Psalm 119 vers 7

Een oprechte lofprijzing

Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten uwer gerechtigheid geleerd zal hebben. (Ps. 119 vers 7)

Lezen: Psalm 28

Opnieuw een prachtige parel van dit parelsnoer, waarin deze verzen van de 119e psalm aan elkaar verbonden zijn. Het zijn allemaal bevindingen die ieder die in ieder vers uitgekristalliseerd zijn en wij geloven dat David, de dichter, telkens een persoonlijke ervaring als een geestelijke les voor anderen heeft uitgeschreven. Maar ze zijn toch aan elkaar verbonden zoals de parels in een parelsnoer aan elkaar verbonden zijn. De band is de verzuchting voor Gods aangezicht het aanhoudend spreken tot de levende God, een gedurig belijden voor Hem, die David in alle verzen aanspreekt. ‘Ik zal U, Heere…’, hij spreekt tot God. ‘Ik zal U loven in oprechtheid des harten.’ 

Er schijnen soms grote tegenstellingen te zijn tussen de verzen die elkaar opvolgen. Schijnen. Dat betekend dat ze er toch niet echt zijn. Als hier in vers 5 en 6 een verzuchting staat uit de diepte: ‘Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren.’ David klaagt de Heere zijn nood. ‘Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik zou merken op al Uw geboden.’ Er is beschaamdheid als hij dat mist. En dan opeens is er een lofprijzing: ‘Ik zal U loven!’ Na zo’n verzuchting uit de diepte opeens een lofverheffing uit de hoogte: ‘Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.’ Maar er is hier geen tegenstelling. Het zijn geen twee heel verschillende klanken die wij beluisteren. Ze stemmen wonderlijk overeen. We vinden ze in Gods Woord telkens samengaan: de verzuchting uit de diepte en de lof die in stilheid tot God is. Ze horen bij elkaar. Hebben wij dat al geleerd? Ze schijnen soms zo ver uit elkaar te liggen: de lofprijzing en de verzuchting. Misschien buigt u uw knieën wel eens en verzucht dan een begeerte die u de Heere voorlegt. U voelt nood en denkt dat u aan dankbaarheid, aan lofprijzing, niet toekomt. Zou dat een goed gebed zijn, als wij alleen met noden tot God komen? Sommigen denken het, maar toch is het niet zo. Ons gebed is weleens erg zelfzuchtig,  op onszelf gericht. O, zie hoe onze heiligste verrichtingen met zonden besmet zijn; hoe we onze gebeden dikwijls niet kunnen leggen naast het gebed dat de Heere Jezus Zijn discipelen leerde. het volmaakte gebed. Want daar liggen de verzuchting en de lofprijzing ook dicht bij elkaar. Daar blijkt ook dat de verzuchting en de nood van de bidder samengaat met de verheerlijking van Gods Naam. Daar wordt gebeden om de heiliging van Gods Naam, de komst van Zijn rijk, het geschieden van Zijn wil; ook de persoonlijke noden mogen we de Heere voorstellen: ons dagelijks brood en de vergeving van onze schulden. Maar u weet toch hoe het ‘Onze Vader’ eindigt in een lofprijzing? ‘Want Uw is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid.’ Daar liggen de verzuchting en de lofprijzing ook naast elkaar. De erkenning dat God kan geven wat wij van Hem begeren. Daarvan zegt de apostel ook: ‘Laat uw begeerten in alles, met bidden en smeken en dankzegging, bekend worden bij God.’ Hij zet het naast elkaar. Het hoort bij elkaar: uw begeren met bidden en smeken, en uw dankzegging. Waarom die dankzegging erbij? Wel, omdat een gebed dat zonder enig geloof, zonder enig vertrouwen dat God machtig en gewillig om onze noden in heerlijkheid te vervullen, opgezonden wordt, de Heere niet kan behagen. Sommigen denken te kunnen en mogen bidden zonder enig vertrouwen in God, zonder enige goede gedachte van God, zonder enige erkenning van God. Maar waar de Heere een oprechte verzuchting werkt, die naar Hem uitgaat, daar werkt Hij een verzuchting naar Zijn wil. Daar werkt Hij een gebed dat verlegen is naar de kennis van Gods wil en het doen van Zijn wil. En zo’n gebed is de Heere behagelijk. Het vragen naar de wil van God, de heiliging van Zijn Naam, de komst van Zijn koninkrijk. Die daarin de Heere willen bedoelen, zullen ook de Heere mogen erkennen. Heere U kunt dat geven. U kunt het geven dat in mijn ellendige zondaarsbestaan Uw Naam geheiligd wordt. O, U kunt het geven dat Uw heerschappij over mij en de mijnen wordt uitgebreid. En dat Uw wil mijn wil zal verslinden. De erkenning dat God machtig is te geven wat wij van Hem vragen en dat Hij gewillig is om te doen een ellendige zondaar nodig heeft: ‘Uw wil geschiede.’ Daar liggen toch de verzuchting en de lofprijzing dicht bij elkaar. Daar blijkt ook dat de verzuchting en de nood van de bidder samen gaan met de verheerlijking van Gods Naam. Daar wordt gebeden om de heiliging van Gods Naam. de komst van Zijn koninkrijk en het geschieden van Zijn wil. Ook de persoonlijke noden mogen we de Heere zo voorstellen: ons dagelijks brood, de vergeving van onze schulden en de verlossing van de boze. Maar weet dat het onze Vader eindigt in een lofprijzing: ‘Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.’ Daar liggen de verzuchting en de lofprijzing dus ook naast elkaar. De erkenning dat God kan geven, wat wij van Hem begeren. Daarvan zegt de apostel ook: ‘Laat uw begeerten in alles, met bidden en smeken en dankzegging bekend worden bij God.’ Hij zet het daar ook bij elkaar. Het hoort bij elkaar: uw begeren met bidden en smeken en de dankzegging. Waarom die dankzegging erbij? Wel, omdat het gebed zonder enig geloof, zonder enig vertrouwen dat God machtig en gewillig om onze noden in heerlijkheid te vervullen, de Heere niet kan behagen. Dan is het een gebed zonder enig vertrouwen in God, zonder enige goede gedachte van God, dus zonder enige erkenning van God. En daarom, waar de Heere een oprechte verzuchting, die naar Hem uitgaat, werkt, daar werkt Hij een verzuchting naar Zijn wil. Daar werkt Hij een gebed dat Zijn wil begeert en dus ook verlegen is om de kennis van Gods wil. Zo’n gebed is de Heere behagelijk: het vragen om de heiliging van Zijn Naam, naar de komst van Zijn koninkrijk en om Zijn wil te kennen. Daar wordt beleden: ‘Heere U kunt geven dat in mijn ellendige zondaarsbestaan Uw Naam geheiligd wordt. O, U kunt het geven dat Uw heerschappij over mij en de mijnen wordt uitgebreid en en dat Uw wil mijn wil zal verslinden.’ Het is een belijden dat God machtig is te geven wat wij van Hem vragen en dat Hij gewillig is om te doen wat Hem behaagt ten goede van ellendige zondaren. ‘Uw wil geschiede’. En dan liggen daar toch de verzuchting en de lofprijzing dicht bij elkaar. 

