Psalm 119 vers 6

Beschaamd of niet

Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden

(Ps 119:6)

Lezen: Jacobus 1 vers 17 tot 27

Na de verzuchting geslaakt te hebben: Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren! maakt David zijn zin af met te zeggen: dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. Als mijn wegen zo gericht werden, dan zou ik niet beschaamd worden. Dan….niet. Dat betekent: als het gemist wordt wat in vers 5 gevraagd wordt, dan wel…dan wel! Dan wel beschaamd. Begrijpen we het? O, als onze wegen niet in de inzettingen Gods zijn, om die te bewaren, staan we dan ook gedurig beschaamd? Vraag het uzelf eens af. Als we die onwederstaanbare genade missen, die leiding van de Heilige Geest, Die ons leidt op de weg van het eeuwige leven, waarop de dwazen niet dwalen kunnen. Als we die leiding missen, of als we door afdwalingen als we de Heere vrezen, die missen, is er dan schaamte bij ons? Dat staat hier immers ook. Dan zouden wij wel beschaamd moeten zijn, als wij merken op Gods geboden. Kom, ga het eens na in uw leven. Doet we dat? Merken op Gods geboden? Merken op al Zijn geboden? Men zegt weleens van ons dat we Gods wil en wet ernstig nemen. Maar vraag het u eens af. Neemt u Gods wil en Gods wet in uw leven ernstig? Hebt u dat altijd gedaan? Dat betekent dat u voortdurend merkt op al Gods geboden. En dan niet voor anderen, maar voor uzelf. Voor mij. Dan willen we ons leven stellen in het licht van de geboden van de Heere. En als we dit dan overdenken… Misschien doet u het niet dagelijks; misschien hebt u het in uw leven nog niet zoveel gedaan. Maar als u dan overdenkt hoe uw leven was tegenover de geboden van God, tegenover al de rechtvaardige, billijke geboden van God die de Heere kon bevelen en die Hij heeft bevolen! ‘Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.’ O, als we nu ons leven er eens naast leggen. Hebben we het gedaan? Geen andere goden voor Gods aangezicht gediend? De Heere alleen benodigd? Tot Hem alleen de toevlucht genomen? Op Hem alleen vertrouwd? Of waren er toch veel afgoden, die onze zinnen begoochelden. Die onze tijd roofden. Waar we geld en goed aan besteedden. Waar we ons leven mee doorbrachten, terwijl we God vergaten, dagen zonder getal. Waar hebben wij goden van gemaakt in ons leven? Deed u het van uw man? Deed u het van uw vrouw? Hebt u het gedaan van uw kinderen? Van uw bedrijf? Van uw tijdelijk goed? Was het de mammon die we gediend hebben? Of is het toch de Heere geweest? Zijn we afgetrokken, misschien wel door de goden van deze tijd en van deze wereld? Geen andere goden..,, kom, hebt u al eens beschaamd gestaan tegenover dit eerste gebod? En dan het tweede gebod? De Heere dienen naar Zijn Woord, naar Zijn wil? Niet op een eigenwillige wijze? Niet door beeldendienst, zo staat het in het tweede gebod? Daar bedoelt de Heere ook mee: niet door denkbeelden. Niet door allerlei valse gedachten van mij en van mijn wil? En door te luisteren naar mezelf en naar mijn wil. Door zelf gediend te willen worden. Dan is onze godsdienst toch eigenwillige godsdienst. Deden wij het toch maar op onze manier, zoals wij dachten dat het goed was? Zonder dagelijks te vragen: Heere, wat wil U dat ik doen zal. Zonder de worsteling om God te dienen naar Zijn Woord, en niet naar onze wil. Staat u al beschaamd als u gesteld wordt tegenover het tweede gebod? En het derde gebod? Hebt u de naam Gods geheiligd in uw leven? Was het er u om te doen, was het uw verzuchting als u de dag begon? Heere, dat Uw Naam toch om en door mij niet gelasterd worde? Veeleer geëerd en groot gemaakt. Was er de eerbied die ons paste als we onze gebeden deden bij onze maaltijd? Bij het opstaan, bij het naar bed gaan? In de persoonlijke afzondering? Of was het weleens: ‘heb ik nu gebeden of heb ik nog niet gebeden?’ Is dat heiliging van Gods Naam? Als we niet weten of we gebeden hebben. Laat staan dat we weten tot Wie we gebeden hebben. O, denk toch niet dat alleen de vloekers en spotters het derde gebod ontheiligen. Staat u al beschaamd als u gesteld wordt tegenover het derde gebod? En hoe staat het met Gods heilige dag in uw leven, de dag die de Heere gaf om voor Hem af te zonderen, dus te heiligen; zodat de werken die niet noodzakelijk zijn terzijde geschoven werden. Zodat het enige nodige op die dag op de voorgrond staat. En dit onze harten en zinnen bezet, ons leven bezet, zodat we er niet alleen over denken, maar ook over spreken in onze gezinnen; zodat de hele dag staat in het teken van de dienst des Heeren, een liefdedienst? Was dat zo in onze gezinnen? Of waren we blij als het maar stil was, zodat we konden slapen? Stond de boekenkast onaangeroerd, waarin veel overjarig koren staat, dat de Heere gegeven heeft? Of hadden we geen goede lectuur in huis? Hadden wij geen honger naar het Brood des levens waarover daarin geschreven staat. Wat is Gods dag voor ons? Staan we al beschaamd als we gesteld worden voor het vierde gebod? En hoe is de verhouding tot onze ouders geweest? Was het zoals Gods het wenste? En tot al het gezag? Was er onderwerping naar Gods wil? ‘Alle ziel zij de machten over hen gesteld onderworpen, want daar is geen macht dan van God.’ Trouwens, we mogen hierbij ook betrekken de verhouding van ouders tot hun kinderen. Wie waren we voor onze kinderen? Verwek uw kinderen niet tot toorn, zegt de apostel Paulus. Waren we wie we moesten zijn? Staan we al beschaamd als we staan voor het vijfde gebod? En het zesde gebod: gij zult niet doodslaan. Ach, zegt u, gelukkig ben ik daarvoor bewaard. Hebt u uw woorden wel eens gewogen? Waren ze soms niet net als zwaarden, die een ander moesten doorsteken? Of heet dat geen moord? Is dat geen doodslag als we niet anders doen dan een ander met woorden proberen te doorsteken? O, is er geen beginsel in het hart om een ander te kwetsen om zelf iets te zijn? Staan we al beschaamd als we staan tegenover het zesde gebod? En hoe was de eerbaarheid en de zedigheid van ons leven? Hoe was het ten aanzien van ons huwelijksleven, het zevende gebod? Openbaar of verborgen. Voor mensen misschien bedekt maar voor de alwetende God niet bedekt. Niets is, o, hoogste Majesteit, bedekt voor Uw alwetendheid. Staan we beschaamd als we staan tegenover het zevende gebod? En het achtste gebod: het goed van onze naaste. O, hebben we ieder het zijne waardig kunnen keuren? Onze hand nooit uitgestrekt naar wat van een ander was? Zijn we er ten aanzien van het tijdelijk goed voor bewaard, zie dan eens wat we God ontstolen hebben! En wat we nog dagelijks als een dief van God stelen. Is onze levenstijd niet van God. Waar gebruiken we ze eigenlijk voor? O, denk toch niet dat we geen dieven zijn. Staan we al beschaamd tegenover het achtste gebod? Het negende gebod: de leugen. Zijn we niet vaak onwaarachtig, schijnheilig? Bent u nog nooit een leugenaar in eigen waarneming geworden? Hebben we verstaan hoe Gods gebod geestelijk is. Hoe de Heere van de mens zegt: ‘God is waarachtig en alle mens leugenachtig.’ Hebben we onszelf al gezien als onwaarachtigen en als huichelaars? Hebben we ons voor God al leren verootmoedigen en gezegd: ‘Heere, wat heb ik een arglistig, een bedrieglijk hart. Geef toch Uw licht en uw waarheid, dat die mij leiden. Want als ik me door mijn hart laat leiden, dan gaat het verkeerd.’ Bent u al beschaamd als u staat tegenover het negende gebod, ziende op uw eigen leugenachtigheid? En dan het tiende gebod: de begeerte. O zie, hoe de Heere het hart ook aanziet. Zie, hoe Gods wet geestelijk is en niet alleen over het uiterlijk, maar ook over het innerlijk van de mens oordeelt. Het heeft de apostel Paulus terneer geslagen, toen hij leerde dat de wet geestelijk is; toen leerde hij ook dat hij vleselijk was, verkocht onder de zonde Hij stond beschaamd tegenover de wet Gods. En dan kunnen we nog denken aan het elfde gebod, zoals Usher, die predikant die bij Rutherford kwam, het zei: ‘God liefhebben en dan ook de naaste liefhebben. Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief hebt. Het gaat dan eigenlijk over de samenvatting van Gods gebod. God eist liefde. Was uw leven vervuld met liefde? Liefde tot God boven alles. Was onze drijfveer liefde tot de naaste als tot onszelf? Was dat ons leven? O, wie zal niet beschaamd moeten staan, als we zien dat Gods gebod, dat geestelijk is, ons tot in ons binnenste veroordeelt. Als we de kracht van Gods gebod, als we de vloek van de heilige wet op onze zondige schouders voelen, wie zal dan niet beschaamd moeten staan onder die zware last? 

