Psalm 119 vers 4

4. Het bewaren van Gods bevelen

HEERE, Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. (Ps.119:4)

Lezen: Deuteronomium 4 vers 1 tot 9

Wij willen nu overdenken wat we lezen in het vierde vers van Psalm 119, waar David zegt: ‘Heere, Gij hebt geboden dat men Uw geboden zeer bewaren zal.’ Hij spreekt de Heere aan. Na eerst gesproken te hebben over de kenmerken van degenen die de Heere vrezen – zij zijn welgelukzalig genoemd, oprecht van wandel, gaan in de wet des Heeren, houden Zijn getuigenissen en zoeken Hem van ganser harte. Vorige keer zagen we dat zulken geen onrecht willen werken,maar wandelen in Zijn wegen. Nu spreekt de dichter – en we geloven dat het David is – de Heere Zelf aan. Hij neemt de toevlucht tot die God van wie hij gezegd heeft dat die Hem vrezen, Hem van ganser harte zoeken. 

Ach, is men met deze dingen bezig, vergaat het u dan niet vaak eender? Of bent u er niet zo vaak mee bezig? Als Gods werk en Woord in uw gedachten zijn, zijn het dan geen verzuchtingen die telkens opstijgen tot de levende God? Dan is het u geen vreemde zaak, dat David middenin zijn gedachten de Heere zelf aanspreekt. ‘Heere, Gij hebt geboden…’. O, ik ben niet bezig met menselijke zaken, met menselijke overleggingen, wil hij zeggen. Ik ben niet bezig met menselijke uitvindingen, maar ik ben in mijn gedachten bezig met Goddelijke inzettingen. O, wat een tegenstelling, geliefden! Wat een tegenstelling. Menselijke gedachten en Goddelijke inzettingen. Ook als het over de godsdienst gaat. Want het is waar. Er zijn veel mensen die in onze tijd de godsdienst zien als een uitvinding van mensen. Men spreken er over. Deze denken zo God te moeten dienen, die doen het weer anders in onze tijd, waarin niet alleen de kerkgenootschappen, maar ook de wereldgodsdiensten elkaar ontmoeten. En dat in een klein land als het onze is, dat in een stad waarin wij wonen. Daar ontmoeten wereldgodsdiensten elkaar. En sommigen spreken van Allah, anderen spreken van God, deze menen dat men zo moet dienen, die denken dat het zus beter is. Ieder heeft zo zijn eigen gedachten over de godsdienst en laten we daarom niet te veel over verschillen vechten. Ieder dient God zo het hem goeddunkt. Maar zo is het niet bij wie de Heere liefheeft. Zo is het niet bij wie God kent en wie God vreest. Die zal het niet kunnen stellen met allerlei gedachten die mensen maken over God. Met allerlei inzettingen die men maakt voor de godsdienst. O, zie hoe David hier toont waar de grond van alle godsdienst ligt. Die ligt echt niet in mensen en in hun gedachten. Die ligt niet daarin wat mensen menen voor God te moeten doen en wat ze elkaar als een juk op de schouders leggen. ‘Heere, Gij hebt geboden…’. O, hij weet dat de geboden die de Heere Zijn volk Israël gaf tot hun heil zijn. Hij weet dat het openbaringen zijn van de wil van God. Hij moet niet naar onze wil, maar naar Zijn wil gediend worden. Dat is het wat Mozes aan het volk Israël onder de aandacht wil brengen. U hebt het zojuist gelezen O, er is geen volk dat zulke inzettingen en rechten heeft als het volk Israël. Vergelijkt de wetten van het volk Israël met die van andere volkeren, dan munten ze uit in rechtvaardigheid. Dan zijn die inzettingen veel en veel beter dan die van andere volkeren. De andere volkeren maakten ze naar het goeddunken van hun eigen hart. Andere volkeren legden elkaar, de vorsten de regeringen, die legden de mensen de wetten op, verplichtingen die voortkwamen uit hun eigen hart. Maar zo niet bij het volk Israël. Dat waren het Goddelijke inzettingen. En God wist wat de mens nodig had. Wat voor de mens goed was, maar bovenal hoe de mens Hem moest dienen. En dat is het hemelsbrede onderscheid tussen alle godsdiensten uit de mensen, die men op deze wereld ook nu nog overvloedig vindt en de ene, ware rechte godsdienst, die door God zelf is geopenbaard. Daar zingt de dichter van in Psalm 147: ‘Hij gaf aan Jacob Zijne wetten, deed Israël op Zijn woorden letten. Hij leerde z’in Zijn wegen wandelen, zo wou Hij met geen volkeren handelen. Die moesten Zijn getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen. Laat dan Gods lof ten hemel rijzen, laat al wat adem heeft Hem prijzen.’ De Heere heeft geboden gegeven. Hebt u het ooit weleens als een zegen gezien? Of hebt u het altijd als een last gezien? Weet, dat het een zegen is, als God Zijn woord nog geeft. dat Hij Zijn wil openbaart, dat Hij nog zegt, nog bekend maakt hoe Hij gediend wil worden. Sinds de zondeval heeft Hij de mens, die verduisterd is door de zonde, niet overgegeven aan zijn duisternis. Zijn geboden, Zijn inzettingen moeten als een licht schijnen in onze duisternis, om ons bekend te maken wat wij niet meer weten, van nature in het geheel niet weten; om ons bekend te maken wat goed is, wat recht is en ook wat slecht is, ook wat onrecht is, zoals wij vorige keer overdachten. ‘Heere, Gij hebt geboden…’. Ach sommigen horen in zulke geboden alleen een harde, metalen klank, de harde stem, ja, de slagen van de wet. Maar zo is het niet. Hoor toch in deze woorden Gods genade al doorklinken. God wil nog gebieden. Hij wil de mens aan zijn dwaasheid, aan zijn onrecht nog niet overgeven, maar Hij wil hem door Zijn zuivere, rechte, heilige inzettingen leiding geven in zijn duistere bestaan. Zijn Zijn geboden dat voor u ook geweest? De Heere heeft geboden. Ach, de Heere mag ook gebieden. Dat mag de Heere alleen. Want Hij heeft alleen gezag. Daar is geen God dan Hij. Gebieden veronderstelt immers autoriteit. Dat veronderstelt gezag. Wij laten ons niet door iedereen gebieden. Een vreemde die ons huis binnen komt, en die ons iets wil gebieden: U moet dit of dat doen, tegen hem zeggen wij: wie bent u dat u mij gebiedt. Hoe kunt u dat van mij eisen? Iemand die wij op straat of elders ontmoeten en die ons zijn wil wil opleggen, daar luisteren wij niet naar. We hoeven niet naar iedere wildvreemde te luisteren. Die heeft geen gezag over ons. Slechts gezagsdragers mogen gebieden. Zij die over ons gesteld zijn. De politie. De burgerlijke overheid. De kerkelijke overheid; de ordening die de Heere in de kerk gegeven heeft. Hoewel dat ook dienend is, moet er ook geregeerd worden. Daar zijn ordeningen voor, die door God ingesteld zijn en waarvan de Heere zegt, dat alle ziel de machten die over haar gesteld zijn, onderworpen moeten zijn. Maar er is geen macht, zo zegt Paulus in Romeinen 13, dan van God. Hij is de hoogste autoriteit. Wij zijn Zijn schepselen, een maaksel van Zijn handen. En zo mag Hij ons gebieden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat ouders gezag hebben over hun kinderen. Het zijn immers hun kinderen. Zij mogen zeggen wat wel en wat niet moet gebeuren in huis. Zij mogen, ja, zij moeten leiding geven aan hun kinderen. Zij hebben autoriteit. En hoewel dat in onze tijd steeds meer vergeten wordt, toch is dat een natuurlijke orde van God ook in de schepping gelegd, verwoord in het vijfde gebod. Maar de grote Gebieder van alle mensen is Hij Die alle mensen het leven gaf. God, de Heere, Hij mag gebieden. Hij mag met gezag van de mens eisen dat hij doet, wat Hij wil. Het is waar, de Heere spreekt ook wel eens anders tot de mens. Wij kunnen ook weleens lezen dat de Heere vriendelijk vraagt. Dat de Heere iets aanraadt om te doen. En dat lijkt de mens vrij te laten of hij het doet of dat hij het niet doet. Het lijkt dan of de mens zelf