Wij hebben de achtentwintigste Psalm gelezen. Het lijkt een abrupte overgang: eerst roept tot God en de Heere schijnt geen enkele verzuchting van hem te horen. “Houdt U niet als doof van mij af, opdat ik niet zo Gij U van mij stil houdt vergeleken wordt met degenen die in de kuil nederdalen.” O, het is als een verzuchting van een dode: “Hoor de stem mijner smekingen als ik tot U roep.” Het is of de Heere hem niet ziet of hoort. Het is of de Heere niet van hem weet. En in vers 6 hoort u ineens: “Gelooft zij de Heere, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord. De Heere is mijn Sterkte en mijn Schild.” En dit is maar een enkele Psalm die we u noemen. Maar als u het psalmboek doorleest – en dat doet u toch dikwijls, inzonderheid als u veel tijd hebt om te overdenken? Kom, grijp dan het psalmboek maar eens vaker om erin te lezen, het te bemediteren,  te overdenken – dan zult u dikwijls tegenkomen, dat een dichter uit de diepte tot God roept en dat hij gaandeweg in zijn psalmen overgaat in een lofprijzing, een erkenning, een dankzegging. Zo horen het gebed en de dankzegging toch bij elkaar. Want ieder gebed moet gedragen zijn door een gelovig vertrouwen dat de Heere het kan verhoren. En is dat gelovig vertrouwen er niet, dan kan het wel zijn dat er in het gebed zaken naar voren gebracht worden die God niet behagen. En dan kan het vertrouwen er ook niet zijn. Dan is er niet de bede “Uw wil geschiede”. Maar als ons gebed naar Gods wil is, zoals Gods Geest leert bidden in verzuchtingen, die naar Gods wil zijn en voor de heiligen, dan behagen zulke gebeden de Heere. Dat mag dan ook een gebed zijn met vertrouwen dat daar een God is die het alles wèl kan maken. Daarom laat de bidder na zijn verzuchting een lofzegging volgen: “Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.” 

“Ik zal U loven.” Wat zijn er veel misvattingen over de lof van God, het prijzen van de levende God. Wij hebben het geleerd – het is te hopen dat wij het geleerd hebben met ons hart – op catechisatie en in de kerk, dat wij tegen God gezondigd hebben, met gedachten, woorden en werken. Dat zijn zonden van bedrijf en zonden van nalatigheid. Dat zijn de dadelijke zonden, die wij bedrijven in ons leven. Daarnaast is er nog de wortel van dat kwaad: de erfzonde. Maar als wij nu zondigen tegen God met gedachten, woorden en werken, wat zou de lofprijzing dan anders zijn dan de verheerlijking Gods waar de zonden weggenomen worden en de Heere ons gaat herstellen. Waar zou dat dan anders gebeuren dan ook in gedachten, woorden en werken. Dat is de rechte lof die de Heere behaagt! Dan krijgen we goede gedachten van de Heere en kwade gedachten van onszelf. Dat is het werk van de Heilige Geest, Die ons denken vervult en vernieuwt. Die schenkt ons licht in verstand, zodat we anders van God gaan denken. zoals we nooit van nature deden. Dan gaan wij goed denken van God en van Zijn heilige deugden. Dan gaan we God loven in onze gedachten. Dan is er een overdenking van God en van Zijn werk. Er is blijdschap in zo aan God te leren denken en Hem te leren kennen in al Zijn heerlijke deugden. Het is waar, de overdenking van Gods deugden kan bij soms ook benauwend zijn. Er zijn tijden in het leven van hen die de Heere leerden kennen, die Zijn deugden lief kregen, waarin ze sidderen vanwege de heiligheid Gods en vanwege het recht Gods. Toch hebben zij, als de Heilige Geest hen overtuigt, zaligmakend overtuigt, dan nog geen harde gedachten van God. Ik bedoel: dan keuren zij God in Zijn toorn en Zijn straf nog niet onrechtvaardig. Dan zullen zij God nog geen onrecht toedenken. Maar dan zullen zij leren aan Gods zijde te vallen en te zeggen: “De Heere is recht in al zijn weg en werk.” En dat is nog een lofprijzing in hun gedachten. O, als wij Gods deugden gaan overdenken – doet u het wel eens  als u een stil ogenblik hebt, dat u het Woord Gods voor neemt, ’s nachts als u niet slaper kunt: overdenken wie God is – dan kan de Heere ons goede gedachten geven van God. Bid toch de Heere, of Hij u Zijn Geest wil schenken, om Hem te leren kennen zodat u Hem met uw gedachten en met de woorden gaat prijzen. Dat laatste kan niet achterblijven. Vondel zegt: “Wat op ’s herten gronden leit, dat welt de mens naar de keel.” Waar ons hart vervuld mee is, daar loopt de mond van over, zo zeggen wij het. Dat is zeker zo als we goede gedachten van de Heere en van Zijn heerlijke deugden krijgen. Als we Hem hebben leren kennen in Zijn rechtvaardigheid en heiligheid maar ook in Zijn goedheid, lankmoedigheid, barmhartigheid en genade. Dan kunnen we niet zwijgen. Dan gaan we de Heere loven met gedachten, woorden en werken. Dat wil zeggen: dan is ook ons leven ernaar. Dan wordt het leven gereformeerd, werkelijk gereformeerd. En dat betekent dat wij in ons leven gaan zoeken wat de Heere behaagt. En daar gaat sprake van uit. Sommigen kunnen in hun woorden wel veel van God spreken, dat deed Mooiprater in de Christenreis ook: veel van God en van Zijn werk spreken, terwijl het leven, terwijl de werken in strijd zijn met dit spreken. Dat is geen rechte lof van God. Nee, de rechte lof van God is: de Heere loven met gedachten, woorden en werken. Dus met je leven. En dit leven maakt vaak nog de meeste indruk. Een teer kind van God leeft naar Gods wil, en daar gaat wat van uit. Wie een goed woord heeft voor ieder en de hand uitsteekt waar dat nodig is. Die werkelijk uit liefde het goede voor een ander zoekt, maakt indruk. Woorden wekken, maar voorbeelden trekken. 

