Psalm 119 vers 10

GOD ZOEKEN

Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen (Ps. 119:10)

Lezen: Hooglied 3 vers 1 – 5.

David kan zeggen: “Ik zoek U met mijn gehele hart.” Mag u het nazeggen? Dat is wel de taal van hen die de Heere vrezen, van de kleinen en de groten. Hier wordt het hart verklaard van ieder die het in het leven om God te doen is. Onderzoek u daarom nu bij het licht van Gods Woord, bij het licht van dit getuigenis van David. 

Iedereen zoekt. Er zijn geen mensen op deze wereld, of ze zoeken. Maar wat ze zoeken dat is heel verschillend. Ach, de mens zoekt eigenlijk een verloren paradijs. Door de zonde heeft hij een indruk van het verloren geluk, want hij is omringd door het kwade. Hij heeft het zelfs in zich. Bij ieder mens zijn er allerlei oorzaken van verdriet, allerlei zaken die hem benauwen. In heel de wereld. En wat zoeken we dan. Alle leed te ontvluchten. De mens zoekt leed dat hem benauwt, weg te krijgen uit zijn leven. Hij zoekt het geluk. Hij zoekt blijdschap; hij zoekt de vrede, zoals die er was in het Paradijs. Men zoekt, maar weet eigenlijk niet wat men zoekt. Verward in hun zoeken zijn de mensen van hun jeugd af aan. Vooral jongeren zoeken als ze op weg zijn naar de volwassenheid. Juist jongeren zoeken naar de zin van hun leven. Een vorige keer is er iets van overdacht. Wat is waard om voor te leven? Jongeren zoeken een doel, een ideaal om voor te leven. Wee, als er dan geen verantwoordelijke ouderen zijn, die daar leiding aan geven en die  zoekende jongeren bij de hand willen houden en tonen waarvoor ze behoren te leven. 

