Psalm 119 vers 3

GEEN ONRECHT MAAR RECHT

Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen (Ps.119:3)

Lezen: Psalm 119 vers 1-8

Wij hebben nu de eerste acht verzen van Psalm 119 gelezen, want het derde vers hoort bij het eerste en tweede. Het woord ‘welgelukzalig’ moet er ook voor staan. Welgelukzalig zijn die ‘ook geen onrecht werken, maar wandelen in zijn wegen’. Het gaat nog steeds over de zaligspreking, waar ook de eerste twee verzen onder vallen. Het is een zaligspreking van hen die oprecht zijn van wandel, zagen we, die de wet des HEEREN gaan, die Zijn getuigenissen onderhouden en die Hem van ganser harte zoeken. Vier kenmerken van hen die zalig gesproken worden, zijn al genoemd. Hier staat nu een ander kenmerk, een negatief kenmerk. Hier staat iets wat we juist niet moeten doen. In de eerste twee verzen staat wat we wel doen. Hier staat, wat we moeten nalaten: namelijk onrecht werken. 

De wereld is vol onrecht. Hoe komt al dat onrecht in deze wereld? Dat komt niet anders dan door afbuiging van het recht. Anders heet het geen onrecht. Welk recht? Het recht van God, de wil van God. Het heeft alles te maken met de weg ten leven. Het is waar. In het paradijs was het leven van Adam en Eva recht in alles. Zij hebben zich verlustigd in de wil van God. Er was geen onrecht. Ze hadden het recht lief. Maar zij hebben hun weg verdorven en zijn van God en van het recht afgeweken om niets dan onrecht te doen. En wij zijn hun zaad en willen in ons leven in de voetsporen van onze voorouders wandelen: onrecht werken; we zien het in het leven van ieder mens. Er is een beginsel dat voortdurend van God wil afwijken. Het recht buigen, zelf uitmaken wat goed of kwaad is. En dat heeft niets met het recht Gods meer te maken. Dat is de mens ten voeten uit door de zondeval: zelf zeggen wat goed is; maar dat is niet hetzelfde wat God goed noemt. Dan zoekt de mens niets dan zijn eigen lusten. Wij willen dan goedpraten wat zonder God bedacht wordt. Weet u waar dat onrecht werken zijn oorsprong vindt? Ja dit beginsel van deze hele wereld vindt zijn oorsprong in de breuk die geslagen is tussen God en de mens. En in ons eigen leven? Het werken van onrecht vindt zijn oorsprong in het bedenken van onrecht. En het bedenken van onrecht doet de mens als hij Goddelijk licht mist. Als we onbekeerd voortleven, is het leven eigenlijk niet anders. Zag u het al zo? Hebt u zo uw onbekeerde staat al leren kennen? Het is onze breuk, als we zonder God voortleven en dat niet zo zien. Dat we niet zien dat ons bedenken al onrecht is. Het vindt zijn oorsprong in een leven dat in duisternis gehuld is door de zonde. De mens die God niet kent, die de wil van God niet van harte bemint, ach, die bedenkt voortdurend wegen om te handelen naar het goeddunken van eigen hart. In kleine dingen en in grote dingen leeft hij zo dat hij denkt dat zijn weg recht is. Er is een weg, zegt Salomo, waarvan men denkt dat ze recht is, maar het laatste van die zijn wegen des doods. Men denkt dat ze recht is. Maar het is het eigen oordeel. Het is het bedenken van het vlees, zoals Paulus voor zijn bekering dacht dat zijn weg recht was. Hij meende dat er in zijn leven geen zonden meer waren, maar het was niets dan zonde. Niets dan onrecht. Er is Goddelijk licht nodig om te zien dat wij van nature niets dan onrecht bedenken, omdat we onszelf in het middelpunt stellen, onszelf liefhebben boven alles. Al ons doen en denken is op onszelf gericht. Het is een koesteren van het ik. De liefde tot onszelf en het is niets dan vijandschap tegen God en ook tegen de naaste. Zie hier de bron van allerlei onrecht in handel en wandel. Het begint bij het bedenken van het onrecht. De dichter spreekt daarvan in de 36e psalm, het eerste vers. Maar al te zeer willen wij dan met de vinger wijzen naar goddelozen in waar het zichtbaar is, als daar geschreven wordt van 

Het trots gedrag des bozen doet
Mij spreken in ’t beklemd gemoed:
“Gods vrees is uit zijn ogen,”
Wijl hij zolang zichzelven vleit,
Tot God zijn ongerechtigheid
Niet langer kan gedogen.
Bedrog en onrecht spreekt zijn mond:
’t Verstand laat na, den waren grond
Van ’t weldoen op te merken;
Des nachts is ’t kwaad zijn overleg.
Hij stelt zich op een bozen weg,
En schuwt geen snode werken.

