Het reformatorisch onderwijs: een vereenzaamde zuil of een vruchtbare wijngaard?

Bezinningsdag personeelsleden “De Reformatorische zuil”
6 januari 1995 in Guido de Bres; 9.00 uur 

Zinloze zuilen

Over het algemeen wordt de diversiteit in organisatie van allerlei facetten van het openbare leven nog steeds aangeduid door het woord “verzuiling”, zij het in een positieve of negatieve zin.
Met het woord verzuiling wordt in een beeldspraak aangegeven, dat het Nederlandse volk is opgedeeld in een veelheid van groepen, die als zuilen naast elkaar staan; ze onderschei­den zich door een eigen godsdienst en levensbeschouwing en ze geven gestalte aan die verschillen in geïntegreerde complexen van maatschappelijke organisaties of instellin­gen op levensbeschouwelijke grondslag. Naar analogie van het spreekwoord “elk meen zijn uil een valk te zijn, zegt men wel: “elk meent zijn zuil een volk te zijn”. Dit uiteenvallen van de maatschappij in scherp gescheiden levens- en wereldbeschouwelij­ke groeperingen is door christenen dikwijls aangegrepen als een mogelijkheid om zich sterk maken in een pluri­forme samenleving. Het is zelfs niet te loochenen dat de christenen voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor wat wel de verzuiling van de samenle­ving wordt genoemd. Bekend is het gezegde: “in het isolement is onze kracht”.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de bekende “doorbraak”-gedachte. Met name de Partij van de Arbeid heeft zich sterk gemaakt om een einde te maken aan de verzuiling en in samenwerking met de liberalen en sociaal-democraten worden er in ieder geval hevige aanvallen uitgevoerd op verschillende organisaties, die men tot de christe­lijke zuilen rekende. Die samenwerking tussen socialisten en liberalen zou men ook kunnen zien als een verdere ontmanteling van eigen zuilen, vooral nu de eigenlijk toch kleurloze sociaal-democraten, die groen willen heten, de samenbundeling van krachten mede overtrokken hebben met een onzekere paarse gloed.

Hoe het zij, in onze tijd wordt algemeen gesproken van “ontzuiling” en het is onmisken­baar dat het rooms-katholiek, christelijk-historisch en anti-revolutionair erfgoed voor een groot deel vergeten wordt binnen een CDA, die ook hindoes tot haar volksver­tegenwoor­digers maakt. De wijze waarop men met name in het zuiden van ons land afstand neemt van de vroeger gelegde band tussen godsdienstige overtuiging en politieke keuze, toont dat men de godsdienst meer ziet als een privé-zaak, die toch eigenlijk geen consequenties moet hebben voor de levens- en wereldbeschouwing. Vrij algemeen worden in onze tijd die geïntegreerde complexen van maatschappelijke organisaties afgebroken. In politiek en pers, in welzijnswerk en gezondheidszorg, in het omroepbestel en in het onderwijs zien we een deconfessionalisering, die de bestaande zuilen zo’n aftakeling bezorgen, dat we – als we aan dit beeld vast willen houden – onze maatschappij kunnen zien als een soort `akro­polis’, waar half-vergane zuilen nog getuigen van een rijk verle­den. Ze hebben evenwel de functie die ze hadden, verloren. En terwijl de ontzuiling in volle gang is, verschijnt de laatste twintig jaren, als een wonder fenomeen op deze akropolis: de refor­matorische zuil. Ze is zo indrukwekkend, dat zelfs de overheid er niet omheen kan ze te erkennen, op allerlei terreinen van het openbare leven, en terecht. “Uit de brokstukken van een deconfessionaliserende samenleving rijst met name vanaf de jaren zestig een nieuwe zuil: de reformato­rische, onwankelbaar en nog altijd toenemend in kracht”, lezen we in het Jubileumnummer van Koers.

