Psalm 119 vers 5

5. Een verzuchting om leiding van God

Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren (Ps. 119:5)

Lezen: Jesaja 55.

Wij overdenken nu het 5e vers van de 119e Psalm: ‘Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.’ Wij horen hier dat David zich wendt tot de Heere. Eigenlijk deed hij dat al in het 4e vers, toen hij zei: ‘Heere, Gij hebt geboden dat men Uw inzettingen zeer bewaren zal.’ Maar daar is het een erkenning van Gods eis, een erkennen van de heiligheid van God, een billijken dat God de mens de weg wijst en dat Hij ons mag zeggen wat we doen moeten. Dat gaat over de enige weg ten leven. Het komt van de Heere: ‘Gij hebt geboden’. God heeft de macht, de autoriteit, om de mens te gebieden. En Hij beveelt dat men Zijn inzettingen zal bewaren. 

Dan zien wij nu in het 5e vers dat de dichter daar een gebed aan toevoegt: ‘Och, dat mijn wegen gericht werden…’ Het is een verzuchting tot de levende God. David heeft de kenmerken genoemd van de gelukzaligen die de Heere vrezen. Hij heeft aangetoond dat het Goddelijk gebod recht is en dat de Heere kan eisen dat wij Hem dienen. Maar nu volgt na dat gebod het gebed. Gods geboden moeten ons zo altijd brengen tot het gebed. We moeten van de Heere bidden wat Hij van ons eist en wij niet meer kunnen opbrengen. Dan is God niet onrechtvaardig. Hij mag eisen, wat Hij gaf. Hij heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen in ware kennis, gerechtigdheid en heiligheid. De Heere kan naar recht Zijn beeld weer van ons eisen. Maar wat doet de onderwijzer in de catechismus? Als hij het ook moet bekennen het niet op te kunnen brengen en Gods straf dubbel waardig te zijn, dan horen wij ook die vraag: ‘Is er nog een weg? Zou het nog mogelijk zijn om die straf te ontgaan’? Hier zien wij dat David, als hij gesproken heeft over de eis van Gods gebod, gaat zuchten, gaat bidden: ‘Och dat mijn wegen gericht werden…’ Dat U het toch deed Heere! mijn wegen richten! Ik kan het niet. Het gebod brengt tot gebed. Hier wordt ons voorgehouden dat ons het gebod altijd moet brengen tot het gebed. Heeft het er u al gebracht? 

Waar bracht Gods gebod u? Hebt u zich weggeschuild achter onmacht? Hebt u uw leven lang al gezegd: “Ja, ik heb gehoord en weet dat de mens niet geneigd is tot het goede, maar tot het kwade. Wij zijn dood in zonden en in misdaden. We kunnen Gods geboden niet houden. We zijn geneigd om God en onze naaste te haten. Daarom, wat zal ik toch? De Heere kan en mag veel gebieden, maar ik kan het toch niet.” Schuilt u dan weg achter die machteloosheid? Wil u proberen u te verontschuldigen voor God? Denkt u, dat de Heere dat goed vindt, als men zich verontschuldigt en zegt: “Heere in kon het toch niet doen.” Als wij dan in de grote dag van het oordeel voor de troon van de heilige Rechter van hemel en aarde gesteld zullen worden, zullen wij dat dan  kunnen volhouden? “Heere, ik kon het toch niet.” Wat zal de Heere dan antwoorden tegen hen die wegschuilen achter hun onmacht? Zal Hij niet zeggen: “Ik wist dat u het niet kon, Ik wist wat de zonde teweeg gebracht heeft. Ik weet wat van Mijn maaksel is te wachten. Hoe zwak van moed en hoe klein ze zijn van krachten, en dat zij stof van jongsaf zijn geweest. Maar waarom hebt u Mij niet gezocht? Waarom heeft het u niet uitgedreven in het gebed, om te vragen of ik niet doen kon, wat u niet kon? Waarom vroeg u niet of er bij Mij geen weg is? Waarom zag Ik u niet,  dag en nacht bedelend aan de troon der genade? Daar is u toch over gesproken? Waarom heeft de eis van het gebod u niet dagelijks gebracht tot het gebed?” 