Misschien heb je iemand in de gedachten die de Heere niet vreest, die zichtbaar in de goddeloosheid opgaat en ondergaat. Maar besef toch: het is de natuur van ieder mens. We hebben van nature niet anders dan een trots gedrag. We hebben geen Godsvreze in onze ogen en hart. Heb je jezelf al eens gezien? Als we onszelf vlijen? Als er bedrog en onrecht in onze mond is omdat het verstand de waarheid niet liefheeft en God niet kent. Als we God niet liefhebben, laat het verstand na ‘de ware grond van ’t weldoen op te merken’. En dan ligt men ’s nachts met kwaad zijn overleg. Dan ligt men des nachts soms te bedenken hoe men een ander naar beneden kan krijgen, om zelf omhoog te komen. Dan zoekt men over de rug van anderen zichzelf te handhaven onder de mensen. Dan is men niet bevreesd om een ander kwaad te doen en diens naam te lasteren, om kwaad te spreken, om een slecht gerucht van anderen te verspreiden. ‘Des nacht is ’t kwaad zijn overleg. Hij stelt zich op een bozen weg, en schuwt geen snode werken.’ Dat is het soort ‘recht’ dat we van nature koesteren. Dit is onze aard door de zonden geworden. zolang het verstand nalaat den ware grond van het weldoen op te merken. Zolang er geen Goddelijk licht over ons hart en over ons leven valt, zolang we het recht van God niet kennen en niet liefhebben, bedenken en doen we niets anders dan onrecht. Het blijft niet allen vanbinnen, maar het komt ook tot onrecht werken. 

Het is vaak niet uitwendig zichtbaar, zodat ieder het merkt. Het woord van God legt op ons vaak nog beslag, zodat we zichtbaar het kwade niet boven het goede stellen. Dan noemen we toch diefstal nog wel zonde. Dan willen we van doodslag nog niet weten. En dan zijn er toch nog wel mensen die Gods dag in eer willen houden. En ga de andere geboden ook maar na. Dan lijkt het onrecht afwezig te zijn in ons leven, in onze daden. Maar er zijn ook daden die in het verborgene gedaan worden. Er zijn ook woorden die ergens uit voortkomen en die ons ingegeven worden. Waarom moesten we het kwaad van die man of vrouw verder vertellen? Wat was toch de begeerte van ons hart, om een ander een hak te zetten? Niemand weet het, maar God weet het; Hij heeft het gezien. Dan kan er toch nog onrecht in onze werken zijn, vooral in verborgen werken; dan zijn dat werken der duisternis. De mens van nature is listig in het bedrijven van het kwaad. Hij zoekt zijn eigen naam schoon te houden, zodat die geëerd wordt in zijn eigen kring, terwijl evenwel God het hart aanziet. En God kent het bedenken des vleses wel, dat niet anders is dan vijandschap tegen God. Vindt u dat niet allemaal harde woorden? Zijn het woorden die u neerslaan? Weet toch, dat het nodig is dat het Woord van God ons aan onszelf ontdekt. We kijken altijd maar naar een ander. We willen kwaad altijd maar bij een ander zoeken. Maar als God ons bekeert, wordt het waar wat tegen David gezegd werd door de profeet Nathan: ‘Gij zijt die man’. Of: Gij zijt die vrouw, die onrecht bedacht, die onrecht werkte. Maar dan kan niet van ons gezegd worden: welgelukzalig! Want welgelukzalig zijn zij die geen onrecht werken. O, is dat onze benauwdheid al geworden? Als we zien dat we op onze weg doemwaardig zijn? Dat we niet op weg zijn naar de gelukzaligheid, maar naar de rampzaligheid? En dat die verdiend is? En dat is recht. Want God kan niet anders dan toornen over het onrecht. Hij die het hart aanziet, zal ons eenmaal oordelen. Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht. Hij zal eenmaal terug komen op de werken die we gedaan hebben. Hij zal terug komen op het onrecht in onze handel en wandel, in ons spreken, maar ook is ons denken. Die onrecht zaait, zegt Salomo, zal moeite maaien. We kunnen onze aandacht wel vestigen op anderen, maar ieder moet zijn eigen pak dragen. Daarom zegt David, ‘Benijd hen niet die onrecht doen’. Het is beter, dat een ander u onrecht aandoet, dan dat u een ander onrecht aandoet. Het is beter kwaad te lijden, het beter slecht, goddeloos behandeld te worden, dan zelf een ander goddeloos en onheus te behandelen. Benijdt hen niet die onrecht doen. Die onrecht zaait, zal moeite maaien. Zo leert ons Gods Woord. Maar als wij onszelf leren kennen als iemand die onrecht dacht, die nog onrecht doet, o, waar we vrezen dat dit woord ons niet zalig spreekt, maar ons de rampzaligheid spreekt, daar mag dit woord tot bekering leiden! Daar kan dit Woord door God gebruikt worden, om ons bekend te maken met onszelf. En met ons arglistige hart, met ons door de zonde doortrokken leven; daar zou het kunnen leiden tot een gebed, zoals we dat ook in Gods Woord vinden en zoals Daniël gebeden heeft. Hij had zijn leven ook niet rechtvaardig kunnen bewaren en het volk had het er ook niet naar gemaakt, dat zij genade verdienden. Weet dat waar God de bekering werkt, wij daar zondaar worden, die zonden en onwaardigheid leren kennen. Daniël zegt: “Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.” Daniël sprak voor zichzelf en voor zijn volk en dan kan hij niet anders dan wij onrecht belijden. “Wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands. Maar hij zegt: Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten gelijk het is te dezen dagen.” (Dan. 9:5-7).