Laat ik nu – voor het gemak en omdat we ons daartoe willen beper­ken – het beeld van de verzuiling en ontzuiling alleen op het onder­wijs toepassen: Moeten we nu zo dan ons reformatorisch onderwijs zien als een vereenzaamde, weliswaar nog redelijk goede zuil, in een zuilengalerij, waarvan de andere zuilen afgetakeld zijn? Anderen zoeken de vrijheid en blijheid van de open lucht – een open maatschappij – terwijl wij krampachtig onze reformatorische zuil intact willen houden? Och ja, er staat nòg een zuil: een vrijgemaakte. Maar moeten die twee zuilen samen nog een dak dragen? Of ieder op zich? U voelt het misschien wel aan: ik ben niet zo gelukkig met dit beeld van de zuilen; ik wil het liever kwijt. Het voldoet niet. Het vol­deed trouwens nooit. Ieder die artikel 36 van de NGB nog ernstig neemt – en dat doen we toch allen? – of ieder die het ideaal van Groen van Prinsterer: een openbare christelijke school nog niet vergeten is, kan toch niet tevreden zijn met een organisatiestructuur waarbij men een andere godsdienst en levensbeschouwing als gelijkwaardig accepteert? We koesteren in een tijd van ontkerstening enerzijds nog steeds het verlangen naar kerstening van heel ons volk; anderzijds willen wij waken over een erfenis, die het waard is doorgegeven te worden aan volgende generaties. Zie mijn overstap naar een andere beeldspraak dus niet als een zwichten voor de ontzuilende tendensen van onze tijd, of als een ondermijning van “de reformatorische zuil”, die eigenlijk toch het thema van deze bezinningsdag moet blijven. Ik wil “het reformatorische bolwerk” – als ik het even zo mag noe­men – niet kwijt! Integendeel. Ik wil die beeldspraak van de verzui­ling en ontzuiling kwijt.

Het eigene van ons reformato­risch maatschappelijk bezig zijn is van zo groot belang, dat het in een beeld van een vereenzaamde zuil niet tot zijn recht komt. Ik kies daarom voor een nieuw beeld dat toch oud is: het Bijbelse beeld van een wijngaard, een beeld dat in het Oude Testa­ment dikwijls voor het volk Israël werd gebruikt. Ook in onze reforma­torische traditie is een soortgelijk beeld in gebruik geweest, als de scholen genoemd werden “planthoven der gemeenten”. Ik zal trachten me hierbij wel te houden aan de aandachtspun­ten, die mij door uw directie aange­reikt zijn voor mijn inleiding en me beperken tot enkele facetten van het onderwijs.

Een eigen wijngaard of het eigene van ons reformatorisch onderwijs

Als we proberen ons reformatorisch onderwijs te karakteriseren naast of zelfs tegenover andere onderwijsinstituten, dan kunnen we dat doen vanuit een heel verschillende optiek. Doe je het vanuit het gezichtspunt van een buitenstaander, dan is het gevaar groot dat uiterlijke kenmer­ken zich opdringen als van het grootste belang. Doe je het evenwel van binnenuit, dan ontstaat een heel ander beeld en valt ongetwijfeld meer de nadruk op de inhoud van het onderwijs.