De duivel wil die weg niet graag bewandeld zien. O, de duivel kan niet tegenhouden dat Gods geboden gepredikt worden, de eis van Gods wet, de onmacht van de mens, maar dan ziet de duivel graag dat de mens in moedeloosheid wegzinkt. Die wil dat iemand tot wanhoop raakt en zegt: “Er is voor mij toch geen doen meer aan.” De duivel wil nog wel dat er een halve waarheid gesproken wordt, want hij weet maar al te goed dat dit soms erger is dan een hele leugen. Halve waarheden dienen om de mens tot de ondergang te brengen. God wil geen halve waarheden verkondigd hebben. Het hele woord van God door vindt u naast de verkondiging van ‘s mensen ellende ook de heenwijzing naar de weg van ontkoming. Dat begint al bij de zondeval. Daar staat het evangelie temidden van alle ongerechtigheid die de mens teweeg bracht: “Ik zal vijandschap zetten!” O, het is Gods wil niet, dat, waar Zijn gebod en de eis van Zijn wet gepredikt worden, de mens nu meent dat het nooit meer kan en dat er bij God ook geen doen aan is. Nee het tegenovergestelde. De tuchtiging door de wet, de overtuigingen die ze ook bij u kunnen bewerken, misschien wel bewerkt hebben, welk doel hebben die toch? Is het niet opdat een verslagen zondaar zich tot God zou wenden! Dat beoogt de Heere ermee. Zie het in de omwandeling van Christus. Wees Hij de zondaren terug, of wilde Hij ze onderwijs geven? Hij wilde ze leren en leiden. Hij had er behagen in dat ze het zonder Hem niet meer konden stellen. O, predikt iedere bladzij van Gods woord het ons niet, dat de Heere er behagen in heeft dat wij het zonder Hem niet meer kunnen stellen? O, als overtuigingen ons op die plaats brengen, dan missen zij hun uitwerking niet. Als ze ons op die plaats brengen dat wij zeggen: “Heere, nu kan ik het niet meer. Ik kan geen schrede zetten op de weg der zaligheid. Geen stap weet ik te zetten naar de hemel. Ik kan mijn weg slechts verderven. Dagelijks erger. O, als wij dat voor God gaan belijden, en tot de Heere gaan zeggen: “Ach, Heere, leidt U mij dan!. Wil U zo’n ellendige dwaas, zo’n albederver, die zichzelf niet toevertrouwd is, die nog nooit anders dan kwaad gedaan heeft, en geen goed weet te doen, die zichzelf niet kan leiden, Heere, wil U die tot een Leidsman zijn? Heere, maak mij Uwe wegen, door Uw woord en Geest bekend. Leer mij hoe die zijn gelegen.”, Kom, is het ook uw gebed geworden? Heeft Gods gebod u gebracht tot het gebed? “Heere, dat toch mijn wegen door U gericht werden.” U ziet hoe ook onze Heidelbergse Catechismus in het stuk der dankbaarheid dit samenneemt. Hoe kan het ook anders, als daar de wet Gods, de Tien Geboden, besproken worden. Dan wordt na de wet ook het gebed behandeld. Het gebod en het gebed maken voor de kerk de dankbaarheid uit. Want Gods kinderen moeten zich voortdurend bewust zijn niet in staat te zijn zelf Gods geboden, ook niet in de dankbaarheid, ook niet in een leven der heiligmaking, te houden, hoezeer het hart er ook naar verlangt. Ze zijn niet in staat ze te houden. En daarom het gebed: “Och, of wij Uw gebôon volbrachten, gena o hoogste Majesteit, gun door ’t geloof door Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.” Ook de dichter van de berijming van de tien geboden heeft het gezien dat na het gebod het gebed gepast is en te bidden: “Och Heere, dat toch mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.” Wij weten van Augustinus dat hij vaak bad: “Geef, Heere, wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt; dan zult u niet tevergeefs bevolen hebben.” Hij besefte ook: wat God beveelt, heb ik niet. God eist mijn leven tot eer van Zijn Naam. Gerechtigheid en heiligheid eist Hij van mij, maar ik heb ze niet. Heere geef U het mij, om Christus’ wil. Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt, Heere. Dan kunt U alles bevelen. Dan mag U alles bevelen, als U slechts in mijn nooddruft voorziet. Als u Zelf geeft wat U van mij eist. Weet u wie die woorden niet kon verdragen? Pelagius. Het is in de stad Rome geweest, dat iemand de woorden die in zijn belijdenis voorkwamen, hardop uitsprak in de nabijheid van Pelagius. En Pelagius hoorde ze en vertoornde er zich over. Hij ging er tegen tekeer en verwierp die woorden. Hij vond het woorden die een christen niet pasten. Daaruit bleek al de aard van Pelagius. En moet ik niet zeggen: de aard van ieder natuurlijk mens? Die zegt niet zo makkelijk : “Heere, geef U maar wat U mij beveelt, want ik heb niets.” O, tot die erkentenis: ik heb niets van wat God beveelt, wilde Pelagius nooit komen. Kom, wij kunnen toch zelf wel geloven, sprak hij. Wij kunnen toch zelf immers God zoeken. Wij kunnen toch zelf…, ja, wat kunnen wij zelf? O, de mens die zichzelf niet kent, die denkt nog veel te kunnen. Die heeft ook een hekel aan zulke gebeden als hier staan. De pelagiaan onder ons ook. Die wil niet graag horen van ‘och’ en van ‘ach’. Moet dat nu in het gebed?  