Als wij onze jeugd achter ons laten, een positie verwerven in de maatschappij, dan zien we hoe mensen  andere dingen gaan zoeken. Men denkt niet meer zo vaak over de zin van het leven. Dat was iets van de jeugd. Men denkt er eerder aan, hoe het hier zo goed mogelijk te krijgen. Veel mensen zoeken naar vermeerdering van hun geld, naar meer goed. Dan willen ze een huis hebben en schatten vergaderen alsof ze hier een blijvende stad hebben. Of hun huis hier eeuwig zal blijven staan. En worden wij wat ouder dan zoeken wij rust, dan willen we allerlei spanningen en benauwdheid mijden. Wij willen ziekten ver van ons houden. Zo blijft de mens van nature zoeken. Dan zoeken wij wel, maar wat zoeken we? We zoeken een verloren paradijs. We zoeken de gevolgen van de zonde weg te krijgen uit ons leven. Ja, ook willen we de weldaden wel die God aan Zijn kinderen geeft. We willen dan wel blijdschap, vrede en rust. Die worden ook verkregen als vruchten van de Heilige Geest. Maar zoeken we ze niet buiten God? En dat doen Gods kinderen niet. Wij zoeken de gevolgen van de zonde weg te krijgen, wij zoeken het paradijs, maar wij zoeken niet de God van het paradijs. Wij zoeken rust en vrede, maar wij zoeken God niet die alleen rust en vrede schenken kan. Ach, van nature is het ons niet om God te doen. Kijkt u uw gebeden eens na! Wat moeten wij beschaamd worden, als wij zien waar het ons in het gebed vaak om te doen is. Kunnen wij dan David echt nazeggen: “Ik zoek U”? De Heere Zelf zoek ik. Het is mij om God te doen. Ik kan zonder God niet leven. Zonder God niet sterven. O, David zoekt hier de Heere. Het is hem erom te doen vrede met God te hebben. Die heeft de mens van nature niet. En die is ook na ontvangen genade telkens weer weg. Telkens is die rust, die blijdschap, die vrede weer weg, die de Heere toch aan Zijn kinderen schenkt en ook beloofd heeft. Ach, de duivel gunt Gods kinderen geen ogenblik rust. Hij gunt hen geen ogenblik blijdschap. Hij gunt geen ogenblik dat hun mond vervuld is met Gods lof. En als de duivel hen benauwt en verschrikt, dan gaan ze weer zoeken. Hoe zullen ze die vrede hervinden, die blijdschap in de Heere? Dan is de duivel nogal eens als een herdershond voor de schapen. Die jaagt ze naar de Herder toe. En dan blijkt dat door de aanvechtingen van de duivel, die de Heere vrezen, weer gaan zoeken naar God Zelf. Het is hen om God te doen. Als er beschuldigingen zijn door hun zonden, als de wet in hun geweten wordt opgericht en ze zien hoe ze tegen al Gods geboden gezondigd hebben met gedachten, woorden en werken! Was er vroeger wel eens een tijd waarin ze bemoedigd en gesterkt waren, meenden een blijk van Gods gunst te mogen ontvangen, zagen ze toen dat er doen aan was voor zo’n ellendige zondaar, als nu de beschuldigingen van de wet hen aangrijpen en zij dreigen te verstikken onder de rotssteen van Sinaï, dan gaan ze weer zoeken. Hoe moet ik toch rust, hoe moet ik toch vrede met God krijgen? Hoe moet ik rust voor mijn geweten vinden voor de last van mijn schuld, hoe moet het gewicht van Gods toorn van mij afgewenteld worden? Die zoeken in die weg God. En dan Hem niet te kunnen vinden! O, er zijn er geen die de Heere vrezen, die God niet gedurig zoeken. Het is een gedurig zoeken van de strijdende kerk. En is er een ogenblik dat zij Hem gevonden hebben, dan zijn het ‘uurtjes van korte duurtjes’, zo zegt men wel eens. Dan is het: zo genoten en zo toegesloten. Dan moeten ze leren dat het hier een leven moet zijn, niet door het aanschouwen, maar door het geloof. Is er een ogenblik verkwikking geweest aan de Dis des Heeren, is er een ogenblijk geweest onder het Woord in de kerk, heeft de Heere een ogenblik de Bron van het Heil ontsloten in een stille overdenking., misschien wel in de nachtelijke uren, zijn er versterkingen en bemoedigingen van Godswege, de ochtend is er nog niet of het is al weer donker. Soms als men opstond en de kerk uitging, kwamen de aanvechtingen alweer. En dan begon het zoeken weer. Waar is mijn Liefste toch heen gegaan? Ik zal opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten en ik zal Hem zoeken Die mijn ziel liefheeft. Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, zegt de bruid in het Hooglied. Zo is er een zoeken bij hen die de Heere liefhebben. En die zoveel in hun leven Zijn gevoelige tegenwoordigheid missen. “Ik zoek U”. Zo is het leven van Gods kinderen gekenmerkt door een gedurig zoeken. Nee, wij zeggen niet dat er geen vinden is. Daar zijn ogenblikken van vinden in het leven, zeker waar! Er zijn ogenblikken dat de hemel voor hen opengaat. Als zij een weg mogen leren kennen buiten zich zelf. Als zij een blijk van Gods liefde in de Heere Jezus Christus mogen ontvangen. Maar het zijn ogenblikken. De praktijk van leven hier op aarde is als het leven van een weduwe, van wie de man weggenomen is. Ze ziet uit naar die hemelse Bruidegom. Maar dit geloof is wel een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Zo moet Gods kerk door het  geloof leven. En een kenmerk van het geloof is het zoeken, het achteraan kleven aan de Heere, het worstelen, het strijden, het voortdurend verlegen zijn om een blijk van Gods gunst.