Je zou ook nog kunnen kiezen voor een historische aanpak en dan aandacht vragen voor grensoverschrijdende afdwalingen van het algemeen christelijk onderwijs. Ik kies eerst voor de tweede optie, de derde en eerste komen nog wel aan de orde. Als we ons onderwijs van binnenuit bezien, dan denken we aan onze verantwoordelijkheid voor onze kinderen. Verantwoordelijkheid kun je proberen af te wentelen op anderen en dat wordt op dit terrein maar al te gemakkelijk gedaan. Toch is het niet goed om de eerste verantwoordelijkheid voor goed onderwijs bij de overheid neer te leggen. Bij de doop van hun kinderen beloven ouders allereerst zelf verantwoording te dragen voor opvoeding en onderwijs van hun kind. Vervolgens zijn ze ook verantwoordelijk voor het onderwijs wat ze hun door derden laten geven. Omdat het ons om reformatorisch onderwijs gaat, wil ik graag één der reformatoren – in dit geval nu eens Luther – aan het woord laten. Hij schrijft hierover: Het recht der ouders over hun kinderen komt van God. Ieder ouder achte zijn kind een kostelijke, eeuwige schat, die God hem te bewa­ren bevolen heeft, opdat hem de duivel, de wereld en het vlees niet ombrengen. Daarom ziet toe, dat gij uw kinderen vóór alles laat onderwijzen in geestelijke dingen, dat gij ze eerst aan God over­geeft en dan aan de aardse zaken. Scholen dienen de kerk, aldus Luther. Als er meer scholen komen, dan staat het er goed bij, en de kerk blijft in stand, als de leer tenmin­ste zuiver is. Laat ons maar doctor en meester heten; jonge scholie­ren en studenten zijn het zaad en de bron der kerk. En als wij dood zijn, hoe zouden er anderen in onze plaats komen, als er geen scholen waren? Ter wille van de kerk moet men christelijke scholen hebben; want God onderhoudt de kerk door scholen en scholen houden de kerk in stand. Zij zien er wel niet zo prettig uit, maar zij zijn nuttig en nodig. Elders zegt hij: Waar evenwel de H. Schrift niet regeert, daar raad ik voorwaar niemand aan zijn kinderen erheen te zenden. Alles moet te grond gaan, wat niet zonder ophouden Gods Woord beoefent. Over de hogescholen schrijft hij: Hogescholen zijn grote poorten van de hel, indien zij niet vlijtig de Heilige Schrift beoefe­nen, en aan het jonge volk inprenten.

Bij alle onderwijs moet het geestelijk leven voorop staan en de Heilige Schrift regeren, aldus deze reformator, en daarmee zullen wij van harte instemmen. Wij willen onze kinderen voor God opvoeden en in het besef, dat ze eens voor God verantwoording moeten afleggen van hun leven. Dit leven, met alles wat ze daarvoor moeten leren om met God en met eer hun brood te verdienen, moet dus in eeuwigheids­licht staan. Zo willen we onze kinderen ook onderwijzen in het perspectief van de eeuwigheid. Omdat we in dit leven tot eer van God dienen te leven en daarom Gods wil, zoals deze neergelegd is in Zijn goede geboden tot richtsnoer voor ons leven en als leidraad voor de opvoeding van onze kinderen willen houden, willen we onderwijs dat aan Gods Woord genormeerd is. De maatstaven voor goed en kwaad halen wij niet uit eigen over­wegingen of uit de samenleving, maar uit Gods Woord.Deze beide zaken betreffen het doel en de inrichting van ons refor­matorisch onderwijs. Het hoogste doel ligt buiten de tijd: het gaat om de eer van God en de komst van Zijn eeuwige rijk. Het wordt evenwel gezocht hier in de tijd. Daarbij zijn Gods geboden zowel richtinggevend als begrenzend. God zegt wat wij moeten zoeken, maar ook wat wij niet mogen doen: “gij zult…, of gij zult niet…” Het kan in ons reformatorisch onderwijs geen doel zijn de jeugd op te voeden tot iets dat strijdt met het doel dat God aan een mensen­leven geeft. Ook zijn er ethische grenzen in de wetenschappen, die in ons reformatorisch onderwijs duidelijk getrokken moeten worden (denk b.v. aan genetische manipulatie). Doel, inhoud en afgrenzing van het onderwijs zijn zo in ons reforma­torisch onderwijs karakteriserend en plaatsbepalend tussen de andere denominaties. 

Om in de beeldspraak te spreken: de vruchten zijn voor de eigenaar van de wijngaard, de wijngaard moet omtuind zijn, de wijnstokken moeten gesnoeid en de trossen gekrent. Achtereenvolgens wil ik nu graag iets zeggen over de vruchten en over de omtuining van de wijngaard. Daarbij zullen ook aan de orde komen de vragen of de verdeeldheid binnen de gereformeerde gezindte de vruchtbaarheid van de wijngaard niet belemmert en of de omtui­ning de wijngaard niet nutteloos maakt voor de wereld.

