. Daarom kon de wens uitgesproken worden dat iedere Jood christen mocht worden, maar ieder christen ook in waarheid Jood mocht zijn. We hebben daarna in de eetgelegenheid van het Huis op de Berg onze maaltijd genuttigd.

De voortgang van het werk in Israël (7)

Op maandag 30 augustus hebben we een lange reis gemaakt door de woestijn van Judea, langs de Dode Zee helemaal naar het zuiden, naar Eilat. Ongeveer bij de vlakte van Sodom en Gomorra, boven de zoutvelden zagen we opeens een grote vlucht trekvogels. Het bleken honderden ooievaars te zijn, op doorreis naar Egypte. Bij Yot Vata hebben we een korte stop gemaakt om wat frisdrank te gebruiken en onze echtgenotes te bellen. Het is toch wel merkwaardig dat je onder de hoge dadelpalmen in het zuiden van de Negev door enkele nummers in te drukken op een mobiele telefoon opeens de stem van je vrouw hoort en even bij kunt praten over de werkzaamheden, zowel in Holland als in Israël. In Eilat hebben we even rondgereden langs de kust. Ook hebben we een sobere warme maaltijd gebruikt in een restaurantje aan het water. Wat een toeristenstad! We waren evenwel gekomen voor een bezoek aan de Shelter en een ontmoeting met John Pex. Hij heeft ons de gastenverblijven laten zien waar meest jongeren uit heel de wereld komen voor een goedkoop logies en waar hij hen in aanraking probeert te brengen met het Evangelie. Iedere vrijdagavond is er een samenkomst; de laatste vrijdag waren er wel 150 personen rondom Gods Woord vergaderd. Iedere zaterdag heeft hij een samenkomst met de Messiasbelijdende gemeente, waar ook wel een honderd personen komen. Wij voorzien hem van goede lectuur om uit te delen en ik raakte er mijn Hebreeuwse exemplaren van de Evangeliën dan ook gemakkelijk kwijt. John is afkomstig uit Noordwijk, uit een Rooms gezin. Hij heeft in zijn jeugd als een hippie geleefd, heeft de wereldzeeën bevaren, maar heeft het ruwe en zondige leven vaarwel gezegd nadat hij het evangelie van Johannes had gelezen. Hij is nu 53 en tracht  anderen die leefden zoals hij eerst deed, te bereiken met het Evangelie. Hij nodigde ons weer uit om eens in een evangelisatiedienst voor te gaan, maar het is voor ons een bijzonder moeilijke tijd, daar we  dan die avond nog terug zouden moeten naar het noorden en dus in de nacht zouden moeten reizen. We willen het toch voor een volgende reis in overweging nemen, want ook hier wordt ons gelegenheid gegeven om het Woord te brengen onder Jood en heiden. Vanwege de bouwactiviteiten in de snel groeiende hotelaccommodaties zijn er veel gastarbeiders en John doet veel werk onder Chinezen, Roemenen, Hongaren en Slowaken die hij met Gods Woord in contact brengt.

Langs de westkant van de Negev, de grens met Egypte, zijn we teruggekeerd naar het noorden om op tijd te zijn voor een Bijbelstudie in Holon, nabij Tel Aviv. Nadat ik de samenkomst met gebed geopend had, werden enkele verzen gezongen. Ds Sonnevelt zou deze avond volgens afspraak een inleiding houden over Romeinen 11: 26: het zalig worden van  Joden als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Het zal geen weg zijn buiten Christus, maar de Bruidegom der Kerk zal Zijn bruid ook uit de beminden om der vaderen wil ontvangen. Na de vragenbeantwoording heeft hij de vergadering met gebed besloten.

