Psalm 119 vers 8

AFHANKELIJKHEID BIJ BELOFTEN

Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer (Ps. 119:8).

Lezen: Jesaja 49 vers 14 tot 26

‘Ik zal…’ Dit een taal die we al veel gehoord en misschien ook wel veel gesproken hebben. Ik zal dit, en ik zal dat. Wat kunnen wij toch een goede voornemens hebben. Sommige mensen zijn bang van die taal. Wat zullen wij toch, nietige stervelingen. Wat zullen wij toch, ellendige dwazen, die ons veel voornemen, maar als het erop aan komt niets kunnen. ‘Ik zal.’ Is het geen zelfoverschatting om zo te spreken: Ik zal dit, of ik zal dat, en vooral als het gaat over geestelijke zaken. O, we worden in het Woord van God steeds weer vermaand, tot voorzichtigheid. Schrijft Jacobus het niet: ‘Welaan gij die daar zegt, wij zullen heden en morgen naar zulken stad reizen’; ik zal dit of ik zal dat doen; ik zal daarheen reizen. Ik zal daar een jaar doorbrengen, koopmanschap bedrijven en winst doen. En dan zegt hij: ‘Gij die niet weet wat morgen geschieden zal. Want hoedanig in uw leven? Want het is een damp die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. In plaats, dat gij zou zeggen: ‘Indien de Heere wil en wij leven, zo zullen wij dit of dat doen. Maar nu roemt gij in uw hoogmoed en zodanige roem is boos.’ 

We moeten maar niet te makkelijk zeggen: ‘Ik zal dit doen, of ik zal dat doen.’ Is dan de taal van David niet overmoedig? In het zevende vers begon hij ook: ‘Ik zal U loven’. En : ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. Wie durft dit David zo na te zeggen? Heeft David dan de vermaning niet gekend, zoals die door Jeremia is verwoord: ‘Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid en een sterke niet in zijn sterkheid en een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom…’ Bij David is dit geen ijdele roem. Nee, als David zegt: ’Ik zal U loven’, wat we vorige keer mochten overdenken, ‘in oprechtheid des harten’  en als hij zegt: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’, dan is dit geen ijdele roem. Dan is dit niet de trotsheid waar Jacobus naar verwijst. Want we moeten toch altijd verder lezen om de woorden in hun verband te zien. En zie dan toch in dit vers. Daar staat iets achter: ‘Verlaat mij niet al te zeer’. Zeker, David heeft een goed voornemen. Sommigen zeggen dat je geen goede voornemens mag hebben, want die zijn uit de boze. Er is zelfs een spreekwoord dat zegt dat de weg naar de hel met goede voornemens geplaveid is. Dus daarom maar geen goede voornemens meer hebben? Omdat het toch niets wordt… Misschien zijn er al die dat denken, ja, die zo al leven. ‘Ach nee, ik neem me maar niets goeds voor, want het wordt toch niets. Het loopt altijd op niets uit. Toen ik jong was, ach ja, toen had ik weleens goede voornemens. Dan dacht ik, ik zal dit of dat eens laten en ik zal dit en of eens gaan doen, maar ik heb mijzelf overschat. Ik heb allerlei goede voornemens gehad ten aanzien van het huwelijk, ten aanzien van de opvoeding van mijn kinderen, ten aanzien van mijn werk en van mijn naaste, maar er is niets van terecht gekomen. Allemaal goede voornemens, maar ach, waardeloos. Het nieuwe jaar begon ik met allerlei goede voornemens en het was nog geen dag oud en het lag al in duigen. Daarom, ik heb er geen verwachting meer van. Ik heb geen goede voornemens meer.’ Dit hoort de duivel graag: dat wij ons nooit iets goeds voornemen. Dat wij nooit besluiten de zonde te haten en te vlieden en het goede na te jagen. Toch moet je dat wel doen. Dat leert Gods Woord ons onder andere in deze tekst: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. Zie dat is een voornemen, een vast voornemen van David in deze Psalm. Hij heeft de moed blijkbaar niet opgegeven. U wel? O, de duivel stookt de mensen op: Geef de moed maar op. Kap er maar mee. Het kan voor jou toch niet meer. Je hebt het te laag laten liggen. Je hebt het te veel verzondigd. Je bent tegen je geweten ingegaan. Je hebt boze gedachten tegen God in je hart gehad. Geef de moed maar op. Je hebt het al zoveel geprobeerd. Hoelang heb je nu al gebeden? Het is toch nog nooit verhoord, zo fluistert de duivel dan in het hart van de zondaar. Geef de moed maar op met bidden, geef de moet maar op met werken. De vader de leugenen spreekt zo. Geef die moed niet op; maar koester ook geen ijdele hoop. Zie wel wat de grond is van je verwachting, wanneer je een goed voornemen koestert. Want dat is van wezenlijk belang. 

‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. Wie zegt dat? Uit wat voor een hart komt deze opmerking? Wel, zie slechts terug naar het vijfde vers. Daar zegt ook David: ‘Och dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren’. Daar hoort u dezelfde dichter die de hulp van God nodig heeft, omdat hij anders Gods inzettingen niet kan bewaren. ‘Heere, Gij hebt geboden dat men Uw geboden bewaren zal’, zegt hij in het vierde vers. ‘U eist van ons dat wij op Uw waarheid letten’. En daarom, Heere, richt zelf mijn wegen om Uw inzettingen te bewaren. Ziet u, hij is een afhankelijk man, niet afhankelijk van zichzelf, niet afhankelijk van zijn kunnen, van zijn doen, want dan was er geen verwachting. Maar hij heeft tot God gezucht en de Heere gevraagd: ‘Heere, leid mij daarbij, leer mij daarbij’, en dan kan hij zeggen: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. ‘Ja, maar David, als je het nu net niet kon en als je net de Heere nog nodig had, kan je het dan nu wel?’ Nee, ook nu zegt hij nog: ‘verlaat mij niet al te zeer’. Het verband van onze tekst maakt ons duidelijk dat wie oprecht, vers 5 mag nazeggen, toch ook zo ver mag komen, dat hij oprecht met vers 8 mag instemmen. Wie een oprechte begeerte heeft om Gods inzettingen te bewaren, mag zover gebracht worden, dat hij met een vast besluit, met een vast voornemen mag zeggen: ‘Nu zal ik Uw inzettingen bewaren.’ Daarbij steunend op de Heere alleen. Als de Heere daarin nabij is. ‘Verlaat mij niet al te zeer’. 

En als het dan mis gaat? Ja, dan zijn mensen gereed om te zeggen, dat  het Gods schuld is. Als ik daarin niet volhard, dan heeft de Heere mij begeven. Dan heeft Hij mij verlaten. Dan kan ik het ook niet helpen. Van mij was geen verwachting. O, wat is het hart van de mens toch goddeloos! Altijd geneigd om God de schuld te geven van al het kwaad dat in ons leven is. Daar is, zo denkt men, de Heere de schuldige van. De Heere had ons maar moeten bewaren. Hij had ons maar vast moeten houden. Heeft de Heere het niet gedaan, dan kunnen wij het niet helpen dat wij gestruikeld en gevallen zijn. Wat heeft God zo veel de schuld gekregen van de zonde. Van de oorspronkelijke zondeval; ook van de afdwalingen en van de zonden van alle dagen. Men wil het kwaad maar op de rekening van God schrijven om zich zelf vrij te kunnen pleiten. Maar dat zal in de eeuwigheid geen stand houden. De goddeloze mens, die God tot zijn dienaar wil maken, wil zelf op de troon zitten en God moet ons dienen. Maar wij zijn verplicht om de wet van God te houden en Zijn wil te doen, alle dagen van ons leven. God is niets verplicht. God is niet verplicht om zelf Zijn wet te houden. Dat Christus kwam om dat te doen, was als Borg en dit was wondere genade. Maar God is ons niets verplicht. Wij moeten leven naar Zijn wil. Wij behoren Hem te dienen. En het is een wonder van genade, als de Heere een dwaalzieke wetsovertreder, een zondaar, die alleen maar dwaasheid weet uit te denken en zijn weg te verderven, terecht wil brengen. Dat is een wonder van genade, maar dat is de Heere niet verplicht. Wij zijn verplicht de inzettingen Gods te bewaren al de dagen van ons leven. En de Heere is niet verplicht om ons daarin iets te schenken wat wij van ons zelf niet hebben. Leeft u het dagelijks in? Dan worden er verzuchtingen geboren. Dan wordt een gebed van een onwaardige geboren, die de hulp van de Heere niet missen kan, maar voortdurend beseft, dat God ons niets verplicht is. Als Hij mij laat liggen, dan doet Hij recht. Als Hij mij om laat komen in mijn ongerechtigheid, dan heeft Hij daarin geen schuld, maar dan is het mijn schuld. Want ik heb de zonde zelf gezocht en gedaan. O, is ons gebed al een gebed van een onwaardige? Die toon beluistert u hier wel. Ook in het tweede gedeelte van dit achtste vers: ‘Verlaat mij niet al te zeer’. 