Ja, maar wie kan dan nog ons tekstwoord verstaan? Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al uw geboden. Niet beschaamd? Wèl beschaamd, zullen we toch zeggen? 

Als Davids knechten, toen zij terugkeerden, nadat hun schande was aangedaan, in Jericho bleven, waar ze niet alleen nieuwe kleren moesten hebben, maar ook hun baarden moesten laten groeien, omdat  ze anders niet aan het hof durfden verschijnen, hoe zullen wij dan toch durven verschijnen voor de grote Davidszoon!. Heeft Adam zich niet verscholen in de hof, toen hij enige indrukken had van de schande van zijn naaktheid? En toen God verscheen, stond hij beschaamd. De Heere geve te beseffen hoe onze zonden ons beschaamd moeten doen staan,  beschaamd voor de heilige God. Zo kunnen wij voor God niet bestaan, maar moeten met David zeggen: ‘Wil mijne ziel door schuld verslagen, o God, niet voor Uw vierschaar dagen.’ 

Nu zijn er verschillende vormen van schaamte. Er is bijvoorbeeld een valse schaamte. Dan schamen we ons voor Gods Woord en durven daarover niet vrijmoedig te spreken met anderen, zodat iedereen mag zien Wie wij liefhebben en Die voor ons zorgt. Er is veel valse schaamte bij hen die niet eerlijk, niet oprecht durven uitkomen voor hun godsdienst. Zulke schaamte is ongepast. 