De vruchten van de wijngaard

U weet, dat het beeld van de zuil mij niet erg aanspreekt. Toch wil ik het nog even weer voor uw aandacht roepen. In het gemelde artikel in het opinieblad Koers stonden een groot aantal zuilen bij het artikel afgebeeld, die allemaal afgebroken waren. Was dat boze opzet, of kwam het onbewust voort uit de aversie tegen de verzuiling? Een feit is het, dat een nuttige zuil een kapiteel moet dragen en dienstbaar zijn voor een nuttig dak. Een gebroken zuil is het zinnebeeld voor de vergankelijkheid. Of willen we niet meer zijn dan een zuil voor een borstbeeld? Of een reclamezuil? Een zuil onder een borstbeeld heeft slechts tot doel het verleden te gedenken; we willen toch zeker in het heden leven en onze jeugd de weg wijzen naar de toekomst. Een reclamezuil mag dan de aandacht willen trekken, toch geeft zij een diversiteit aan meningen weer, dat onze reformatorische zuil hier op geen enkele wijze mee verge­leken kan worden. Nee, in de gedachte van de verzuiling speelt mee, dat de zuilen gezamenlijk een dak moeten dragen om een vorm van geborgenheid te verschaffen.

Als nu de andere denominaties tot en met het overgrote deel van de algemeen christelijke instellingen een doorbraak van de beginselen heeft geaccepteerd en opengebroken is naar de wereld, heeft het dan zin om een nieuwe, reformatorische zuil op te richten, zo mogelijk nog steviger dan alle vroegere zuilen? Wat zal die zuil dragen, wat heeft ze voor nut in een open maatschappij? U voelt wel dat het gemakkelijk is om in deze beeldspraak kritiek op de zuil uit te oefenen. Daarom wil ik dan ook van dit beeld af.  Het eerste nut van ons bezig zijn is niet voor het hier en nu, niet voor de overheid of voor de maatschappij, maar het gaat ons om de eer van God en de komst van Zijn koninkrijk. Wij dienen onze kinderen voor God op te voeden en de scholen dienen planthoven der gemeente te zijn. De vruchten moeten zijn voor de bezitter van de wijngaard: voor God en Zijn Zoon. Dit is nu juist iets, wat wij onze leerlingen nooit geven kunnen. Het helpt niet als we maar gaan veronderstellen, dat er vanzelf allerlei edele vruchten zijn. We gaan toch niet uit van een “veron­dersteld geloof”? Nee, maar ook niet van het tegenovergestelde. Al kunnen wij de vruchten niet bewerken, God kan het wel en heeft het misschien hier en daar al gedaan. Zeker is het mogelijk dat er leerlingen op school komen, die teer de Heere vrezen. Ook is het mogelijk dat anderen het zaad der wederge­boorte in het hart valt terwijl ze op school zijn. Maar laten we duidelijk zijn: wìj bekeren onze kinderen niet. Daarom dient het gebed ook in het schoolleven een grote plaats te hebben. We zijn in alles afhankelijk van God: de docenten in het lesgeven en voor de nodige wijsheid in de omgang met de leerlingen, de leerlingen in het les krijgen en voor de gepaste onderwer­ping aan het gezag. En allen ten aanzien van de indrukken en de uitwerking van het werk dat op school gedaan wordt. Alleen God kan het door Zijn Geest dienstbaar maken voor de verheerlijking van Zijn Naam en de komst van Zijn Koninkrijk. Hij gebruikt evenwel mensen, met name bij de toerusting van hen die hem zullen dienen. En dit zijn niet alleen de docenten voor godsdienstonderwijs. Moet dan iedere docent godsdienstonderwijs geven? Ja, dat moet hij of zij zeker: lesgeven in de dienst van God. Economie in eeuwig­heidslicht. Kennis van de door God geschapen natuur, die Hem moet verheerlijken. Het grote levensdoel mag door de docent voor licha­melijk opvoeding niet vergeten worden en de normen van  goed en kwaad doen mee bij de biologie-lessen. 