Waarom toch, telkens dat ‘och’ en ‘ach’. Ze minachten het volk dat veel verzuchtingen heeft tot God. En ze spreken schandelijk van hen die hun verzuchtingen verwoorden, zoals hier David in Psalm 119. “Och, dat toch, Heere, U Zich over mij wilde ontfermen.” Een verzuchting, die een vertolking is van een begeerte, van een verlangen, van iets wat God moet geven. Er zijn er die haten dit, omdat zij zelf die begeerten en die verlangens niet kennen. Omdat ze die verzuchting uit de diepte tot God niet kennen. Omdat ze menen zelf wel te kunnen beschikken over wat de zondaar nodig is. Er zijn er dan die zeggen tegen hen die met een och en ach tot de Heere zuchten: “Kom je moet geloven. Wees eens wat meer vertrouwend. Je moet de tonen van dankbaarheid wat meer laten klinken. Je moet niet met een och en ach klagen, maar je moet spreken in het volle vertrouwen, spreken vanuit een vast geloof.” Weet je wat zulke mensen niet beseffen? Wat de apostel schrijft in de brief aan Efeze over het geloof: “En dat niet uit u, het Gods gave.” Er zijn mensen die denken te beschikken over het geloof. Als een prestatie van zichzelf. Die kunnen geloven als zij het willen. Maar die verstaan niet dat de zondaar van zichzelf geen geloof heeft. O, dat ook dat toevoorzicht op God in hen verwekt moet worden door de Heilige Geest. De pelagiaan, de nabijkomende, de mens die zichzelf nog overeind kan houden, die beschikt nog, naar hij meent, over hetgeen een ontdekte zondaar niet meer heeft. Want die heeft ook geen geloof in God, geen vertrouwen, geen liefde, geen hoop, ach niets van alles dat er moest zijn, het is bij een arme, ontledigde ziel niet meer te vinden. Vandaar die verzuchtingen. “Och, Heere, och wierd mijn ziel door U gered. Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.” De Heere hoort die klachten. Hij hoort die klagers die niets meer hebben. Die zuchten”Och, daalde ‘t heil uit Sion spoedig neer.” Of: “Och dat ik klaar en onderscheiden zag, hoe ik mij naar Uw geboden moet gedragen.” Of: “Och, mocht ik die heilige gebouwen, de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Zijn lief’lijkheid en schone dienst aanschouwen, hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog.” De begeerte, de verzuchtingen, de verlangens naar wat wij zelf niet hebben en wat de Heere kan schenken, kom, is dat ook uw gebed? Zijn het ook uw verzuchtingen? Dan mag u met de dichter van psalm 5 ook instemmen in het 2e vers die zegt: “Sla iedere zucht, mijn hart ontgleden, opmerkend ga, schenk mij het genot, Uws heils mijn Koning en mijn God.” En, de Heere hoort de zuchten. Hij hoort zelfs de stem van de jonge raven als ze tot Hem roepen. Heeft Hij de zondaar Zelf niet ontledigd? Heeft Hij Zelf niet die overtuigingen gegeven om de dood in zichzelf te vinden? Heeft Zijn Geest Zelf niet die verzuchtingen verwekt? Is het Gods Geest niet die in hen naar Gods wil dit zucht? O, zijn het uw verzuchtingen zoals ze hier staan? “Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.” Wij bidden het niet, als wij onze eigen wegen nog gaan, als wij bij eigen licht nog wel verder denken te kunnen. Wij bidden dat niet als wij ons verbeelden ons levensschip door eigen kracht nog wel verder te kunnen brengen. Dan vragen wij niet om die kracht. Wij vragen niet om een leidsman, om een stuurman als we denken dat ons stuur nog in veilige handen is. Het is genade als wij zien dat dit niet zo is. Als wij ons levensschip steeds de verkeerde kant uit zien gaan, door de stroom dreigen te laten meesleuren. Als wij zien dat wij een stuurman zijn, die het schip alleen maar zo spoedig naar de ondergang laat gaan, maar het nooit in een behouden haven kunnen brengen. En daarom, het is genade als wij het niet meer weten. Als wij vastlopen in ons leven en met deze dichter gaan zuchten: “Och, dat mijn wegen gericht werden.” Ik kan het zelf niet meer Heere. Ik ga telkens verkeerd. Mijn weg zou me van God wegvoeren, naar ’s afgronds donk’re nacht. Het is niet bij een man die wandelt dat hij zijn weg richt, zo zegt Jeremia. Is het voor u al waarheid geworden? Hebt u het voor God al moeten belijden: “Heere, ik kan het niet meer. Ik weet het niet meer. Hoe moet het nu toch verder?” O, stem dan maar in: “Och, dat mijn wegen gericht werden.” 

