Psalm 119 vers 9

Een zuivere gang in je jeugd

Lezen: Prediker 11

Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord (Ps. 119:9).

Deze tekstwoorden zijn speciaal voor de jeugd, zo denken we misschien. En dat is waar, ze zijn zeker ook voor de jeugd. Jongens, maar dan toch zeker ook meisjes worden hier aangesproken. Hoe zal de jeugd zijn levensweg zuiver houden? Zeker, het is een boodschap vooral voor de jeugd. Onze kinderen, onze kleinkinderen als u die hebt, mogen dit woord wel ter harte nemen. Want als we jong zijn, denken wij het leven voor ons te hebben. En de jeugd wil meestal aan het begin al een bepaalde weg uitdenken, een ideaal zoeken waarvoor ze willen leven. Vaak gaat men al in zijn jeugd een bepaalde richting uit, waarin men doorgaat tot het einde toe. Maar de jeugd heeft daar in onze tijd vaak de grootste moeite mee. Dan kan men geen ideaal vinden, waarvoor men wil leven. Het leven lijkt zinloos. De maatschappij is zo wankel, de wereld zo somber. Waar leef je eigenlijk voor? Wat is de zin van ons bestaan? Veel jongeren zien het niet meer. En volwassenen tonen het vaak niet. Zo verdwalen ze in de chaos van de samenleving. Ze dreigen erin te verdrinken en zoeken een uitvlucht. Ze vluchten in drank, of in drugs of vergooien zich in een leven vol genot op allerlei terreinen van de zonde. Hoe verdrietig is het dat veel jongeren geen ideaal kunnen vinden, dat waard is om voor te leven. Sommigen doen een wanhopige poging zo’n ideaal vast te grijpen. Dan doen ze mee in actiegroepen. Soms komen ze zelfs in terreurorganisaties terecht. Ze gaan vechten tegen kernbewapening of tegen een kerncentrale. Of tegen het vervoer van munitie voor het leger, enzovoort. Je ziet wel hoe jongeren op allerlei plaatsen op een fanatieke wijze ageren tegen het gezag. Ze grijpen naar een ideaal, maar zien niet eens wat het inhoudt. Ze realiseren zich niet hoe ze zich vergooien aan het kwaad en hoe ze het goede kwaad gaan noemen en het kwade goed. 

Hoe komt dat toch dat er zoveel jongelui zijn die geen goed ideaal kunnen vinden, dat waard is om voor te leven? En dat degenen die het nog zoeken een verkeerd ideaal grijpen, waarmee ze hun ondergang bevorderen? Moeten de ouderen de hand niet in eigen boezem steken? Wie maakt zich druk om de jeugd? Wie begrijpt de moeilijkheid van veel jongeren in onze tijd, die de zin van hun leven niet meer kunnen vinden? Misschien hebt u wel kinderen of kleinkinderen die er ook moeite mee hebben. Is er dan niemand die naast hen gaat staan? Is er dan niemand die ze leiding geeft? Is er dan geen vader, geen moeder, geen opa of oma die toch eens met Jan, met Henk, met Wilma of hoe ze ook heten, een keer praat? Die vraagt: “Waar leef jij nu eigenlijk voor, dat korte poosje dat je op de wereld bent? Wat wil jij nou eigenlijk bereiken. Wat is nou eigenlijk jouw leven, Jan? Denk je er weleens over na?” Ik ben eens erg geschrokken, toen ik in een vierde havo klas die vraag stelde aan mijn leerlingen: “Jongens, waar leven jullie voor? Wat is het doel van je leven? Heb je er wel eens over nagedacht? Of geef anders maar een antwoord op deze vraag: Wat moet het doel zijn van je leven? Hebben jullie er nog nooit over nagedacht?” Ik schrok, toen ik merkte dat ze er eigenlijk nog nooit over nagedacht hadden. En dat er ook niemand was die hen daarbij leiding gaf, die hen hielp bij het zoeken naar een ideaal. Waar leef je voor? Of waar moet je voor leven? En is dat de tragiek niet van veel jongeren, dat er geen ouderen zijn die hen leiding geven? Die hen de weg wijzen? Gods Woord wijst onze jongens en meisjes wel de weg. Daar lees je waarvoor je moet leven, hoe je moet leven, hoe je gelukkig kunt worden in dit leven, wat het mooiste ideaal is in het leven, wat het allerhoogste goed is in het leven en waar je naar mag jagen al de dagen van je leven. En dat is de moeite wel waard! 