Maar de schaamte waar het hier over gaat, is toch niet ongepast? Wat moeten wij toch beschaamd staan als wij merken op al Gods geboden. Kom, ik wil het u nog eens vragen: staat u niet beschaamd als u merkt op al die geboden? Bidt toch of de Heere dat licht geeft over Zijn heilige wet. Daardoor zult u die beschaamdheid leren kennen. Die schrik, die vreze, die vernedering die we tegenstaan door onze hoogmoed en die zo nodig is voor onze genezing. Er zijn veel mensen die dit ontlopen. Wie wil er nu beschaamd staan? Ze ontlopen de kennis van hun zonden. Ze ontlopen het zien van zichzelf. Ze willen daarom veel over de wet horen. Ze willen niet te scherp gewezen worden op de wil van God. Ze haten zo’n prediking en zeggen: de wet heeft afgedaan, beperk u maar tot het evangelie. Alsof er een evangelie zou bestaan zonder de wet. Nee, Psalm 119 leert ons in ieder vers dat de wet niet heeft afgedaan. Die kan niet afgedaan hebben, omdat het de heilige, onveranderlijke wil van de eeuwige God is. We mogen wel bevreesd zijn om de prediking van de wet in al zijn scherpte en oordeel te ontlopen. Doe dat toch niet! Die dat wel doen, doen zichzelf groot kwaad. Ze willen de schaamte ontlopen en willen niet zien wie we zijn. Ontdekking mijden, het ontlopen en als er enige overtuiging is die de Heilige Geest werkt, dat van je afzetten, het maar vergeten om niet beschaamd te staan. Nee, dan is het beter om wel beschaamd te staan. David weet wel wat dat is. Hij heeft in zijn leven wel meer beschaamd gestaan. Wie nog nooit voor God beschaamd gestaan heeft, zal de zin van onze tekst niet verstaan. Wat is het nodig te weten waarom wij voor God beschaamd moeten zijn vanwege al Zijn heilige geboden. Maar toch is er zo een weg waardoor men niet beschaamd hoeft te staan. We hebben het gelezen uit de brief van Jacobus. Jacobus weet daar iets van. Hij spreekt daar over hoorders des Woords en over daders des Woords. En de hoorders des Woords, die weten wel iets van het Woord van God. Jacobus wijst ze ook wel aan. De hoorder des Woords, zegt hij, heeft zichzelf al bemerkt, toen hem een spiegel werd voorgehouden (vers 23 en 24). Een hoorder des Woords is nog geen dader. Hij is een man gelijk, die zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel. Hij heeft in de spiegel van de wet gezien. Hij heeft de geboden Gods aanschouwd en zag zichzelf in dat licht. Die bemerkt zijn aangeboren aangezicht in een spiegel, zegt Jacobus. En hij is weggegaan en terstond vergeet hij hoedanig hij was. Dus het wel even gehoord, maar er zo van geschrokken, zo beschaamd, dat hij wegvluchtte en niet meer wilde weten wat hij gezien heeft. Die hebben het Woord wel gehoord maar het doet in hen niets. Het laat hen onveranderd, onvernieuwd. Maar Jacobus spreekt ook van daders des Woords. Dat zijn zij die inzien in de volmaakte wet, die der vrijheid is, schrijft hij. Die zijn geen vergetelijk hoorder geworden, zegt de apostel dan, maar een dader. Die zijn gelukzalig, zegt hij. Dus daar vindt u ze, die niet beschaamd hoeven te staan. Die ingezien hebben in de volmaakte wet Gods, die der vrijheid is. Wat mag Jacobus er toch mee bedoelen? Daar bedoelt hij mee dat er toch zaligheid is. Waar de wil van God is, waar Zijn wet gepredikt wordt, net als in onze tekst. Dan zou ik niet beschaamd worden. Dus: dan zou ik de zaligheid smaken, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. 

