Psalm 119 vers 12

En gebed om onderwijs

HEERE, Gij zijt gezegend, leer mij Uw inzettingen (Ps. 119:12).

Lezen: Psalm 25

Wellicht herinnert u zich dat deze psalm vergeleken wordt bij een parelsnoer. De verzen zijn dan als kostbare parels van bevinding aaneengeregen aan een snoer van verzuchtingen. Zulke verzuchtingen hebben wij er al verschillende gelezen. In vers 4 bijvoorbeeld spreekt David de Heere aan: HEERE, Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. En het gebed in vers 5 luidt: Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren! Zo’n verzuchting staat ook in vers 8, waar hij eindigt met: verlaat mij niet al te zeer. En in vers 10: Laat mij van Uw geboden niet afdwalen. En nu ook in vers 12 weer de verzuchting waar David zich rechtstreeks richt tot de Heere. HEERE, Gij zijt gezegend, leer mij Uw inzettingen.

Zie deze psalm maar als een neerslag van Davids leven, waarin hij telkens deze psalm heeft aangevuld Dan blijkt hoe David een een biddend leven, vol verzuchtingen, heeft gekend. Een leven waarin hij zich voortdurend voor Gods aangezicht stelde. Dat is zijn begeerte, zijn behoefte geweest. Is dat ook zo in ons leven? Is ons leven ook een biddend leven, waarin wij ons voortdurend met een verzuchting tot de Heere richten? Dat mag in een bijzondere afzondering. Het zal dan zeker zo zijn dat wij plaatsen zoeken in de eenzaamheid om onze nood de Heere te klagen. Dat mag de hele dag door, het hele leven door. Met onze gedachten, ja, met ons hart dicht zijn bij de dingen die God wil. Voor Gods aangezicht leven is dat eigenlijk. Dan doet de Heere soms Zijn kinderen Zijn nabijheid ervaren, zodat hun wandel mag heten een wandel met God. Dat is een teer leven waarbij de wil van de Heere ons voortdurend lief is. Dan vragen we voortdurend om die wil te kennen en willen we daarnaar handelen en wandelen. David heeft zo’n leven gehad. Wat komen wij verzuchtingen op verschillende toonaarden, maar toch gelijksoortig aan deze, vaak tegen in deze psalm. Nee, dat verveelt de Heere niet, ook al zouden wij hetzelfde bidden. Dat hoeft niet letterlijk, maar zakelijk wel. Wat bidt hij vaak om onderwijs in Gods inzettingen, om meer geleerd te worden in Gods wetten, of de Heere hem daarbij wil bewaren, enzovoort. Het is ook iedere keer in een ander verband. Maar zijn gebed is steeds terug te brengen op de behoefte van iemand die zichzelf niet meer kan leiden.

Wij moeten nu eerst eens overdenken waar David mee begint. Hij begint niet met een verzuchting maar met een lofprijzing. Heere, Gij zijt gezegend. Het is een uitroep van aanbidding. Ach, dat past heel goed in het gebed van hen die de Heere vrezen. Dat heeft de Heere Jezus in het Onze Vader ook een ruime plaats gegeven. Denk maar aan het slot: ‘Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid.’ Dat is een uitroep van aanbidding en lofprijzing in het volmaakte gebed. Iets daarvan komen we telkens in de gebeden van Gods kinderen tegen, iets van de lofprijzing en erkenning. Want wie bidt die moet, zo zegt de apostel, bidden in het geloof. En wat is bidden in het geloof? Dat is vertrouwen dat God machtig is onze noden te vervullen. Maar ook gewillig om ze in heerlijkheid te vervullen. Ten beste, tot verheerlijking van Zijn Naam. Zo wil de Heere de noden vervullen. En die belijdenis is er in veel verzuchtingen die u in de Bijbel vindt. Paulus wekt er ook toe op, als hij zegt: ‘Laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God.’ Hier staat een lofprijzing die vooraf gaat aan een gebed. ‘Heere, Gij zijt gezegend.’ Wat mag dat toch betekenen: Gij zijt gezegend? Wij lezen in de Bijbel heel veel van zegenen en zegeningen. Maar dan toch meest in een andere zin. Dan gaat het over de zegenende handen Gods, die Hij uitstrekt over degenen die Hem vrezen. De Heere zegent. Heeft Hij bijvoorbeeld Abraham niet gezegend? Hij sprak tot hem: ‘Ik zal u zegenen… en wees een zegen. En in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.’ Dan is het de Heere die zegent. Dat komen wij in de Bijbel vaak tegen. Soms mogen mensen dat doen in plaats van de Heere. Denk maar aan de priesterlijke zegen. Als de priester de zegen op het volk legde, deed hij dat niet in eigen naam. Zo is de priesterlijke zegen aan het einde van de dienst op zondag ook niet uit naam van de predikant of uit naam van de kerkenraad, maar dat is uit Gods Naam. De priester zegende en wij zegenen namens de Heere. Dat blijkt ook duidelijk uit de formule: ‘De Heere zegene u en de Heere behoede u.’ Dat is de zegen van de Heere, en zo werd die zegen door de priester, dat was Gods wil, op het volk gelegd. Maar dat is ook zegenen van Gods zijde.