Samenvattend: de talenten die de leerlingen moeten leren gebrui­ken, moeten ze leren gebruiken ten goede en niet ten kwade. Daarbij moeten ze hun verworven goed leren verdedigen met geestelijke wapenen. Want het christen-zijn in deze wereld zal voor de leerlin­gen een strijd worden. De tegenstel­lingen zijn groot: de wereld leeft voor een heel ander doel, op heel andere wijze.  De eerste confrontatie, na het verlaten van de school, wordt daarom nogal eens ervaren als een in het diepe gegooid worden zonder geleerd te hebben om te zwemmen.

Wat heeft de leerling nodig om deze confrontatie aan te kunnen? De geestelijke wapenrusting van Efeze 6. Wat Paulus schrijft, is nog waar: Ef. 6:12,13: Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom neemt aan de gehele wapenrus­ting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. 

Onze jeugd moet gewapend worden, hoewel we goed moeten beseffen, dat dit de geestelij­ke wapenen dienen te zijn van de gordel der waarheid, het borstwapen der gerechtigheid, de schoenen van de bereidheid van het Evangelie, het schild des geloofs, de helm der zaligheid en het zwaard des geestes. Ik kan dit in het verband van mijn onderwerp maar kort noemen, maar ik wil graag uitdrukkelijk stellen, dat dit een heel belangrijk aspect van ons reformatorisch onderwijs is. De leerling moet de goede strijd leren strijden in zijn leven. We staan in een van God vervreemde, zondige, wereld. Wijzelf staan door onze geboorte uit christelijke ouders niet vanzelfsprekend weer aan de goede, dat is aan Gods kant. Wedergeboorte en persoonlijk geloof zijn zaken, die nodig zijn om aan de goede zijde te strijden, en deze wapenrustig te leren hante­ren, met een hart dat brandt van liefde voor de zaak van God: de eer van Zijn Naam, de komst van Zijn rijk en het geschieden van Zijn wil. Het zou moedbenemend zijn als we niet meer zouden zien als een zondige natuur in ons, en een vijandige wereld, waar de duivel de overste is, buiten ons.  Er zijn geestelijke wapenen, die God ons aan kan reiken in een strijd die Hij Zelf ons kan leren. Ook is er een Overwin­naar, Wiens naam iedere christen zegt te dragen. Dan zou hij toch ook Diens zalving moeten begeren; dat de genadige hulp van die Profeet, Priester en Koning, Die Jezus Christus zijn de Heere. Alleen door Zijn werk zijn er goede vruchten in het onderwijs. Zoals nu in een wijngaard de vruchten ten diepste geen werk van de arbei­ders zijn, zo zijn de goede vruchten van ons onderwijs geen presta­tie van de onderwijsgevenden. Alleen door Christus worden harten vernieuwd om Hem te dienen in de goede strijd, op de plaats, waar Hij ons stelt. Van Hem alleen moet onze verwach­ting zijn.

Verdeeldheid in de wijngaard. 

Binnen ons reformatorisch onderwijs treedt de kerkelijke verdeeld­heid op verschillende manieren in het licht. Soms wordt er blijd­schap bespeurd over de mogelijke samenwer­king en het nut daarvan. Soms ook hoor je negatieve klanken. “Reformatorische zuil door versplintering voos”, aldus kop in RD op 12 september. dr. ir. J. v.d. Graaf tijdens eerste lustrumcongres van de Vereni­ging voor Christenhis­torici. Hij acht “de identiteit van de refor­matorische gezindte in feite voos”, omdat ze uit splinters bestaat. Enerzijds is er het algemeen betwijfeld christelijk geloof, anderzijds wordt het gereformeerde overtroffen door het gerefor­meerdste (cit. ds. Abma). Dit is een duidelijk voorbeeld van zware kritiek op de verdeeldheid binnen de reformato­rische zuil. De versplintering ontneemt de zuil haar kracht. Laten we evenwel dit beeld ook nu verlaten en ons liever afvragen of het afzonderlijk zorgen voor bepaalde wijnran­ken er nadelig zal zijn voor de vruchtbaarheid. U begrijpt dat je dan een heel ander antwoord krijgt.