Wat is dan het allerhoogste goed in het leven? Wat is het allermooiste wat je mag zoeken in dit leven? Dat is wat Gods Woord ons voorhoudt: Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Waarmee zullen we ons leven zuiver houden? Dat is: de zonde ver van ons houden. Dat wil zeggen: leven zoals God het van ons eisen kan en zoals Hij het van de door Hem geschapen mens ook eist. Ieder mens zal voor God moeten leven. Wij zijn het maaksel van Zijn hand. Hij schiep de mens opdat hij zijn Schepper zou dienen. Niet opdat hij zich van God zou afkeren. De dure roeping van iedere jongen en meisje, maar dan ook van iedere man en iedere vrouw, ook van ieder die al bejaard geworden is, is: God te dienen, met een zuiver leven en met een zuiver hart. God te eren, zoals Hij het naar recht van ons kan eisen. Ja maar, zegt u dat was voor de zondeval. Ja, voor de zondeval kon de mens dat ook. Toen was het vermogen in de mens om dat te doen, om zo te leven en werkelijk God te bedoelen. Toen kon de mens leven uit louter liefde en ook te leven om liefde te bewijzen. Maar dat betekent niet dat het nu ons doel niet meer moet zijn. Gods Woord leert ons dat het nu nog zo moet zijn. Dezelfde gehoorzaamheid die God voor de val van ons eiste, zijn we nog verschuldigd. Die eis ligt er nog. En dan is het: “Doe dat en gij zult leven”. Dan is het eeuwige leven beloofd op het doen van de wil van God. Ja maar, zegt u, dat kan toch niet meer. Dat is toch onmogelijk! Ja, maar laten wij dit niet gebruiken als een voorwendsel om het nu ook niet meer te zoeken. Iemand die de Heere liefheeft, kan dat ook niet. Die jaagt toch naar heiligmaking. Die begrijpt toch wat Paulus zegt: Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Want wie is er, die bij een verterend vuur of bij een eeuwige gloed wonen kan? De heiligheid Gods zal de zondaar verteren als hij voor God komt te staan. Daarom: er moet heiligheid zijn; er moet een zuiver, rechtvaardig leven zijn. Dat moet het ideaal zijn van ieder. Dat zal zeker het ideaal zijn van ieder die God lief heeft. Die zal dat najagen. Al moet hij met Paulus zeggen: “Niet dat ik het alrede gegrepen heb, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen kon”. Ons leven zuiver houden, ach, wie zal dat toch kunnen? 