Dan heeft hij niets meer verdiend dan toorn, en dan hoopt hij toch nog op God. Want, zegt hij, bij ons is beschaamdheid der aangezichten, maar bij de Heere onze God, zijn barmhartigheden en vergeving. Geliefden, daar is bekering mogelijk van zo’n snood en goddeloos leven, dat vol onrecht is. Maar de vernieuwing van het hart, dat niet anders doet dan onrecht bedenken, is mogelijk, en dan is ook vernieuwing van het leven mogelijk. Dat is de ware bekering! Ze bestaat in deze twee stukken: het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Dat is: de ontdekking aan het onrecht dat we deden en de dood daarop te schrijven; maar het is ook iets anders te gaan zoeken. Het staat ook in onze tekst. Het is: naar Gods wegen te willen wandelen! Dat is de opstanding van de nieuwe mens. Job die zegt: “Heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen”. Dat is de taal van hen die de Heere lief krijgen. Ik zal het niet meer doen; ik zal de zonde haten en vlieden. 

O, wat een pijnlijke weg dan als men een begeerte in het hart krijgt om in heel het leven het goede te doen, niet het onrecht maar het recht te zoeken, als men het onrecht gaat haten en dan toch dagelijks weer onrecht terugvindt in eigen leven! Toch weer zonde gedaan te hebben, toch weer verkeerd gesproken, toch weer gedaan wat niet recht is voor de heilige God; weer zonde met zonde vermeerderd. ‘Ik ellendig mens’, zo is de klacht van hen die het recht lief kregen en die gedurig weer, ja toch, onrecht inleven. Die kunnen niet meer opklimmen tot de hoogten, waarop ze kunnen zeggen: ‘Nu heb ik recht gesproken, nu heb ik recht gehandeld’. Maar nu is er Eén geweest, Die op die hoogte stond. Het is Gods Zoon, Die op die hoogte staat en Die het goed heeft gedaan. De Zoon van Gods eeuwige liefde heeft geen onrecht gekend. Hij is overgegeven tot in de dood, als ware Hij de grootste onrechtvaardige, als ware Hij de snoodste schuldenaar. Het heeft God goed gedacht, Zijn Zoon voor onrechtvaardigen, voor doodschuldigen in de dood over te geven. O, Hij die geen zonde gekend heeft, zegt de apostel, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Dat mocht Paulus weten voor zichzelf, als een woord tot een onrechtvaardige gesproken. Hij mocht zien dat Christus voor zulke onrechtvaardigen die in hun leven zoveel onrecht hadden gedaan, de dood was ingegaan om hen het leven te schenken. Jesaja heeft van Christus mogen profiteren, dat Hij bij de rijken in Zijn dood is geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch geen bedrog in Zijn mond geweest is. Hij was rechtvaardig. Toch is Hij als een onrechtvaardige behandeld door de heilige God, opdat Zijn volk door Zijn verdiensten gerechtvaardigd zou worden, zodat zij onder de schaduw van Zijn vleugelen een Toevlucht zouden vinden. Een Toevlucht, om de toorn van God, die woedt tegen het onrecht, de ontvlieden. Om daar te ervaren dat die Man een schuilplaats is tegen de wind en een verberging tegen de vloed. Waar ons eigengerechtigheid afgebroken wordt, wordt een onrechtvaardige aan de voeten gebracht van Hem, onder de vleugelen van Hem, die geen onrecht gedaan heeft. O, daar verandert het leven. Daar wordt waar wat in ons vers staat: zij werken geen onrecht meer, maar wandelen in Zijn wegen. Het wordt al in het vorige vers in beginsel verklaard: Ze gaan de Heere van ganser harte zoeken. Dat van ganser harte zoeken van de Heere hangt samen met het geen onrecht meer willen