“Ik zoek U”. Wat zoekt u? Wat zoeken wij? Waar is het ons het meest om te doen in ons leven? Het kan een moeilijke vraag voor u zijn. Wat ligt nu als diepste verlangen, als overheersend verlangen in ons hart? Stelt u de vraag maar aan uzelf. Stelt u hem maar voor Gods aangezicht. Waar is het mij om te doen? Wat is het diepste verlangen in mijn hart als ik mijn knieën buig, als ik mijn ogen sluit en tot God spreek? In de hemel komen? Verlost te worden van de gevolgen van de zonde? Geen pijn, geen verdriet, altijd blij, altijd vrede, alleen maar om de gevolgen van de zonde kwijt te zijn? Of is het u te doen om de Heere? O, weet dat Gods kinderen in een weg van hemels onderwijs beschaamd komen te staan, als ze zien hoe vaak het om henzelf draait. Nee, van zichzelf hadden zij ook geen begeerte, denk dat maar niet. Denk niet dat zij, die tot Gods kinderen worden aangenomen, uit zich zelf God gingen zoeken. Dan was er geen genade voor zondaren. Het is net andersom. Degenen die door Goddelijk licht gaan zien dat ze zichzelf gezocht hebben en vijanden van God waren, ook in hun gebed, komen beschaamd te staan, als ze zien hoe ze in hun heiligste verrichtingen, dwaas, verkeerd en onrein waren. Voor God worden hun gerechtigheden een wegwerpelijk kleed. Zij moeten zeggen een hart te hebben dat alleen ongerechtigheid opgeeft, tot in hun gebed toe. Bij hen zijn alleen maar zonden en ongerechtigheden. David noemt zijn hart een bron van wanbedrijven. Hij bidt om reiniging daarvan. Zij die door God bekeerd worden, zullen leren dat hun hart van nature God niet zocht, maar zichzelf. Dan gaan we van dat hart bij goddelijk licht belijden, dat het arglistig is meer dan enig ding. Wie zal het kennen? Arglistig, boos, bedrieglijk; dan worden we bang voor ons eigen hart. Kunnen we dan met David wel zeggen: “Ik zoek U met mijn gehele hart”? U mag weten dat God een zondaar overtuigt van zijn boze hart, van zijn goddeloze, arglistige, bedrieglijke hart. Zo’n zondaar weent bittere tranen over die bron van wanbedrijven. Weet dat zo’n zondaar door overtuigende genade verbroken en verslagen, zucht tot God: “Heere, was, reinig mijn gemoed van al mijn verborgen zonden”. Dan gaat dat hart zuchten om tot eer van God te leven. Dan gaat zo’n hart zuchten om God lief te mogen krijgen; om niet verder door te gaan in wegen die God haat en die Hem tergen. Dan legt God Zelf het beginsel in het hart dat naar Hem uitgaat, naar God zoekt; waardoor men door genade mag zeggen: “Ik zoek U met mijn gehele hart”. Maar daar gaat dus wel iets aan vooraf. En wat gaat eraan vooraf? We kunnen dat opzoeken in deze Psalm. Daar staat het ook in, wat er aan vooraf gaat. Dan moeten wij kijken in vers 1: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel”. Dat gaat er aan vooraf. Dan worden wij oprecht gemaakt in onze levenswandel en gaan we het kwade in ons doen en laten haten en vlieden. Dan willen we oprecht voor God en de mensen leven. Daar gaat nog meer aan vooraf. Dat leest u in vers 7: “Ik zal U loven in oprechtheid des harten”. Niet alleen de wandel wordt oprecht, maar ook het hart wordt oprecht gemaakt. Oprecht voor de Heere, zodat wij Hem in ons hart willen laten zien, in ons boze, verdorven hart, waarin zoveel zonde woont, zoveel ongerechtigheid. Wij willen dat voor God niet meer verbergen. Wij gaan met dat ellendige, zelfzuchtige, hoogmoedige hart naar de Heere toe en zeggen: “Ach, Heere, was reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden. Heere wil U die vuile bron van al mijn wanbedrijven heiligen. Vernieuw U mijn hart.” Dan wordt ervaren hoe het hart vernieuwd moet worden. Een gebed dat vele malen gebeden wordt. Dat krijgen we nodig als de Heere licht geeft over ons hart. 

De Heere geeft ons dan ook een verzuchting in ons hart. Dat valt samen. De ontdekkende genade van de Heilige Geest, die ons onze boosheid leert kennen, die valt samen met ontdekkend licht over wie God is. Calvijn zegt in het begin van zijn Institutie – en Gods kinderen kunnen het nagaan – als het gaat over het begin van onze overtuigingen vallen de kennis van God en de kennis van onszelf samen. Het een is er niet zonder het ander en het ander niet zonder het een. Dan wordt waar zonde beweend wordt, ook liefde in het hart uitgestort. Trouwens anders zouden wij de zonde niet bewenen. De zonde wordt smartelijk vanwege de liefde. O, zie hoe dan zo’n verbroken, verslagen hart toch mag zuchten wat de dichter zucht: “Maar wat klaag ik Heere der Heeren, mijn begeren is voor U in al mijn leed. Al mijn zuchten – ook over dat boze hart – en mijn zorgen, niet verborgen; daar Gij alles ziet en weet.” Merkt u het? Die dichter is blij met een alwetend God. Dat zijn zij die hun hart voor de Heere open begeren te leggen: blij met de alwetendheid van God. “Beproef vrij van omhoog, mijn hart dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Doorzoek mij, toets mijn gangen, beproef al mijn verlangen. En stel mijn oogmerk in de dag.” “Ik zoek U met mijn gehele hart, Heere. U weet hoe alles in mijn hart dat tegen U strijdt, arglistig is, hoogmoedig is, zelfzuchtig is, voor mij als een doorn in mijn vlees is. U weet hoe al wat door de zonde in mij woont, door mij gehaat wordt.” Dat is het beginsel van liefde, dat God in het hart uitstort. Is het in Uw hart ook al, waardoor u de zonde in uzelf haat? Van nature zien wij overal zonde, behalve in ons zelf. Behalve in ons hart, daar willen wij ze niet zien. Maar Gods ontdekkende genade leert ons daar de bron van zonden kennen. Maar Hij legt er ook een beginsel in, dat uitgaat naar God, dat schreit naar God. Dat is de vernieuwing van het hart. Het hart wordt in het Woord van God gezien als de zetel van de wil. Wel, bij de vernieuwing van het hart, wordt de wil vernieuwd. Dan gaan wij andere dingen willen, andere dingen zoeken, andere dingen begeren. Dan begeren wij voor God te leven. Dan begeren wij hem te dienen en Hem lief te hebben. “Ik zoek U met mijn gehele hart.” En als dat oprecht is, dan past het gebed van onze tekst er ook bij. Het staat er niet voor niets achter. Het is niet de taal van iemand die denkt zelf God te kunnen zoeken en te kunnen vinden. Het is niet de taal van iemand die zich verheft op zijn zoeken. Dat kom je ook wel eens tegen. Mensen die zichzelf godsdienstig en vroom vinden in hun zoeken. Ze zien verdiensten in hun zoeken. Maar nee, een echte zoeker zoekt uit nood, omdat hij mist wat hij niet kan missen. Zo is het ook met een echte Godzoeker. Die zoekt niet, terwijl hij zegt: wat ben ik goed omdat ik zo zoek, maar die zoekt omdat hij God niet kan missen. Die kan niet zonder de Heere leven. Daar hoort het gebed bij. “Heere laat het mij vinden, houdt U mij daarin vast. Heere, geef dat ik daarin niet zal afdwalen.” Want juist in dat zoeken kan men gaan dwalen. 