De jeugd wordt nu vooral aangesproken. Hun leven wordt vaak gekenmerkt door hartstochten, door driften, door een drang om veel te ondernemen. Het is een periode in het leven, waarin men zich voor allerlei zaken in wil spannen en wil geven. Er is veel vuur. Vaak meer vuur dan licht. Men loopt zichzelf vaak voorbij in de jeugd. Men overziet vaak niet wat men onderneemt of waar men terechtkomt. Ze luisteren vaak niet naar waarschuwingen, hollen als een blind paard voort. Wel veel hartstochten, maar niet veel ervaring, niet veel wijsheid. En daarom vaak dat ongeremde voorthollen in dingen die men niet overziet en waarin ze uiteindelijk verkeerd uitkomen. Vaak zijn de jongeren dan moeilijk te temmen, moeilijk tegen te houden. En daarbij: zijn onze driften, onze hartstochten, is ons streven van nature wel goed, of is het juist niet goed? Is het niet kwaad en geneigd om een verkeerde weg in te slaan? Het geldt van jongeren, maar toch ook van ouderen. We zijn geneigd om God te verlaten en onszelf te zoeken. Om idealen te kiezen die niet naar de wil van God zijn. O, hoe zal dan toch zo’n jongen, zo’n meisje, zijn weg zuiver houden? Als wij geneigd zijn om juist de verkeerde kant op te gaan en als wij geneigd zijn om onszelf te overschatten en niet te laten remmen? Geneigd om te vertrouwen op onszelf? Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw Woord! O, alleen als er een krachtige leiding is om te temmen, om terecht te brengen; om die wijsheid te schenken die ons door de zonden ten enenmale ontbreekt. Wandelen wij in duisternis? Licht komt van Gods Woord. Weten wij niet wat waarheid is? Het Woord Gods is de waarheid. Weten wij niet wat wijsheid is? Gods Woord leert ware wijsheid en leert wat het recht voor God is. Zeker: als hij dat houdt naar Uw Woord! Ja, u ziet wel, het is toch niet alleen een woord voor jongens en meisjes. Het is toch niet alleen een woord voor de jeugd. Maar het is een woord voor ons allemaal. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? U bent ook jong geweest. En welke kant bent u toen op gegaan? Wat hebt u gezocht in uw leven? Denk eens aan uw jeugd. Wat hebt u gedaan met wat in u opkwam? Met uw hartstochten, driften? Waardoor hebt u zich laten leiden? Door uzelf? Door mensen? Door wat u dacht wat goed was? Of door het Woord van God alleen? Weet, dat alleen daarvan zegen is te verwachten. Als het Woord van God heerschappij had in uw jeugd, werd u daardoor bewaard voor uitbrekende zonden. Als het uw richtsnoer was, werd u bewaard om wegen in te slaan, waarin u zeker hemels onderwijs zou ontberen. U werd bewaard om wegen in te slaan waar u van de middelen die God geeft zou vervreemden. Als u uw wegen gericht hebt naar Gods Woord en Zijn inzettingen in uiterlijke zin, dan bent u voor veel uiterlijk en openbaar kwaad bewaard geworden. Maar toch de vraag: Wat heeft het Woord van God ons gedaan? Was het als een zaad dat ontkiemde en vrucht voortbracht? Want het Woord van God is als een zaad zoals ook staat in het Schriftgedeelte dat wij gelezen hebben, Prediker 1. “Zaai uw zaad in de morgenstond”. Hoort u het? Bij de jeugd moet het zaad dus gezaaid worden, in de morgenstond van het leven. Zullen wij het niet vergeten? Bij onze kinderen of onze kleinkinderen, nu ze jong zijn. Jong moeten we met hen over de Heere spreken en over Zijn dienst. Wijs ze op het ene nodige. Zaai in de morgenstond. Ja, zegt u, maar het is bij mij veel te weinig gebeurd. En nu heb ik het bij mijn eigen kinderen, veel te weinig gedaan. Lees dan eens verder: “Trek uw hand des avonds niet af”. Ga er maar mee door. Ga er maar mee door dat kostbare zaad van het Woord te zaaien. “Want gij weet niet wat recht wezen zal…”. Je weet niet wanneer God het gebruiken zal. “Of dit of dat, of dat die beiden te samen goed zijn zullen”. Dat is Gods zaak. Het is wel waar dat de mens die veel jaren leeft op de aarde zich in die allen verblijdt, zo staat in het achtste vers in de Prediker. 

Maar de mens is geneigd om te vergeten wat zonde is en wat de duisternis door de zonde is. Daarom komt de Prediker nog eens met een waarschuwing tot de jeugd. Tot de jongeren: “Verblijdt u in de dagen uw jongelingschap, enzovoort. Maar bedenk toch wat je zoekt in de dagen van je jongelingschap! God zal alles in het gericht brengen! We moeten met alles wat we doen voor Gods rechterstoel verschijnen. Zal dat dan kunnen? O, zie nu eens terug naar uw jeugd. Wat is uw levensweg geweest? Wat is de tijd voorbijgevlogen. De dagen, de jaren. Wat verwelkt de jeugd toch snel! Nu, dat staat hier ook. “De jeugd en de jonkheid is ijdelheid”. Dat betekent: vergankelijkheid. Ze vliegt voorbij. Men denkt iets vast te kunnen grijpen, maar het blijkt niets te zijn; leeg te zijn. De jeugd en de jonkheid dreigt op te gaan in wat niets is. We dreigen ons te bezondigen in afgoderij met wat ijdelheden zijn. Zoals Gods Woord zegt: het vliegt voorbij. Ach, zegt u, dan heb ik mijn jeugd vergooid in de zonde. O, dan heb ik het Woord van God op een afstand gehouden in mijn leven. Daar gaat het wel om, om het Woord van God. Het zaad dat in de morgenstond gezaaid moest worden, mag ook ’s avonds nog gezaaid worden. Want Gods werk kunnen wij niet doorgronden. De Heere werkt op Zijn tijd en wijze en wij moeten het brood uitwerpen op het water. Wij moeten maar zien, nee, niet op omstandigheden, niet op wolken, niet op de wind, want dan komen wij aan zaaien en maaien niet toe, zegt de Prediker. Maar we moeten de taak doen waar God toe roept en de zegen van God verwachten. Nu nog geldt dit woord, ditzelfde woord, wat voor de jongeling ook gold, ook voor ons. Trek u hand ’s avonds niet af. Waarmede zal de jongeling – of wie zijn jeugd al voorbij liet gaan, misschien al tot ouderdom gekomen is – waarmee zullen wij ons pad zuiver houden? Als wij dat houden naar Gods Woord. 