David heeft God nodig. Waarom dan toch? Omdat hij zijn eigen onvermogen kent. David bidt om genade, of de Heere hem toch nabij wil blijven. Dat voornemen van zijn hart is vast: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. Maar hij is niet bij machte om het ten uitvoer te brengen. Zichzelf kennend bidt hij daarom: ‘Och Heere, blijf U toch bij mij. Ik ben mij zelf niet toevertrouwd. Heere, als U mij overgeeft aan mijzelf, dan komt er niets van terecht.’ Is dat ook de grondtoon van uw gebed: Heere, ik ben mij zelf niet toevertrouwd. Geeft U mij over aan mij zelf, dan kom ik voor eeuwig om. O, verlaat mij niet al te zeer’? En dan toch dat vaste voornemen! Hoe kun je het rijmen, dat gebed uit de diepte, die verzuchting als een onwaardige – verlaat mij toch niet, Heere – en toch dat vaste voornemen: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren’. Hetzelfde ligt in degenen die de Heere onderwijs geeft door Zijn Heilige Geest. Ze worden wakker geschud uit hun doodslaap, getrokken op de weg des levens en hebben deze beide zaken in hun leven: dat vaste voornemen om Gods inzettingen te bewaren, want waar God liefde in het hart uitstort en Hij een zondaar een beginsel geeft dat naar Hem uitgaat, daar zoekt men de wil van God. Daar krijgt men de wet van God lief. Daar wil men Zijn inzettingen bewaren en leven tot Gods eer. Daar wil men in kleine en grote dingen doen wat de Heere vraagt. Hoor het de pasbekeerde zuchten: ‘Heere wat wil U dat ik doen zal. Uw wil, Uw wet die is heilig, die is goed. Heere, leer ze mij toch.’ O, dan is er een vast voornemen om de zonde te verlaten, ze de scheidbrief te geven, zo wordt wel gezegd. Om te breken met een goddeloos en zondig leven. Dan wordt daar in het hart een vast voornemen gelegd om voortaan voor de Heere te leven. Naomi lukte het niet om Ruth van haar voornemen af te brengen. Dat voornemen in haar hart was er door de Heere in gelegd. Een onberouwelijke keus. Er lag in haar hart een overtuiging, zo, dat ze niet anders meer wilde dan God dienen. Dat doet de Heere al in de wedergeboorte. Dan schrijft Hij Zijn wet in hun harten. Dat kan er niet uitgewist worden. Die harten branden van liefde tot de wet die daarin geschreven wordt. Die wet wil men doen, men wil leven voor God, en vandaar dat vaste voornemen: Ik zal Uw inzettingen bewaren, wat het mij ook kosten zal. Al gaat mijn bedrijf eraan. Maar oneerlijk handelen, kan ik niet meer. Al moet ik mijn baan verliezen, maar meelachen met vloekers en spotters gaat niet meer. Voelt u, het vaste voornemen om de inzettingen Gods te bewaren. Al lachen alle jongens en meisjes in de klas mij uit, maar ik accepteer het niet meer dat ze vloeken onder elkaar. Het is een vast voornemen om Gods inzettingen te bewaren. En dan toch die tere bede: ‘Verlaat mij niet al te zeer’. Wat horen die twee toch wezenlijk bij elkaar. Stel, dat het voornemen er alleen had gestaan en het gebed niet. Ik zal Uw inzettingen bewaren. Punt. Dan hadden wij hier te doen met een verschrikkelijke zelfoverschatting. Dan was het een goed voornemen geweest zoals er duizenden liggen op de weg naar de hel. Mensen denken alles wel te kunnen en hun weg zelf recht te houden met hun goede voornemens. Ze komen erin om. En als hier nu alleen die verzuchting had gestaan, maar dat voornemen was afwezig geweest, dan was dat gebed niet oprecht geweest. Iemand die zegt niet zonder God te kunnen, en er maar op los leeft en de zonde met twee handen vast houdt, diens verzuchting tot God is niet oprecht. Ze horen dus wezenlijk bij elkaar. Het kan zijn dat Gods kinderen daarin weleens misgaan. Ik denk aan Petrus. ‘Al moest ik met U sterven, ik zal U geenszins verloochenen’. Verlaat mij niet al te zeer…, nee, dat staat er daar niet achter. Er geen verzuchting bij. Hij zegt het zo maar: ‘Al moest ik met U sterven, ik zal U geenszins verloochenen’. Petrus, je zult het aan de weet komen dat je jezelf hebt overschat. Je kent de diepte van je arglistige hart nog niet. En het kostte hem bittere tranen toen hij zijn Meester had verloochend. O, daar was een vast voornemen van Petrus zonder gebed. Dat is zelfoverschatting. 