De kerkelijke verdeeldheid is voor het schoolgebeuren niet van diepgaande invloed, zolang de verschillende kerkgenootschappen – of mag ik kerkgemeenschappen zeggen? – dezelfde Bijbelse grondslag hebben, eenzelfde doel hebben met hun onderwijs, eenzelfde inhoud willen geven aan de stof en eenzelfde begrenzing ten aanzien van wat goed en kwaad is. Daarom mogen in het reformatorisch onderwijs meestal alleen die (plaatselijke) gemeen­ten meedoen, die de Drie Formulieren van Enigheid aanvaarden, ook als grond­slag voor het hele schoolgebeuren. Deze formulieren zijn duidelijker dan velen willen weten, ook op het terrein van de noodzakelijke wedergeboorte en bekering. De docenten dienen deze te kennen (het zou de moeite waard zijn om op onze reformato­rische scholen hiernaar een onderzoek te doen!) om de inhoud te laten doorklinken in hun onderwijs en de leerlingen vinden hierin doel, normering en begrenzingen voor leer en leven. Een goed functioneren van deze belijdenisgeschriften zou ongetwij­feld het gevoel van samen te horen versterken, want wezenlijke verschillen kunnen er bij de handhaving van deze rijke geschriften beslist niet zijn.  Nu zullen er ongetwijfeld nog verschillen zijn op het terrein van de ethiek. Kleding, opmaak, t.v.-bezit, en andere ethische kwesties worden door sommige scholen aange­scherpt, door anderen veronacht­zaamd. Graafland spreekt over traditie met een kleine `t’, in tegenstelling tot de Traditie met een hoofdletter. Ik denk dat hij de zaak iets te simpel voorstelt, als hij allerlei zaken op dit gebied tijd- en cultuurgebonden ziet. Gods Woord heeft echt wel uitspraken over kleding, haardracht, opmaak en wereldzin, die niet gerelativeerd moeten worden. Ik denk juist dat ze gerela­teerd moeten worden aan een leven naar Gods wil.

Een andere zaak is, hoe je met “volkszonden” om moet gaan, als ze niet het wezen van de heilsboodschap betreffen. De botte bijl werkt dan meestal niet heilzaam. Zachte drang is beter. Laat deze zaken toch niet te zwaar benadruk worden, maar als een vanzelfsheid aan het begin van de schoolperiode aan de leerlingen worden meegedeeld. Er zijn zoveel schoolregels. Daar hoort ook bij, dat je goed gewas­sen op school komt en dus niet geschminkt, dat meisjes zedig gekleed zijn, in een rok of jurk, dat niemand een draagbare radio of televi­sie meebrengt en dat het roken in school verboden is. Er is behoefte aan duidelijkheid. Een schooluniform zou nog zo gek niet zijn, maar onze Nederlandse volksaard wil daar kennelijk niet aan. Laat de leerlingen, die zich sterk afwijkend kleden, er toch maar vast mee beginnen. Zorg bij de regels, als daar vragen over zijn, voor een Bijbelse argumentatie, maar laat het niet steeds weer een punt van discus­sie worden.

Een omtuinde wijngaard

De reden van het ontstaan van de reformatorische zuil op het terrein van het onderwijs wordt algemeen gezien als veroorzaakt door de vervlakking in het algemeen christelijk onderwijs, en terecht. Het opvoedingsdoel kwam in deze wereld te liggen, de school kwam open te liggen naar en voor de wereld, waar door allerlei kwade invloeden zich mochten doen gelden en men liet een wildgroei toe en weigerde het snoeimes te hanteren, waar dit voor een goede vrucht noodzake­lijk is. Omdat met name in de praktijk de Bijbelse normen geen rol meer speelden, voelde men zich toen op veel plaatsen genood­zaakt eigen scholen te stichten. Men wilde een omheining om de wijngaard. Het verwijt, dat de gestichte reformatorische scholen nu die algemeen christelijke scholen leegzuigen moet niet bij ons neerge­legd worden. Dat hebben zij zelf veroorzaakt, door af te dwalen van hun eigen beginselen. Een wijngaard zonder omtuining en zonder snoeien of krenten, geeft immers geen goede vrucht. De kritiek op de reformatorische zuil wil ik weerleggen met de verdediging van de omtuining van de wijngaard. De kritiek is voor­namelijk vierderlei: 

a. Het zou slechts een kwestie van tijd zijn, of ook deze nieuwe zuil gaat eraan. Men ziet ze als een cultureel verlate, krampachti­ge poging om het oude te behouden, in een wereld, die toch in hoog tempo doorgaat met veranderen. Men loopt slechts wat achter.