Op dinsdag 31 augustus stond voor de morgen een bezoek op het programma aan het echtpaar Yitzak en Mirjam Eltsur in Giv’at Schmu’el. Het echtpaar is bijzonder gastvrij. Zij heeft in de oorlogstijd in Veenendaal gezeten en is bij mensen uit onze gemeente ondergedoken geweest, maar heeft er grote moeite mee om over die tijd te spreken. Pijnlijk is de herinnering aan de vele vreselijke gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Graag spreekt ze over haar kinderen en over positieve ontwikkelingen in haar volk, maar wat de godsdienst betreft, vermijdt ze een openhartig gesprek. Ds Sonnevelt heeft de familie in het gebed opgedragen 

’s Middags werden we verwacht door Taiye Omokhaye, een Nigeriaans predikant die in Israël evangelisatiewerk doet,  in The Friendship House in Tel Aviv. Temidden van rommelige kleine industrieën vonden we zijn keurig verzorgde kerkzaal-Bijbelschool. Wij steunen hem door boekzendingen en hopen dit te blijven doen.

Vervolgens bezochten we de Bookshop van de Bible Society in Tel Aviv. Ook hier ontvangt men Bijbels en boeken van ons deputaatschap. In het vervolg hopen we de bezoeken aan Israël zo in te delen, dat er een meer zakelijke reis gemaakt zal worden voor contacten als deze, waarbij het niet zozeer nodig is dat predikanten meegaan. Een tweede reis kan dan meer gericht zijn op het gemeentewerk en de Woordverkondiging. Wellicht geeft het lezen van dit reisverslag u al vermoeidheidsverschijnselen, maar u zult begrijpen dat dit bij uw deputaten nog wel eens iets meer het geval was.

Nog een derde bezoek in Tel Aviv stond op het programma en wel bij het Outreach Center Dugit. Dit centrum, dat onder leiding staat van Avi Mizrachi, waar men koffie kan drinken, boeken kan kopen of een gesprek kan voeren, is de laatste tijd het doelwit van de ultra-orthodoxe zendingsorganiatie Yad Leachim. Iedere ochtend waren de deuren besmeurd met koffie en lijm en de muren beklad met hakenkruisen en leuzen als “dood aan de zendelingen”. Dagelijks wordt er door mensen van die beweging voor de winkel gepost om degenen die er binnengaan ervan te weerhouden en in ieder geval te filmen. Er zijn al diverse pogingen tot inbraak of brandstichting geweest. Ook wij werden gefilmd toen we naar binnen gingen, zelfs door de ramen terwijl we er zaten te praten. We zijn toen naar buiten gegaan om de mensen die dit deden te fotograferen, waar ze kennelijk toch ook weer van schrokken, waarna ze snel het hazenpad kozen. Overigens strekken onze contacten met dit centrum ook niet verder dan het verschaffen van goede Bijbels en andere lectuur, daar de inslag van deze gemeente nogal charismatisch is.

Die namiddag hebben we nog een bezoek gebracht aan Baruch Maoz en zijn vrouw Bracha in hun woning te Gadera. Ds. Maoz was nog ziek, maar toch konden we met hem de maaltijd nuttigen en spreken over het vele werk dat op hem en zijn gemeente afkomt. Zij hebben ook contacten in Ohio en in de Oekraine en waren benieuwd naar onze mogelijkheden om daar iets te doen. Ook over verschillende andere contacten op deze reis hebben we met hem gesproken, alsook over zijn kerkbouwplannen en een eventuele steun hiervoor vanuit Nederland.

Voor de avond stond een Bijbelstudie op het programma in gemeente van Ashdod. Ik heb er weer gesproken over de gelijkenis van de zaaier  en werd ook hier vertaald in het Russisch, evenals ds. Sonnevelt die de behandeling van dit Schriftgedeelte afrondde. In het nagesprek kwam onder andere de geloofsbeleving en het kerkelijk leven in Nederland ter sprake. Ook bij ons is het “niet alles Israël, dat Israël genaamd wordt.” We hopen naar deze kleine gemeente een aantal Christenreizen te sturen.