Soms is er wel gebed, maar zonder het vaste voornemen. Bij koning Saul bijvoorbeeld. Tot het einde van zijn leven zocht hij de Heere nog wel, maar zijn levensweg was ver van God. Hij bekommerde zich niet om de wil van God. Dan kan hij wel zeggen: ‘Verlaat mij niet’, maar hij heeft God al lang verlaten. Ziet u dat die beiden er samen moeten zijn in ons leven: het vaste voornemen om Gods inzettingen te bewaren en de verzuchting: ‘Verlaat mij niet al te zeer.’ 
David is bang voor Godsverlating. Bent u dat ook? Bang voor Godsverlating? Als God Zich eens aan ons onttrekt. Helemaal. Of steeds verder. Wij hebben die Godsverlating verdiend. Nee, die Godsverlating is er nog niet geheel en al. Dat is het wonder van deze bedeling. Het wonder van het heden van genade. Daarom heet het ook zo. In het heden van genade is er nog geen absolute Godsverlating. Wij hebben wel God verlaten. Onze voorouders al in het paradijs. En wij verlaten en vergeten God dagen zonder getal. De mens heeft God de rug en de nek toegekeerd en is op een weg gegaan die van God afvoert naar zijn eigen verderf. De mens verlaat God, en God heeft gezegd: ‘Ten dage als je daarvan eet… – dus als je ongehoorzaam bent, Adam, dan zul je de dood sterven.’ En wat is de dood anders dan Godsverlating? Zeker, de tijdelijke dood is een scheiding tussen ziel en lichaam, maar de geestelijke dood is de scheiding tussen God en de mens. Het is een breuk, die op een eeuwige dood uitloopt. Eeuwig gescheiden te worden van God. Dat is gezegd en dat komt. Tenzij. O, het is er nog niet. Tenzij wij wederom tot God komen. Wij verlaten God en hebben Hem de rug toegekeerd, maar God verlaat ons nog niet. God heeft de mensen nog niet de rug toegekeerd. Maar Hij breidt zelfs – o wonder van genade! – Hij breidt zelfs Zijn handen nog uit naar een wederstrevig volk. Naar een volk Hem gedurig tergend. Hij riep Adam na: ‘Waar zijt gij?’ Hij roept het ons nog na. God heeft ons nog niet verlaten. Nog niet. Maar wanneer zal het komen? Want wij hebben wel verdiend dat God het moede wordt om ons nog te roepen en dat Hij Zich van ons af zal keren. Het is recht, want wij verlaten God dagen zonder getal. Een onbekeerde zondaar doet niet anders dan voorthollen op de weg van God weg. Godsverlaters, God verliet u nog niet. Vrees toch en bid de Heere: ‘O Heere, verlaat mij niet al te zeer’. Maar het moet samengaan met het eerste deel van het gebed: ‘Ik zal Uw inzettingen bewaren, verlaat mij niet al te zeer’. 