b. Een tweede soort kritiek die ik hier wil noemen is, dat men de reformatorische zuil ziet als een verbijzondering van de algemeen christelijke. Later zal er wellicht weer een verbijzondering zijn. Is het geen repeterende breuk?

c. In de derde plaats bekritiseert men de barrière tussen school en wereld. Hoe meer men zich opsluit, hoe meer men zich afsluit. De leerlingen worden alleen maar meer wereld­vreemd en kunnen straks de overstap naar het maatschappelijk leven niet aan. Zijn er al niet veel symptomen die daarop wijzen?

d. In de vierde plaats vindt men dat er door het leven in een afge­sloten zuil geen enkele goede invloed meer van ons uitgaat op de wereld. We zouden opener moeten zijn naar de wereld, meer midden in de wereld moeten staan als een zoutend zout en als een lichtend licht.

Over alle vier punten van kritiek iets:
De eerste twee neem ik samen. Wat het achteraankomen, ook in het verval betreft, moeten we niet optimistisch zijn. Dit is een proces dat al zo oud als het christen­dom is: afkalving naar de wereld of verwereld­lijking is er altijd geweest en zal er altijd blijven. Dit betekent niet dat er geen voortdu­rende vernieuwing plaats vindt, van binnenuit, of liever: door het werk van God. Daarom zijn we ook niet pessimistisch. Maar zie dit liever niet in het beeld van de vereenzaamde zuil, maar liever in het beeld van de omtuinde wijngaard. Nogmaals: er moet een wijngaard blijven, die een omheining kent en waar goed gezorgd wordt voor de wijnstok­ken. Wordt een oude wijngaard opengegooid, worden de wijnstokken niet meer gesnoeid en de trossen niet meer gekrent, dan moet er inderdaad een nieuwe wijngaard geplant worden. Of, om concreet te zijn: als het algemeen christelijk onderwijs opengebroken wordt en allerlei boze invloeden hun werk mogen doen, op de leerlingen, dan stichten wij een reformatori­sche school, waar gewaakt wordt tegen kwade beïnvloeding, waar wel normen zijn en alles niet mag. Dit laatste is tevens de weerlegging van het tweede punt van kritiek: de mogelijk repeterende breuk. Laat die dan maar repeteren. Ook de tweede twee punten van kritiek neem ik samen.

Wat de afsluiting naar de wereld betreft, dat is inderdaad een gevaar dat onder ogen moet worden gezien. Onze jeugd moet niet van de wereld zijn, maar wel in de wereld staan. Het onderwijs moet de ramen naar de wereld open hebben. We moeten de leerlingen kennis geven van de wereld, waar ze straks hun plaats in zullen nemen. Je zult ze bij alle leerstof, die zo mogelijk vanuit eigen methoden wordt aangereikt, ook iets meedelen van de opvattingen zoals deze in de wereld gehuldigd worden. Laat dit niet vergeten worden! Maar laat het van een waardeoordeel voorzien worden. Alle gedachten die bij mensen opkomen, zijn niet goed. Zie dit als het snoeien en krenten van de wijngaard en de druiftros­sen.