Hier staat ‘Uw Woord’, het Woord van God. In iedere tekst van deze Psalm komen wij een woord tegen dat het Woord van God beduidt. We hebben al verschillende woorden gelezen. In vers 1: ‘de wet des Heeren, vers 2: ‘Zijn getuigenissen’, vers 3: ‘de wegen des Heeren’, vers 4: ‘Gods bevelen’, vers 5: ‘Uw inzettingen’ vers 6: ‘Uw geboden’, vers 7: ‘de rechten Uwer gerechtigheid, vers 8: ‘Uw inzettingen’ en nu in vers 9: ‘Uw Woord’. Al die woorden beduiden hetzelfde: de geopenbaarde wil van God. Het gaat hier in onze tekst over Gods Woord in zijn geheel. De geopenbaarde wil van God, kunnen we die houden in al onze wegen? In de zin van: hier en weinig, daar een weinig, regel op regel. Zou dat bedoeld zijn in deze tekst? Zoals de farizeërs het uitgelegd hebben en zoals een natuurlijk mens het altijd weer wil uitleggen door alleen de uiterlijke daden te meten aan de geopenbaarde wil van God. Ja, dat moet wel gebeuren. We moeten onze uiterlijke daden niet onverschillig achten en die moeten we zeker leggen naast de maatstaf van het Woord van God om te zien waar de zonden openbaar komen. Maar dat zijn zichtbare openbaringen van een kwaad dat veel dieper wortelt! En daarom, het gaat niet alleen om wat naar buiten komt, niet alleen over regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Want de mens ziet aan wat voor ogen is. En de natuurlijke mens ziet nooit verder, noch bij zich zelf, noch bij een ander. Maar God ziet het hart aan. Dat is voor Paulus wat geweest, toen hij dat ging verstaan! Toen hij ging ervaren dat de wet geestelijk is, zijn innerlijk oordeelde. Hij zegt: “Toen het gebod gekomen is, is de zonde weder levend geworden”. Toen heb ik pas gezien hoeveel zonden er in mijn hart bruisten. “En ik ben gestorven”. O, toen ervoer hij dat Gods wet zijn innerlijk veroordeelde en sprak hij: “De wet is geestelijk, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde”. Toen kwam pas openbaar hoever hij was afgedwaald. Hij dacht eerst heel zijn leven naar Gods Woord geleefd te hebben. Bij het lezen van Psalm 119 vers 9 dacht hij wellicht: Nu, dat heb ik nog eens mooi gedaan, als jongeling mijn pad zuiver gehouden, want ik heb het gehouden naar Gods Woord. Paulus is als de rijke jongeling geweest. En dat is de natuurlijke mens als hij dit woord gaat lezen en op zich zelf gaat toepassen. Dat zegt hij: “Ik ken veel mensen die zo niet geleefd hebben en die ver afgedwaald zijn, maar ik gelukkig niet. Ik heb mijn weg aardig recht kunnen houden, naar Gods wil.” Dat zeggen wij, zolang wij geen licht hebben bij deze tekst. Zolang wij niet verstaan wat het Woord van God is, niet verstaan hoe diep het oordeelt. Zolang we niet weten dat God ook ons innerlijk, onze driften, onze begeerten, onze verlangens oordeelt en veroordeelt. De wet is geestelijk. O, was dan ons pad naar Gods Woord? Was ons leven dan zoals God het wilde? Werden we gedreven door liefde tot God en de naaste, wat Gods Woord ons toch leert? Was dat de drijfveer van ons handelen? Was er geen begeren naar wat God ons niet gaf? Geen jaloezie naar wat anderen aan tijdelijk goed van God kregen en wat de Heere ons onthield? Was daar geen toorn tegen God en de mensen? Geen wantrouwen jegens God en vertrouwen op mensen, of op tijdelijke dingen, afgoderij enzovoort? Wij zouden alle geboden met elkaar na kunnen gaan, maar de tijd ontbreekt daarvoor nu. O, weet toch dat het Woord van God ons innerlijk oordeelt en wie heeft dan zijn pad zuiver gehouden? Wie durft dan toch te zeggen, ook op hoge leeftijd: ”Ik heb mijn pad zuiver gehouden”, als wij zien dat God ons hart aanziet? En alles wat wij najaagden, wat wij begeerden, wat wij liefhadden, wat was er veel in strijd met de heilige wil van God. Wie heeft zijn pad dan zuiver gehouden? O, wie het meent, die weet niet wat zuiver is. Die weet niet wat heilig is. Die weet niet wie God is en hoe Zijn ogen niet alleen de ganse aarde doorlopen, maar dat ook de duisternis voor Hem licht is. Licht als de dag is voor Hem ook ons binnenste. Wie heeft zijn pad zuiver gehouden? Ja, maar, zegt u, dan heeft niemand het. Dan is iedereen afgedwaald. Inderdaad: wie de zonde deed en afdwaalde en zijn weg niet zuiver hield, vermeerderde schuld. Dus dan is dit een woord dat ons allen veroordeelt. Maar toch brengt het ook terecht. “Als hij dat houdt naar Uw Woord.” Het pad van de jongeling, of van wie dan ook, wordt zuiver gehouden als het Woord van God over ons gaat heersen en we Hem leren kennen, Die de wet vervuld heeft: het vleesgeworden Woord van God! 