maar moet weten of hij ernaar luistert. Ik denk bijvoorbeeld aan een tekst uit Openbaringen. ‘Ik raad U dat gij van Mij koopt, goud, beproefd komende uit het vuur’. Of in Jesaja, waar bijvoorbeeld staat, als een vraag van de Heere: ‘Waarom geeft ge toch geld uit voor hetgeen geen brood is  en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoor toch aandachtiglijk naar Mij’. Soms is de stem des Heeren liefelijk, nodigend, lokkend, aanradend, vragend. Kan de Heere dan niet gebieden? Kan hij dan niet eisen? Jawel, de Heere mag gebieden en eisen, maar Hij daalt als het ware af tot de dwaze mens, die maar niet wil buigen onder Zijn geboden. En met allerlei wijzen van spreken, met allerlei argumenten, zo lezen wij het in de profeten ook vaak, wil de Heere Zijn volk overtuigen van de waarheid van Zijn wil, van de goedheid van Zijn wil, van de heiligheid van Zijn wil. Om ze toch ook te brengen bij het recht van Zijn wil. Want Hij kan gebieden, eisen dat een ieder luistert naar Hem en buigt onder Hem. Een ieder, zeiden wij. Dat is ook uw buurman. Dat is ook uw buurvrouw. Dat zijn ook uw kinderen. Dat zijn ook uw kleinkinderen. Denk niet dat die vrij staan tegenover God. Ook al willen zij niets van Hem weten. Of: niets meer van weten. Al ontworstelen zij zich aan het gezag van de ouders  en denken ze zich zo ook te ontworstelen aan het gezag van God. Dat laatste gaat niet. Nooit. Men kan zich niet aan God ontworstelen. Er komt een tijd dat ze het weten zullen. Als ze voor Gods rechterstoel gedaagd zullen worden. Allemaal. Ook die God weg wilden denken. Die zeiden niet meer in Hem te geloven en die dachten dat Hij dan ook niet meer bestond. Hebt u er indrukken van, ook voor de uwen? Dat God voor ons allen bestaat? En dat er niet een is die niet voor Gods rechterstoel moet verschijnen. Ook van hen die Hem wegdenken uit hun leven. O, wat zal dat dan zijn. De Heere kan ook hen gebieden. Hij heeft ook recht op hen. Hij gebiedt ook hen, maar zij willen niet luisteren. ‘Heere, Gij hebt geboden’. Aan wie? O, aan allen die Zijn woord horen. En die het niet horen, moeten wij het gaan vertellen. Omdat zij ook vallen onder de eisen van Gods recht. Omdat ook zij schepselen zijn van de God van hemel en van aarde. ‘Heere, Gij hebt geboden’. En wat heeft de Heere dan geboden. Wel, dat wij Zijn bevelen zouden bewaren. ‘Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.’ Uw bevelen. Het mag wel met nadruk gezegd worden. Dus niet allerlei gedachten van mensen, maar bevelen die als uit Gods mond zelf tot ons zijn gekomen. Waar moet u die zoeken? In de Bijbel. In het woord van God. Daar leest u de inzettingen, de rechten van God. Daar leest u van de eerste tot de laatste bladzijde Zijn geopenbaarde wil omtrent ieders leven. Daarom is Bijbelonderzoek zo nodig. Daarom gaan zij die de Heere gaan vrezen, de Bijbel onderzoeken. Want die krijgen de wil van God lief. En die kunnen zij daar alleen vinden. Dat is de drijfveer die hen telkens weer naar het Woord Gods doet grijpen. O, wat heeft de Heere daarvan gezegd? Wat zou Gods wil daarin zijn? Wat heeft de Heere daarin geopenbaard? Maar al teveel zijn er mensen die zeggen: Gods woord is zo duidelijk niet. Het geeft zulke duidelijke antwoorden niet. Maar u ziet die mensen nooit biddend in hun Bijbel lezen. Ze zijn wel gauw klaar om dat gelijk te zeggen. Maar ze moesten het Woord eens nauwgezetter, onder de leiding van de Geest van de openbaring, onderzoeken. En vragen: Heere geef U er eens licht over. Dan zouden ze meer horen wat ze nooit wilden horen, namelijk dat al wat uit het geloof niet is, zonde is. God Woord geeft antwoord op veel vragen over wat mag en wat niet mag. Al wat tot eer van God