doen. Want het gaat niet samen te zeggen dat je de Heere zoekt, terwijl je de zonde met twee handen vasthoudt. Denk aan je boezemzonde, welke zonde dan ook, maar die kan je dan niet vasthouden. Denk eens aan het huwelijksformulier, waarin staat, dat als een man verbitterd wordt tegen zijn vrouw, zijn gebed verhinderd wordt! Ziet u wel? Waar het onrecht een plaats krijgt in hart en leven, daar wordt het gebed verhinderd. Dan kan je de Heere niet van ganser harte zoeken. Daarom: u moet de Heere van ganser harte zoeken, geen onrecht doen en wandelen in Zijn wegen. Dat is: niet meer in je  eigen wegen gaan; dat is: een haten en het vlieden van het bedenken van het vlees, een haten en het vlieden van de zonde en een wandelen in de wegen die zijn naar Gods wil. In grote dingen en ook in kleine dingen. Ja ook in de dingen van elke dag. In ons praten met onze vader en moeder, met onze kinderen en onze kleinkinderen. Hebben we recht gesproken? Hebben we het goede niet verzwegen? Hebben we het kwade, kwaad genoemd? In wat we doen, de wijze waarop we onze tijd gebruiken, ons geld gebruiken, enzovoort. We doen met kleine dingen grote zonden, omdat de zonde zo erg is. Zo verschrikkelijk erg. Het is zo begeerlijk om in de wegen des Heeren te wandelen! 

Is dit ons leven? Ach, zegt u, nee, geen onrecht, dat durf ik niet te zeggen. Misschien zegt u: die begeerte is er wel; dat weet de Heere. Maar dan nog zoveel onrecht te zien! Als de Heere er licht over geeft, dan komen we daar nooit boven uit. Maar er komt zeker een haten van het onrecht en een strijden tegen het onrecht in het algemeen en in het eigen hart. Hier blijft de strijdende kerk strijden tegen het onrecht in zichzelf Het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik, zegt Paulus, Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen? Begeert u die verlossing ook? Weet dan dat, dat dit woord eenmaal volkomen waar zal zijn: Welgelukzalig zijn zij die geen onrecht werken. Eenmaal in de eeuwige zaligheid; daar is geen onrecht meer. Het is de droefheid, de smart van de strijdende kerk dat steeds maar weer te zondigen; dat maakt zo moe, zo nameloos moe. Telkens weer de zonde te doen, terwijl je de zonde bent gaan haten, die vermoeidheid van te zondigen en dan te verlangen naar de tijd dat er geen zonde meer zal zijn. O, dan zullen waarlijk welgelukzalig zijn, zij die geen onrecht werken, maar wandelen in Gods wegen. Daar wordt alleen in het licht gewandeld. Als de tijd voorbij gegaan zal zijn en de Heere de Zijnen tot Zich neemt, dan zal het leed geleden, dan zal de strijd gestreden zijn. Dan is alle onrecht aan deze zijde gebleven en verlustigt men zich volmaakt in de gerechtigheid van het Lam, Dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld. Die tijd is dichtbij. Johannes heeft er op Patmos iets van gezien en gezegd: “Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.” Amen.

Psalm 90 vers 4 en 8

4. Want door Uw toorn vergaat ons kwijnend leven.
Uw grimmigheid verschrikt ons hart. Wij beven
als U, vergramd, onz’ ongerechtigheden
legt naast het recht van Uw gerechtigheden.
Verborgen zonden stelt U in het licht
van Uw verheven godd’lijk aangezicht.

8. Doe met het morgenlicht Uw goedheid rijzen,
zo zullen wij Uw Naam met vreugde prijzen,
ja, heel ons leven juichend aan U wijden.
Wil ons voortaan weer door Uw gunst verblijden,
zoals U ons bedrukt hebt en bedroefd
en lange tijd door tegenspoed beproefd.