Waartoe? Om Uw inzettingen te bewaren. Uw inzettingen, Heere, dus wat U ingesteld hebt. Wat is dat? Wij zeiden al, in elk vers van Psalm 119 komt een woord voor, dat de wil van God beduidt; de wet van God, maar dan in de ruimste zin. Zijn ‘inzettingen’ heet dit hier. Dat betekent niet de tien geboden alleen, maar het betekent ook Zijn heilige wil, zoals die in Christus is geopenbaard. Dat betekent zowel de wet als het evangelie. Dat betekent de hele raad Gods, de hele wil van God, in zonderheid zoals ze geopenbaard wordt aan de mens. Heere, Uw inzettingen, wat U ingesteld hebt, wat U geopenbaard hebt, Heere, wil U mij daarin leiden? Wil U mij geven dat mijn wegen gericht worden om Uw inzettingen te bewaren. Dat wil zeggen: Heere, dat toch Uw wil in mijn leven triomferen mag. Uw wil, niet de mijne. Uw wil die geschiede in mijn leven, zoals in de hemel, zo ook op de aarde, en ook in mij. O, dat mijn wegen gericht werden, zó dat Uw Naam in mijn leven verheerlijkt werd. O, wil, Heere, zo in mijn leven werken. Wil zo mijn leven leiden, dat ik ervaren mag dat U kracht geeft op de weg ten leven, maar ook leiding geeft op de weg ten leven. Dan worden Uw bevelen bewaard. Dan zal ik Uw inzettingen bewaren. Dan wordt U verheerlijkt, Heere. Dan zal ik Uw heilige wet liefhebben, die U de sterveling zet. Maar dan zal ik toch ook Hem mogen leren kennen, in Wie U Uw wil tot zaligheid geopenbaard hebt? Dan zal ik ook de Zoon van Uw liefde mogen leren kennen, Die kwam om nooddruftigen te verschonen. En aan armen uit genâ, Zijn hulpe ter verlossing te tonen. O, is dat geen goddelijke gave? Geen goddelijke inzetting? “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.” Is dat geen goddelijke Gave, geen goddelijke inzetting? “Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” Is dit geen woord Gods! O, is dit dan geen wonder Gods, dat de zulken die hun eigen leven niet meer kunnen leiden, die alleen maar wegen des doods kunnen bewandelen, die de gerechtigheid en de heiligheid niet meer kunnen vinden, die de verheerlijking Gods in zichzelf maar niet gewaar kunnen worden, die tot die hoogte niet kunnen opklimmen waarop ze God geloven, op Hem hopen. Hem liefhebben van ganser harte, die niets kunnen herstellen, die bij de brokken van hun bestaan neerzitten, op de puinhopen van hun leven, o, er is er Een die zulken kan helpen! Die ze tot een Leidsman wil wezen, van God gegeven. Die ze tot een Priester wil zijn om voor hen de dood teniet te doen. Die hen wil regeren door Zijn woord en Geest en als een Koning hen wil beschermen. Het gaat over Gods inzettingen, in Christus geopenbaard, en daar heeft God een welbehagen in. Laat een schuldverslagen zondaar schreiend tot God zuchten: “O, Heere, welke zijn dan Uw inzettingen. Leidt U mij daarin!” Daar heeft God behagen in, om zulken te leiden in die weg. Die een enige weg is ten leven, die een enige weg is waarin God weer verheerlijkt wordt in al Zijn deugden. De weg van Hem die sprak: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, Niemand komt tot de Vader dan door Mij.” O, bij Hem te mogen schuilen om te mogen ervaren hoe Hij de inzettingen des Vaders bewaard heeft, maar ook hoe Hij Zelf door de Vader gegeven is, opdat de gelovigen in Hem zouden ervaren, hoe Gods inzettingen bewaard worden. Kom, zouden wij dan niet instemmen met de dichter en meezuchten: “Och, dat ook mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.” “Och, schonk Gij ook mij de hulp van Uwen Geest. Mocht die mij op mijn paân ten Leidsman strekken. 

Zingen: Psalm 119 vers 2 en 3.

Welzalig, die het kwaad in elk geval
bestrijden en geen onrecht willen werken,
maar wand’len in Gods wegen overal.
U, HEERE, hebt, om onze kracht te sterken,
geboden dat wij al wat U beval
getrouw bewaren en daarop steeds merken.

Och, zend Uw Geest, dat Die mijn wegen richt’,
en ik door U op goede grond zou bouwen;
op wat U ingezet hebt, werd gesticht!
Dan zou ik vast staan, in een goed vertrouwen,
en niet beschaamd zijn, of om spot gezwicht,

als ik Uw wet en woorden zou aanschouwen.