is, dat is vervuld met ongerechtigheid en bestemd voor de eer van mensen. De Bijbel is zo onduidelijk niet. Gods geboden zijn zo halfslachtig niet als sommigen geloven en willen doen geloven. Maar Gods Woord is duidelijk en helder. En het heeft voor alle tijden en voor alle mensen de wil Gods in zich vervat. Heere, ‘U hebt geboden dat men Uw bevelen…’, dus wat U bevolen hebt. Wat God bevolen heeft, leen we bijzonder in de Tien Geboden. Maar we lezen het ook in heel het Woord van God. Daarin lezen wij hoe de Heere in allerlei omstandigheden Zijn volk wil onderwijzen. En al wat daarin geschreven is, is tot onze lering geschreven. Daar lezen wij Gods woord bij de profeten. Daar lezen wij de wil van God zoals Christus Zelf die verkondigd heeft. Hij heeft ernaar geleefd en Hij heeft het ook gepredikt. Uw bevelen. Geen menselijke inzettingen, maar Uw inzettingen. ‘Uw wil zeer bewaren’, zegt David. Hij zegt het zelfs met een versterkwoord: zeer bewaren. Hij wil hier een accent leggen en zeggen: denk erom dat dit niet zorgeloos, niet onverschillig, of niet halfslachtig gebeurt. Denk erom dat Gods geboden het waard zijn om nauwgezet betracht te worden. Daar mag geen tittel of jota van vallen. Het gaat erover de wil van God te bewaren. Met zorg, met nauwgezetheid moeten we de wil van God zoeken. U moet eens kijken hoe sommige mensen bezig zijn in hun werk of soms is het niet eens hun werk , maar hun hobby. Hoe nauwgezet kunnen sommigen daarbij zijn. Ze zijn soms ingespannen bezig met hun werkzaamheden. Wat ze ondernemen, willen ze zo goed mogelijk doen. Iemand doe voor zijn bedrijf al het mogelijke om de winst op te voeren en zijn bedrijf maar gezond te doen zijn. Hij staat er vroeg voor op en gaat er laat voor naar bed. Men heeft er alles voor over. Het is soms een doel wat ons zeer na aan het hart ligt, maar wat soms niets met God te maken heeft. Het kan zijn dat men er God bijna door vergeet. Ons hele leven behoorde zo nauwgezet te zijn dat we met alle inspanning, zo goed mogelijk, alles voor God over hebben. Er vroeg voor op te willen staan en als het nodig is er laat voor naar bed te willen gaan. als het is voor de dienst des Heeren is. Zo behoorde het te zijn. Gods wil in alles te zoeken, in heel ons leven, daar heeft God recht op; dat zijn wij Hem verplicht. Als we dat nu eens nagaan, wat moeten wij da zeggen? Wat is er toch van de mens geworden! Wat heeft de mens zich gemakkelijk van Gods wet afgemaakt. Sommigen komen er dan mee dat een mens dat toch niet kan. Het is toch tevergeefs. Zegt de dichter dat ook niet? Het is tevergeefs dat je vroeg opstaat, laat naar bed gaat, eet brood der smarten; de Heere geeft het de Zijnen als in de slaap. Dus laten wij maar gaan slapen? Zo is dit woord niet bedoeld. O, weet, dat zij die het woord van God lief krijgen, die Zijn inzettingen lief krijgen, die willen doen bij dag en bij nacht. Ze overdenken de wet Gods, zo zingen we in het eerste vers van Psalm 119. Wie Gods weg lief krijgt en die Zijn geboden kent en Zijn inzettingen bemint, die wil ze ook bewaren. Dan is er een beginsel van liefde, bij dat bewaren van de geboden des Heeren. Dit beginsel maakt de smart zo groot! Is in uw leven ook de smart zo groot, dat wij het toch niet kunnen? Dat wij er niets van terecht brengen. O, de wet doodt. Waar de zondaar tracht de heilige wet van God te doen, wordt hij moedeloos. En naar mate er liefde in het hart is tot die wet, is er ook meer smart. Moedeloosheid en smart vanwege een leven dat zo verbroken is. Dat zo vervuld is met zonde en ongerechtigheid. En dan gaat men toch deze tekst van harte onderschijven: ‘Heere, Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.’ Leg uw leven er naast. Wellicht veel gegeven voor inzettingen van mensen, maar weinig om Gods geboden. Zijn bevelen? Ach, wij vonden onze bevelen veel belangrijker en hebben niet zo gelet op Gods geboden. Zeer bewaren? Ach, zelfs het slordige bewaren ging ons nog slecht af. Daar was bijna niets van in ons leven. Zo ziet ieder die zichzelf leert kennen, zijn leven. Het is zo ongelijkvormig aan dit Woord. Maar zie toch verder in dit Woord, wil ik u vragen. Want wat zijn toch Gods geboden? Kom, wordt daar heel Gods woord niet mee bedoeld? Zijn bevelen, die leest u niet alleen in de Tien Geboden. Die leest u niet alleen daar waar de wet u een tuchtmeester moet zijn tot Christus. Maar die leest u ook daar waar de Heere Jezus verheerlijkt wordt. En de stem van God uit de hemel klinkt: ‘Deze is Mijn geliefden Zoon, in welke Ik Mijn welbehagen heb. Hoort Hem!’ Dat is een bevel, dat ook van God komt. Hij wil schuldverslagen zondaren wijzen op een weg ter ontkoming. Hij wil ellendigen, die ten dode wankelen, oprichten door de Zoon Zijner liefde en door de kracht die hun toevloeit door het geloof in Hem. Nee, dt komt niet uit henzelf, maar uit Hem Als de blik van hen, die ten onder dreigden te gaan in een ruisende kuil van modder en slijk, geslagen wordt op Hem! O, wonder van genade, ook dat behoort bij de bevelen Gods. Ja, hoor ik iemand zeggen? Wie zal het volbrengen? Wie zal geloven uit eigen kracht? Niet een. Als het een prestatie moest zijn, was het nog een verloren zaak. Als hier het geloof, als ook de hoop, als ook de liefde die God van ons vraagt, gezien worden in het licht van het werkverbond dat wij verbroken hebben, dus als prestaties die van ons geëist worden en die wij nog moeten leveren. O, dan is het Evangelie geen Evangelie. Dan kan het geen goede boodschap heten; dan benauwt het de zondaar nog meer. Want niets van alles wat God van ons vraagt, kan een mens meer opbrengen, maar dan ook helemaal niets. Maar God, Die de zondaar wil wijzen op Zijn Zoon, wil juist door dat Woord het geloof verwekken. Dat is de openbaring van de Heere Jezus Christus, wanneer God Zelf spreekt van Zijn Zoon en zicht geeft om te zien op Zijn Zoon. O, daar wordt ervaren wat wij niet hebben van ons zelf. Er wordt een Goddelijke gave geschonken in onze harten als het God behaagt Zijn Zoon in ons te openbaren. Daar wordt iets van de liefde van God gezien, die liefde wekt. Wij hadden ze van onszelf niet. Daar wordt iets van de weg der zaligheid gezien, die een hoop wekt die wij van ons zelf niet hadden in onze troosteloze wanhoop. Daar wordt iets gezien van het werk van de Heere Jezus Christus, Die geloof verwekt dat naar Hem uitgaat Daardoor verkrijgt een zondaar, die niets had, alles door Hem, Wiens algenoegzame werk, Gods wil heeft vervuld. O, Hij heeft in Zijn leven de geboden des Heeren, Zijn bevelen zeer bewaard. ‘Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterveling zet, in het binnenst ingewand.’ Zo als een schuldverslagene aan Zijn voeten terecht te mogen komen, om in Hem te vinden al wat ons ontbrak! Daar wordt de liefde tot Gods inzettingen gewerkt. Dan zal men niets anders begeren dan die inzettingen, die geboden, aan te prijzen. Ze zijn recht en zuiver en kunnen een zondaar door de werking van de Geest terechtbrengen aan de voeten van Hem Die het leven alleen is.

Psalm 96 vers 1 en 2:   

Zingt, zingt de HEERE nieuwe zangen!
Zingt, aarde, laat Hem lof ontvangen!
Zingt Hem, looft ’s Allerhoogsten Naam,
vermeldt Zijn heil, vergroot Zijn faam
van dag tot dag door uw gezangen.
Vertelt hoe God troont boven wolken.
Wilt al Zijn wonderen vertolken
bij ’t heidendom, want God is groot
en vreselijk ver boven snood
verzonnen goden van de volken.