De plaats van de wijngaard 

Een laatste vraag, waarvoor ik kort de aandacht vraag, is de vraag naar de plaats van de wijngaard in de wereld. Staan we nu tegenover, naast of in onze tijd? Ik denk dat de dilemma’s in zo’n vraagstelling niet helemaal juist zijn. We vereenvoudi­gen graag de moeilijkheden, met alle kwalijke gevolgen daarvan. Deels staan we inderdaad tegenover onze tijd, en dan vooral wat betreft de “tijdgeest”.  De antithese moet werkelijkheid blijven, zolang de zonde werke­lijkheid is en deze bestreden moet worden op alle terreinen van het leven, te beginnen in ons eigen hart, en uit te breiden tot alle levensterreinen buiten ons. De roeping van de christen blijft: “Gij geheel anders.”

Als ik dit verduidelijken mag met het beeld van de wijngaard: er moet een omtuining zijn voor de wijngaard. Anders komen de vossen en verwoesten de jonge druifjes of er komt zelfs een zwijn, die de wijngaard omwroet. Deze omtuining houdt ook in, dat niet ieder zo maar binnen mag dringen in ons onder­wijs. We laten niet iedereen voor de klas. Uiteindelijk wordt daar het eingelijke werk gedaan; daar worden de leerlingen beïnvloed en geleid. Dit betekent ook een kritisch toezicht op de video’s die op sommige scholen wel eens te gemakke­lijk worden gebruikt ter vervanging van de benoemde leerkracht. Ook betekent dit, dat men moet weten wei men binnenhaalt, of waar men de leerlingen brengt, als men voor deze of gene zaak personen onder­wijs laat geven, die buiten de Bijbelse grondslag staan. We moeten zuinig zijn op onze wijngaard om de vruchten niet te verderven, maar met zorg op te kweken. We willen niet naast onze tijd staan. De wereld gaat niet aan ons voorbij, of wij aan de wereld, alsof we geen boodschap hebben aan de wereld! Dat hebben we juist wel Daar zijn we toe geroepen, Dat moeten onze kinderen ook weten, als ze straks midden in deze wereld hun werkkring zullen vinden.

Grote consternatie was het gevolg van een negatief RD bericht over de leerlingen-enquête, waarin gesteld was dat het onderwijs op onze school voor een groot deel aan haar doel voorbij zou schieten omdat veel leerlingen zich niet genoegzaam toegerust vonden voor de geseculari­seerde maatschappij. Het onjuiste in de berichtgeving is inmiddels gelukkig recht gezet. De vraag in hoeverre leerlingen daarvoor toegerust kunnen worden heb ik  hierboven al beantwoord toen ik sprak over “de vruchten van de wijngaard”. Een vrucht voor God is, als door ons christelijk leven de naast voor Christus gewonnen wordt. We moeten inderdaad ons meer richten op de wereld. Sommigen denken dat we dat moeten doen door “onze zuilen af te breken” om dat beeld nog eens te gebruiken. In  mijn beeld zou dat betekenen: de wijngaard openbreken. Ik geloof niet dat dit nuttig is. Van der Schans zegt, in het genoemde interview in Koers, dat we zonder als die reformatorische organisaties waarin we ons opslui­ten, veel meer aan het front zouden vechten. Hij beoordeelt ze duidelijk negatief. Ik denk dat we ze beter moeten gebruiken en ons daardoor niet op onszelf moeten richten, maar naar buiten.

Ik ga besluiten. Ik zie u bezig, niet aan het bouwen van een vereenzaamde zuil, die versplintert onder het bouwen. Ik zie u werken aan een wijngaard, waar kostelijke wijnstokken staan, geplant voor de vrucht. Door Gods zorg is er de wijngaard en zijn er de wijnstokken. Wat zal er van worden? Zal God er eens van zeggen, wat Hij van de wijnstok van Israël heeft gezegd: Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veran­derd [in] verbasterde ranken van een vreemden wijnstok (Jer. 2:21)? Het is niet goed de omheiningen weg te breken; de vossen zullen de jonge druifjes vernielen, ja, de zwijnen zullen de wijnstok omwroe­ten. Draag liever trouw zorg voor de wijnstokken. Spaar het snoei­mes niet. Geen plant, die het zo behoeft, als de wijnrank. De vrucht wordt er te edeler door. Maar besef wel: De wijnrank staat er niet voor het hout. De school staat er niet voor zichzelf. Ze staat er voor de vrucht.