Een oudvader op de preekstoel

Bij een kerkvisitatie wordt aan een kerkenraad altijd door de visitatoren gevraagd of er in de gemeente ook wel eens oudvaders gelezen worden. Dikwijls blijkt al uit het nazien van de lijst van gelezen preken dat dit niet zo vaak gebeurt en we hebben daar wel begrip voor. Meestal wordt gezegd dat de gemeente ze te moeilijk vindt en dat je rekening moet houden met de jeugd. Ook wordt vaak genoemd dat de oudvaders onze tijd niet zo begrijpen en de slotconclusie is dan meestal dat men toch beter preken kan lezen die in de laatste eeuw geschreven zijn. Meestal, maar niet altijd. Want onlangs hoorden we bij een visitatie in een gemeente een ander geluid. Jongeren uit de gemeente hadden goed geluisterd naar een preek van een oudvader en na de preek kwamen opmerkingen naar voren als: ‘Wat sprak die dominee de mensen aan,’ en: ‘Veel dominees durven nu niet te zeggen wat in deze preek naar voren kwam.’ Men wees dus op opmerkelijke verschillen, waarbij die jongeren beslist niet negatief dachten over oudvaders. Als je dat hoort, vraag je als predikant je meteen af, of je de gemeente wel genoeg aanspreekt, en ook welke dingen het kunnen zijn die wij niet durven zeggen zoals onze vaderen die wel durfden uit te spreken. Het zal niet goed zijn als we over de hoofden heen spreken of de waarheid alleen maar beschouwelijk voorstellen, zonder een toepassing met aanspraak. Wel is het zo, dat onze vaderen dit nogal eens aan het slot van de preek deden, terwijl wij gewend zijn het door heel de preek heen te doen. Ook hebben Engelse en Schotse oudvaders vaak een heel andere opzet van de preek, met name omdat ze vaak veel preken over één tekst hielden. Maar welke verschillen er ook kunnen zijn in opbouw, we mogen niet vergeten de boodschap toe te passen op de hoorders en daarom ieder op een bepaalde tijd aan te spreken. 

Het tweede punt betreft de dingen die gezegd worden. Durfde men vroeger meer te zeggen dan nu? Ik denk dat we vaak bevreesd zijn om eenzijdig te zijn en dat onze vaderen dit minder hadden. Een kritisch gehoor kende men vroeger veel minder dan nu en dat kan predikanten ertoe brengen te proberen kritiek voor te zijn en zoveel mogelijk in één preek te zeggen. Natuurlijk moeten we de volle raad Gods verkondigen, maar onze vaderen wisten wel dat je dit moet bezien over het geheel van iemands bediening en in onze tijd wil men wel eens alles horen in een enkele preek.

Hoe het ook zij, ik denk dat we er goed aan doen als predikers en als hoorders samen veel van onze geachte vaderen te leren en dus hun geschriften te lezen. De boodschap van Gods Woord die zij liefhadden, is niet veranderd en de Heere bekeert de mensen niet op een andere wijze als toen. Hij zegene genadig wat hij ons als overjarig koren naliet, of – om een ander beeld te gebruiken: laten we niet als de Filistijnen doen, die de bronnen van de aarsvaders toestopten, maar laten we ze als de knechten van Izaäk maar opdelven. Wellicht mogen we dan ook nog eens zeggen: ‘Rehoboth, de Heere heeft ons ruimte gemaakt!’     

C.J. Meeuse