Dat zien we om ons heen. Hoeveel mensen zeggen God te zoeken! Er zijn er al veel gestorven in de dikke duisternis van goddeloosheid, van zonde of van waanwijsheid, van sekten, en ga maar door. Die zochten ook, maar kenden dat gebed niet wat hierachter staat. Die zochten zelf bij eigen licht, zonder God. Ze meenden zelf te kunnen zoeken en zelf te kunnen vinden. En toen ze meenden iets gevonden te hebben was de eer ook nog voor hen zelf. Dat is niet het zoeken van Gods kinderen. Mensen die zelf niet kunnen zoeken, kunnen zelf ook niet vinden. En als God hen zoekend maakt, kunnen zij niet meer zonder Hem leven. Dan vergezelt hen het gebed om toch niet af te dwalen in dat zoeken. “Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” Dat toont de ootmoed van de zoeker. Laat mij niet afdwalen, Heere. U zou het ook wel kunnen doen. En de Heere laat dat ook wel eens toe. Om het in een beeldspraak te zeggen: de Heere laat de teugels van Zijn kinderen weleens vieren, zodat zij afdwalen, zodat Hij ze als het ware niet in toom houdt. Denk aan een Petrus. Petrus dacht nog zo goed van zich zelf. Hij kon nog zo veel. Hij wist nog zo veel. Hij had de Heere Jezus zo lief. Petrus stond nog redelijk hoog met zichzelf. En dan laat de Heere de teugels eens vieren. Hij laat de duivel toe om Petrus te ziften als de tarwe, daar in de zaal van de hogepriester. Dan laat de Heere de duivel toe dat hij Petrus zift en hij in stikdonkere duisternis komt. Waarom? De Heere gebruikt het ten goede! Hij oefent Zijn kind hier in zelfkennis. O, wat zal Petrus hier vernederd uitkomen. Wat zal hij straks klein van zichzelf spreken. Dan verstaat hij wat Paulus later zegt: “Ik ellendig mens.” Petrus wordt in deze weg beproefd en de Heere laat het toe. En zo kan de Heere vaker toelaten dat Zijn kinderen in de zonde vallen. Als Hij de teugels laat vieren, slaat Mozes op de rotssteen in plaats van dat hij spreekt. Dan zien wij Gideon een efod maken in Ofra, nadat de Heere hem zo geholpen heeft. Dan zien wij David in de zonde vallen met Bathseba en Uria doden. Dan ligt een Simson in de schoot van Delila. Dan gaat Salomo offers brengen in de tempels van zijn vrouwen. Ach, als de Heere de teugels laat vieren en Gods kinderen gaan dwalen, weg dwalen van de geboden van de Heere, dat is tot hun vernedering. Dat is tot hun benauwdheid. Dat zal duisternis over hun ziel brengen en schrik. En nu bidt David of dat toch niet meer zal gebeuren. Of de Heere hem daarvan wil weerhouden. Goddeloze mensen zeggen, als zij dit horen: “Als dan de Heere de teugels laat vieren en het toelaat dat ze in de zonde vallen, dan heeft Hij ook schuld. Goddeloze mensen doen niets liever dan God de schuld geven, ook als het gaat over Zijn voorzienig bestel. Dat Hij in Zijn voorzienigheid alle dingen regeert en bestuurt, daar valt niets buiten. Ook het kwade niet. “Is er een kwaad in de stad, dat de Heere niet doet?”zegt Amos. Maar dat wil niet zeggen dat de Heere de schuld heeft van het kwade. Maar het kwade komt voor God niet als verrassing. De Heere geeft ook de zondaar, die zondigt, kracht. Maar de schuld van het kwaad zelf ligt in de zondaar, die uit eigen wil zondigt. Maar daarom valt het nog niet buiten Gods regering en bestuur. De Heere weet ook van de moeilijkheden van Zijn kinderen. En Hij laat ze toe. Denk aan de geschiedenis van Job. Er zijn dan geen machten die sterker zijn dan God. Maar de machtige God heeft alles in Zijn handen. Als de goddeloze bij de toelating van God Hem de schuld geeft, gaat de godvruchtige, die weet van Gods bestuur, bidden wat David hier bidt: “Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” “O, laat de boze nimmer toe, dat hij mij enig hinder doe.” Dan bidden zij wat de Heere Jezus leerde bidden in het Onze Vader: “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.” Zo bad David: “Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” Wij hebben al eerder gezien dat het gaat over de geopenbaarde wil van God. Dat gaat over de Tien Geboden, maar ook over de vervulling van de geboden door Christus. Dat gaat over Wet en Evangelie. Laat mij van de geopenbaarde waarheid die naar de godzaligheid is toch niet afdwalen. En wat dwalen wij licht af. Dit is het gebed van iemand die zijn dwaalzieke hart kent. Die bang is voor zijn eigen afdwalingen. 