De wet zien en dan gelukkig te zijn en toch niet beschaamd te zijn? Hoe zal dat mogelijk zijn? Jacobus heeft er al over gesproken in het 17 en 18 vers. Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten komend. Bij Hem is geen verandering of schaduw van omkering. Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard. Door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen. Hij spreekt hierover het wonder van de wedergeboorte. Het wonder van het nieuwe leven dat uit God is. Van een nieuwe gerechtigheid en een nieuwe heiligheid die niet de onze was, maar die van Christus is. En die wordt geschonken naar de wil van God. Daar is de wet volmaakt, waar Christus de wet weer volbracht. ‘Ik draag Uw heilige wet, d Gij de sterveling zet in het binnenst ingewand’ kon Hij zeggen. Daardoor heeft Hij Zijn volk bevrijd. Daar heeft Hij gerechtigheid verworven, die algenoegzaam is. Daardoor kon Christus Zelf, Die zonder zonden was, van de dood niet gehouden worden. Hij heeft de vloek van de wet weggenomen, toen Hij Zelf een vloek geworden was, de dood teniet gedaan heeft, toen Hij de dood is ingegaan. O, daar heeft Hij vrijheid verworven om weg te schenken aan hen die van zichzelf wetsovertreders zijn. Die van zichzelf alleen maar beschaamd kunnen staan tegenover de heilige wet. Die verschrikt en beangst staan tegenover de wil van de heilige God. Die niet voor Zijn aangezicht kunnen verschijnen en mogen leren dat Gods heilige wil, Zijn volmaakte inzettingen, Zijn heilige wet in Christus vervuld, geopenbaard is tot zaligheid. Zo wordt de schaamte weggenomen. Weggenomen van wie in het aangezicht van de wet verdient verdoemd te worden, maar die mag leren dat er een Middelaar is die voor hem de vloek der wet op Zich wilde nemen. Hij heeft voldaan aan de eis van de heilige God als Borg, als Plaatsbekleder voor in zichzelf ellendige wetsverachters en wetsverkrachters. Dit deed Hij om mensen die de eeuwige dood verdiend hebben, vrijheid te kunnen schenken uit genade alleen. Dat is het wonder dat de schaamte wegneemt van hen die beschaamd stonden tegenover de heilige wet. Denk eens aan Paulus. Hij stond toch zeker beschaamd toen hij zijn leven ging zien, zoals God het had gezien. Voor die tijd dacht hij een vroom en godsdienstig man  te zijn. In alles veel beter dan anderen. Maar toen hij ging verstaan dat de wet geestelijk was en hij vleselijk, verkocht onder de zonde, toen hij heel zijn leven ging zien in Goddelijk licht, o, toen kon hij voor God niet meer bestaan. Toen kon hij voor die wet slechts staan als een schuldige: beschaamd. Maar toen zijn hem de schellen van de ogen gevallen. Toen is de Heere Jezus hem gepredikt en toen heeft hij mogen aanschouwen dat zo’n zondaar door het geloof in Christus gerechtvaardigd mag worden en dat God in zo’n zondaar in Christus geen zonde en overtreding meer ziet. Dan is de schaamte weg, de schaamte vanwege de zonden, die wordt zo weggenomen. De apostel Paulus is daarna gaan spreken over zijn eigen leven. ‘Die tevoren een godslasteraar was’, zegt hij, ‘en een vervolger en een verdrukker. Maar mij is barmhartigheid geschied.’ Hij spreekt over de genade des Heeren die zeer overvloedig is geweest met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. ‘Dit is een getrouw woord, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken van welke ik de voornaamste ben.’ Is daar dan geen schaamte? O, hoor hem roemen: ‘Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen’.  Hij wil nu niet anders meer weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Roemen in Hem die zijn schaamte van hem wilde nemen. Roemen in Hem die zich over zulke ellendigen wilde ontfermen. Wilde? Nee, nog wil! Voor ieder voor wie de verzuchting – en daarmee wil ik besluiten – opgetekend  staat in de 69e Psalm: ‘Beschaam door mij de stille hope niet, van hen die U, o, God der legerscharen verwachten, laat geen schande wedervaren aan hen die U steeds zoeken in verdriet.’ Amen.

Zingen: Psalm 25:10

Hoed mijn arme ziel voor ’t kwade,
red mij van wat mij benauwt;
dat ik niet met schand’ en schade
omkom, daar ’k U heb vertrouwd.
Laat mij vroom zijn en oprecht
en U ongestoord verwachten.
HEERE, red ook met Uw knecht
Israël uit al zijn klachten.