Onbekeerden mogen sidderen als ze denken aan wat verdiend is: Godsverlating. 
Gods kinderen sidderen als ze denken aan de Godsverlating, want zij weten er iets van wat het is. Zij weten er iets van, als de Heere Zijn aangezicht verbergt en als ze in duisternis over de wereld gaan. O, schrikkelijke donkerheid, schrik van rondom in hun leven, juist bij hun afdwalingen. O, weer de zonden de hand gegeven, een slordig leven geleid, de Heere vergeten, de goede Herder uit het oog verloren, de Heere verlaten, terwijl de Heere ons opgezocht had. Is het zo niet dikwijls in uw leven? O, bestreden kind van God, is het niet vaak zo dat u zegt: nu zal de Heere nooit meer terug komen. Wij kunnen zo gemakkelijk zeggen: er is geen afval der heiligen. Maar in de waarneming van hen die de Heere liefkregen, vallen zij vaak van Hem af en hebben zij dagelijks de zoekende liefde van die Overste Leidsman en Voleinder des geloofs nodig. En is het dan verdiend? Simson, als je daar met uitgestoken ogen in de gevangenis zit en als een blind paard een molen in beweging moet houden? O, wat is er van je leven geworden? Ja, het is wel waar: de Heere heeft je vroeger geholpen. Je had die poorten van Gaza anders nooit op kunnen tillen. De Heere heeft je wel geholpen toen je dat ezelskinnebakken in je hand had. Het is zeker waar. Er is wel een fontein geweest in het dal van Lechi. Er zijn veel wonderen in je leven geweest. De Heere heeft je vele malen geholpen. Maar daar sta je nu; het is toch je eigen schuld, Simson. Je hebt het jezelf aangedaan in de schoot van Delila. Je hebt de zonde weer omhelsd en nu is het te laat, zo zal de duivel gesproken hebben. Nu gaat God jou verlaten. Zo kan de duivel het wel eens zeggen, in het hart van een moegestreden kind van God. En dan moeten ze zeggen: het is nog verdiend ook. O, ja, daar is licht geweest in mijn leven. Daar is troost geweest, daar zijn uitreddingen geweest, maar ik heb God verlaten. Ik heb het er zelf naar gemaakt, dat het zo schrikkelijk donker is. En daarom, o, daarom zal God mij wel eertijds voorgoed verlaten. Dan zal het toch nog voor eeuwig omkomen worden. Dan zal het toch nog blijken dat het alles bedrog is geweest en dat ik mij zelf maar wat heb ingebeeld. Dan zal blijken dat ik een prooi van de zonde en van de duivel ben. Ik heb het er naar gemaakt. Maar dat kan niet! De vader der leugenen doet niets liever dan stoken met leugens. Want weet dat de Heere hen die Hij heeft opgezocht, die Hij te sterk werd, in wier hart de woorden van onze tekst leven, al waren de afdwalingen nog zo veel, niet zal verlaten. 

Het gaat hier over het voornemen van het hart, niet over de uitwerkingen, maar over een voornemen, een vast besluit, de begeerte van het hart. O, waar de Heere Zijn wet in onze harten schreef en liefde gaf tot Hem en tot Zijn dienst, waar Hij ons onwederstandelijk trok om de zonde de scheidbrief te geven en ons aan Hem over te geven, ja, aan de leiding van Hem, Die de zondaren tot een Profeet, tot een Priester en tot een Koning wil zijn, die een Goede Herder wil zijn voor Zijn kudde, o, daar ziet Hij Zijn schapen afdwalen. Maar daar wordt die Herder het toch niet moe om ze weer op te zoeken. Telkens weer. Dat is onbegrijpelijk. Dat is onbegrijpelijk voor die Simson, als hij daar straks staat tussen die pilaren en ze betast en bidt: ‘Verlaat mij niet al te zeer’. ‘Heere’, zegt hij, ‘sterk mij alleen ditmaal.’ Dat is dezelfde verzuchting. Zonder God is ook Simsom niets. Zonder de tegenwoordigheid Gods in Christus zijn Gods kinderen ook niets. En daarom verzuchten zij: Heere, verlaat mij niet al te zeer. En wat zegt dan het goddelijk antwoord? ‘Sion zegt, de Heere heeft mij verlaten, de Heere heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen over de vrucht haars buiks? Ofschoon zij ook vergate, zo zal Ik u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd. Uw muren zijn steeds voor Mij.’ O, wonder van genade! ‘De Heere’, zo zingt de dichter, ‘zal in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel nooit begeven. het oordeel keert vol majesteit haast weder tot gerechtigheid.’ Hoe kan dat? Hoe kan dat oordeel, dat naar verdienste op ons kan komen, hoe kan dat toch wederkeren tot gerechtigheid? Zo, dat dat volk niet begeven en verlaten wordt? Het kan om Hem, Die van God verlaten is geweest. Hij wel verlaten! Dat kan om de Zoon Zijner liefde, bij wie hulp besteld is op Golgotha. Aan het kruis heeft Hij uitgeroepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.’ Hij van God verlaten, opdat de Heere  Zich met eeuwige goedertierenheid over de Zijnen zou ontfermen. Amen.

Zingen: Psalm 119 vers 4

Dan zing ik tot Uw eer, o HEERE God,
met een rein hart, als ik heb mogen leren
Uw goed gericht en Uw getrouw gebod.
Ik zal mij tot Uw wil met ijver keren
en die bewaren als mijn zalig lot.
Verlaat mij niet, maar schenk mij mijn begeren.