Mensen die zich zozeer om de wil van God niet bekommeren, overtreden moedwillig Gods geboden. Zij nemen het niet zo nauw. Ieder dient God op zijn eigen wijze, gebruikt men wel als smoes. Maar men zoekt ondertussen moedwillig de lusten van het vlees. Maar er zijn ook afdwalingen door onachtzaamheid. Dat is niet moedwillig, maar door slordigheid. Door niet beducht te zijn voor afdwalingen. Soms zit je in de kerk en ineens heb je heel andere dingen in je hoofd. Soms zit je naar de kerktelefoon te luisteren en opeens zitten je gedachten heel ver weg. En hoor je niet eens meer wat er gezegd wordt. Ach, het is soms wel erger. Soms vouw je je handen en bid je tot God. En ineens zijn je gedachten bij heel andere zaken, als die je tegen de Heere wilde vertellen. Het zijn afdwalingen door onachtzaamheid. Hoe verschrikkelijk. Hoe oneerbiedig. Hoe zondig. Maar er zijn ook afdwalingen door moedwilligheid. Wat worden bij Gods kinderen veel afdwalingen gevonden. Dat is hun verdriet. Afdwalingen in gedachten, woorden en werken, waardoor zij God niet meer bedoelen en de zonde heerschappij krijgt. Dat kan een leven worden vol afdwalingen. Van kwaad tot erger gaat het dan. David spreekt erover in een andere Psalm: “Wie zal de afdwalingen verstaan, reinig mij van mijn verborgen afdwalingen.” Dat is ook taal van David. En dit ook: “Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.” Wie zichzelf kent, wordt bang voor afdwalingen. Bang voor de afdwalingen van zijn eigen boze hart. Die gaat daarom gedurig naar de Heere, opdat Hij ons zal vasthouden en leiden in ons zoeken. Leiden, omdat het ons alleen om Hem te doen is. En opdat wij in Zijn spoor geleid worden in onze wankelende gangen. Daar strekt zich dan al onze lust en liefde heen. Want, als de Heere ons hart verklaart en wij mogen weten dat het voor Hem is, als de Heere ons toont dat het ons om Hem om vrede met Hem maar ook  om de verheerlijking van Hem in ons leven te doen is, o, dan versterkt Hij ook. Dan versterkt Hij die wankelende gangen en mogen we zeggen wat de dichter van Psalm 26 ver 12 zegt: “Ik weet: mijn voeten staan gesteld op effen baan, waarop God mij versterkt en leidt. Ik zal de HEERE prijzen, om al Zijn gunstbewijzen, in Zijn gemeente t’ allen tijd.

Psalm 26 vers 2 

O HEERE, proef Gij mij,
en onderzoek mij vrij
of ik in leugenpaden ging.
Toets Gij al mijn verwachten,
mijn hart en mijn gedachten,
mijn nieren in hun hunkering.