Op woensdag 1 september hadden we ’s morgens om 10.00 uur afgesproken op de Makor HaTikva school te Jeruzalem. Hartelijk werden we verwelkomd door de penningmeester van de schoolvereniging, de heer Joseph Vos. Het is de enige school voor Messiasbelijdende gezinnen in Israel. Er zijn negen leerkrachten aan verbonden en het onderwijs onderscheidt zich van andere scholen met name door het Bijbelonderwijs, dat hier vanuit de plaatselijke gemeenten wordt gegeven. We zijn rondgeleid door alle klassen en hebben gesproken met personeel en met leerlingen. Onze belangstelling wordt bijzonder op prijs gesteld, maar veel financiële steun kunnen we hen niet geven, ook al is er voor het komende jaar een groot tekort, daar er een samenvoeging met een kleuterschool op stapel staat. Wij hebben hiervoor geen genoegzame middelen, maar hopen wel, evenals in het verleden, een schakel te mogen zijn tussen gevers in Nederland die een bepaald project in Israel zoeken om te steunen, en deze school. Zo hebben ze in het verleden door onze bemiddeling een groot bedrag ontvangen van een hervormde diaconie en van een reformatorische scholengemeenschap. Wellicht zijn er zo ook in de toekomst gulle gevers die dit onderwijs willen steunen met een vorstelijke gift.

Zowel op de heenweg als op de terugweg zijn we door het oude stadsdeel van Jeruzalem gelopen. We konden wat inkopen doen voor thuis kort een blik werpen op de Klaagmuur. We zagen daar hoe seculiere joden geholpen worden door rabbijnen met gebredsriemen, etc., in een streven hen tot  het judaïsme te bekeren. Wie weet wat dit inhoudt, zal ook hierbij moeten zeggen: “How sad!” Er is overigens in heel Israël een sterke bekeringsbeweging in de richting van judaïsme te bespeuren en overal zoekt men de naleving van Mozaïsche wetten weer te bevorderen. Ook in de krijgsmacht hebben de orthodoxen een eigen divisie in het leger; de “haredi Nahal”.  We zijn door de Armeense wijk gegaan en over het schoolplein van een orthodoxe school om onze auto daarna weer op te zoeken voor een laatste bezoek, ook aan een school, namelijk de Lotem School voor autistische kinderen in de kibboets Hulda. We zijn daar hartelijk ontvangen. Onze gemeenten hebben er een goede naam gekregen, niet in het minst door het vele werk dat een aantal jonge vrijwilligers van onze Jeugdbond er hebben gedaan voor het onderhoud van de gebouwen. Gewoonlijk verlopen de contacten met deze school via Eitan Kashtan, maar hij kon ditmaal niet aanwezig zijn vanwege een verplichte herhaling in militaire dienst. We zijn rondgeleid door de gebouwen en hebben gesproken met leiders en pupillen. Verfrist door de vele frisdrank, maar ook door wat koud water wat Dalia op onze hoofden smeerde, namen we hartelijk afscheid. 

Op onze weg naar het vliegveld bezochten we nog het dorp Kfar Chabad. Het is een “Messiasbelijdend” dorp, maar niet christelijk! Overal staart de overleden rabbi Schneerson je aan van de aanplakborden. Hij wordt hier als de Messias vereerd! Als je dan de keurig geklede meisjes, lang haar en lange rokjes, hier uit school ziet komen en dan bedenkt hoever hun opvattingen van een gezonde Bijbelse leer verwijderd zijn, word je weer verdrietig. Dan rijst bij het vertrekken uit Israël weer de bede tot God, of Hij het deksel dat er ligt bij het lezen van het Oude Testament toch wil wegnemen en ook de verzuchting of het werk wat we hier mochten doen daaraan dienstbaar mag zijn. 

Na een voorspoedige reis zijn we ver na het middernachtelijk uur, op donderdag  weer op Schipholgeland, waar onze vrouwen ons stonden op te wachten. Een verblijdend weerzien; ik was nog niet eerder zo lang van huis geweest. Maar terugziend op het vele werk ben je ook verwonderd dat er in korte tijd zoveel deuren voor ons zijn opengegaan om het werk dat niet alleen de synode ons, maar dat ook de Koning der Kerk Zijn gemeente opgedragen heeft: Zijn Evangelie te verkondigen, eerst de Jood en ook de Griek.

Ds. C.J. Meeuse