In de Bijbel lezen we de wil van God. Daar lezen wij dat God van de mens gehoorzaamheid en onderwerping eist. Maar het Woord van God spreekt over meer. Het spreekt niet alleen over de eis van Gods heilige wet, maar het spreekt ook over de vervulling van de wet, over Hem, het vlees geworden Woord die kwam om de wet te volbrengen. Naar Gods wil, die Hij volbracht, is Hij ook een Leidsman voor de blinden. Hij kwam om dwazen te leiden op een weg die ze niet geweten hebben. Door Hem, het Woord van God, spreekt God tot dwazen, tot van Hem afgevallen mensenkinderen. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond, zo zegt de evangelist en apostel Johannes, en we hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid. En dat leert het Woord. O, waar Gods Geest ons door het Woord onderwijst en wij geleid wensen te worden door het geopenbaarde Woord van God, daar zal een schuldverslagen zondaar gebracht worden aan de voeten van die Overste Leidsman. Daar zal hij door het Woord en door de Geest gebracht worden aan de voeten van Christus om te leren, dat er genade is voor zondaren, om daar te leren dat een doodschuldige om niet, tot roem van genade, een kind Gods kan worden, om dan door Hem, die Overste Leidsman, in alle waarheid geleid te worden. Geleid te worden door het vleesgeworden Woord. Geleid op een weg, waarvan Hij zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”. Geleid te worden door Hem, dat is uiteindelijk geleid te worden naar Gods Woord. Want tot Hem heeft God gesproken: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem”. En wie Hem niet kent, wie Hem niet bemint, Wie Hem niet aanschouwt, die verstaat het Woord Gods nog niet. Die verstaat het nog niet waar het ons verdoemt en waar het ons terneer werpt, maar die verstaat het ook niet, waar het een schuldverslagen zondaar opricht. Ja, waar Christus Zelf, als het Vleesgeworden Woord, ellendigen een Land bereidt, door Zijn sterkte hand, als Israëls Ontfermer. O, daar is Hij het alleen, die jongens, die meisjes, die mannen, die vrouwen leidt op een weg waarop de waarheid gekend wordt. Waarop de gerechtigheid en heiligheid gekend wordt, als gaven van Hem, die Hij werkt. Hij is niet alleen de gerechtigheid van de Zijnen, maar ook hun heiligmaking, waardoor hun leven vernieuwd wordt. Hij vernieuwd het door hen naar Zijn beeld te vernieuwen in de omgang met Hem en daar waakt Hij over een zuivere levenswandel voor allen die Hem als hun overste Leidsman hebben. En zo zullen de jongelingen, de meisjes, de mannen, de vrouwen, de bejaarden die door Gods Woord gebracht zijn tot het vleesgeworden Woord, door Gods Geest geleid worden, Die het uit het Zijne neemt om het hen te verkondigen. O, zij zullen in waarheid ervaren dat het pad zuiver gehouden wordt als dat gehouden wordt naar Gods vleesgeworden Woord.

Zingen: Psalm 119 vers 5

Hoe zal een jongeman, zo licht bekoord,
zijn pad bewaren vrij van vuile smetten?
Wanneer hij vasthoudt aan Uw heilig woord.
Och, doe mij op Uw woord en waarheid letten.
Ik zoek met heel mijn hart, dat naar U hoort,
Uw wil, laat mij niet dwalen van uw wetten.