“Ik zal U loven.” Is er die begeerte bij U om de Heere te loven? Dat is dan niet jezelf te loven. “Ik zal U loven in oprechtheid des harten als ik de rechten uwer gerechtigheid zal geleerd zal hebben.” Er zijn mensen die denken gevorderd te zijn in het leren van de rechten van God en van Zijn gerechtigheid. Ze denken ver gevorderd te zijn bij het onderwijs in de wil van God. Ze denken de Bijbel goed te kennen en de inzettingen van God in de praktijk te brengen. Ze al ver geklommen op de ladder van eigen gerechtigheid. Dat was Paulus ook voor zijn bekering. Maar weet u wat het kenmerk van die mensen is? Ze gaan zichzelf loven. Ze gaan zichzelf prijzen, hun eigen deugden verkondigen. Ze dragen hun eigen gerechtigheid uit. Ze zoeken in alles hun eigen eer. Zo was het niet bij David en zo is het niet bij hen wier verzuchting met David oprecht is: “dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren”. Die mogen zeggen: “Ik zal U loven in oprechtheid des harten.” Maar dat, als ze vorderen in dat hemelse onderwijs: “de rechten Uwer gerechtigheid leren”. O, als ik iets van dat onderwijs ontvang, dan is mijn lof voor U. Dat is niet de taal waarbij ik voordurend op de voorgrond treed. Maar dan is alleen God alle lof waardig. Want zulken verstaan dat God, Die hen ontdekte aan hun zonde, die hen beschaamt maakte vanwege hun zonde, die hun smart gaf vanwege hun zonden, maar ook redden wil uit hun zonden, Die hun leert hoe Zijn recht en gerechtigheid verheerlijkt zijn op Golgotha, en hoe zondaren in een weg van recht toch door God behouden kunnen worden van de verdiende toorn, omdat het recht door Hem is volbracht, Die als een onrechtvaardige – hoewel Hij rechtvaardig was in Zich zelf – ter dood is veroordeeld terwijl Hij onschuldig was, zodat Hij schuldigen de schuld zou kunnen vergeven! En daarom, voor Wie zou de lof dan toch zijn als er enig onderwijs is over de rechten van Gods gerechtigheid en hoe die verheerlijkt worden op deze aarde? Verheerlijkt wordt Christus om de verdienste van Zijn werk. Verheerlijkt wordt God, waar dat wondere werk wordt toegepast in de rechtvaardiging van goddelozen. Voor Wie zal de lof dan zijn, als hier iets van gekend wordt? Dan is die lof niet voor die ellendige mens, die niets van dat alles heeft verdiend of uitgedacht, maar voor de hoge, heilige God, die gedachten des vredes van eeuwigheid heeft gehad en Die in de tijd Zijn Zoon gezonden heeft, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. O, het is een werk Gods, Die de zaligheid van zondaren heeft teweeggebracht. En Die zondaren nog trekt uit hun verlorenheid. Voor wie zou dan de lof zijn? “Ik zal U loven is oprechtheid des harten.” Ziet u wel dat de gedachten met de woorden overeen moeten stemmen. 

Er is ook valse lof. Er zijn ook veinzende lippen, die spreken over God en die zeggen God te roemen. Ze zingen de lof van God, maar alleen met hun mond, maar niet met het hart en niet met het leven. Dan zegt de Heere: “Dit volk genaakt Mij met de mond, zij vereren Mij met de lippen, maar het hart houden zij verre van Mij.” O, dat is in de hemel als de schrikkelijkste, valste muziek, als men zegt God te loven terwijl het in het hart anders gesteld is; terwijl het in het leven anders gesteld is. Kom, zie uzelf daarin toch na. Dat kan de Heere niet behagelijk zijn. Alleen maar lippen die goed van Hem spreken, terwijl het hart ver van God in de wereld leeft. En dat het leven in tegenstelling is met wat God van ons vraagt. Dat is iets anders dan wat hier staat. “Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.” De rechten Uwer gerechtigheid. Het gaat weer over Gods recht. En weer over Zijn gerechtigheid. Hoe komt het toch dat David daar zoveel over spreekt. Doet U dat ook al? En denkt u er ook al veel aan? Want weet, dat het hier om hoofdwaarheden gaat. Het is waar, de deugden Gods zijn uitnemend heerlijk. Ze zijn van wezenlijke waarde om te leren kennen. Het kan niet buiten de kennis van Gods heerlijke deugden om. En dan gaat het om al Gods deugden. Maar weet toch dat zij die over Gods deugden spreken, maar nooit over Gods recht en gerechtigheid spreken, toch de Heere niet kennen. Ze kennen de Heere niet als hun Schepper. Ze kennen Hem niet als de God die hen ook zal oordelen. Want dat is toch het recht Gods en de gerechtigheid Gods, die deugd van God, die verheerlijkt wordt in alle mensen die Hij uit de zonden trekt, tot Zich trekt en tot Zijn heerlijkheid leidt. Ja, juist: Gods recht. Zijn recht dat kan eisen van de mens, dat de mens alles kan afvorderen wat Hij de mens heeft gegeven. Gods recht wordt gekend, het wordt gebillijkt, ook daar waar de Heere de zondaar kan straffen naar recht, omdat het leven zozeer in strijd is met de heilige wil van God. O, juist de gerechtigheid Gods is het die de ontdekte zondaar verschrikt en benauwt en die de ontdekte zondaar toch lief krijgt. Waaronder de ontdekte zondaar leert bukken, leert buigen voor God. En wat een wonder der wonderen voor zo’n schuldverslagen ziel is, dat is dat God zo’n zondaar kan behouden terwijl Zijn gerechtigheid niet gekrenkt wordt. Terwijl Zijn recht genoegdoening ontvangen heeft op Golgotha. O, de rechten van Gods gerechtigheid te leren, juist dat onderwijs is een onderwijs dat Gods kinderen zo’n overvloedige stof geeft om de Heere te loven. Dat is het voornaamste om te leren. Dat is de ware wijsheid te leren. En dat geeft stof om God te loven. En dat voor ellendige zondaren, die leren roemen in Gods recht, zoals de dichter dat doet van de 145epsalm het 6e vers. Die zingt: 

Psalm 145 vers 6:

De HEERE is rechtvaardig in Zijn werk.
Zijn goedheid is in al Zijn wegen sterk.
Hij is nabij die tot Hem roept of zucht,
en die in geest en waarheid tot Hem vlucht.
Aan wie oprecht en teer de HEERE vrezen,
wordt, wat zij wensen, door Hem toegewezen.
Hij zal Zich weldra tot hun schreien wenden.
Hij hoort hen en verlost hen uit ellenden.