Soms komt men in de Bijbel tegen dat men elkaar zegent. En dan denk ik aan een zegenen bij een ontmoeting. Men had dan, als men elkaar ontmoette in Israël, wel een of andere spreuk waarmee men elkaar godvruchtig het goede toewenste. Tenminste in woorden. Men schaamde zich niet zozeer om voor God en Zijn dienst uit te komen ook niet in de gewone openbare gesprekken. Die valse schaamte, die er nu zo veel is, was er toen veel minder. Men ontmoette elkaar en zei: ‘Gezegend zijt gij den Heere.’ Het is een spreuk die wij vaak tegen komen in de Bijbel. Dan zegende men elkaar; wij kunnen dat ook zien als een wens, dat de Heere ons mocht zegenen. Mensen die elkaar zegenen, komen wij ook tegen bij de aartsvaders. Bij het sterven zegenen zij hun kinderen. Dat is ook als een ambtelijke zegen te zien. Dan zegenen zij in de Naam des Heeren. Dan gaat het om de grote zegen die beloofd is van de Heere Jezus Christus, het Vrouwenzaad dat komen zal. Soms komt men het zegenen tegen in een ongunstige zin. Zegenen deed men als men elkaar ontmoette, maar ook als men afscheid van elkaar nam. Als men elkaar groette en uit elkaar ging dan zegende men elkaar ook. Denk maar aan Jacob, voordat hij naar Paddan-Aram gaat om een vrouw te zoeken. Dan zegent zijn vader hem nog. Dat is een zegen ten afscheid. De vrouw van Job gebruikt het zo als ze tegen haar man zegt: ‘Zegen God en sterf.’ Zeg God maar vaarwel, betekent dat, en maak maar een einde aan je leven. O, de duivel brengt door de vrouw van Job een nog erger verzoeking, opdat Job maar tenonder zou gaan in de verzoeking. Maar Job zegt God geen vaarwel.

Het zegenen komt dus op veel plaatsen en op verschillende manieren in de Bijbel voor. Maar wat moet het toch betekenen zoals het is onze tekst staat? ‘Zegen God.’ Kijk dat God mensen zegent, kunnen wij ons nog wel voorstellen. Dat God de mens het goede uit Zijn volheid geeft, hoewel geen mens het verdiend heeft, zien wij gebeuren en wij mogen ervaren dat het nog gebeurt. Denk aan onze dankdagen en de onverdiende zegeningen die de Heere schenkt. Maar hier staat: ‘Heere, Gij zijt gezegend.’ Wat moet David daar toch mee bedoelen? Hij kan de Heere toch niets toebrengen? Hij is toch niet meer dan God? Want dat een meerdere een mindere zegent, kunnen wij begrijpen. Maar dat een mindere, een nietig mens, zegt: ‘Heere, Gij zijt gezegend’? Maar, let wel, David zegt niet: Heere ik zal U zegenen. David stelt zich niet boven God. David meent niet dat hij de Heere iets kan toebrengen, want dat is eigenlijk je boven God stellen. Het zit wel in een mensenhart om dat te denken. Om te denken dat wij wat voor God kunnen betekenen. Hoe goddeloos is die gedachte! Maar hoe vaak komt ze toch voor in de gedachten van de hoogmoedige mens, die denkt voor God veel te betekenen! Dan denkt men haast: God mag wel dankbaar zijn dat Hij mij heeft. En ik doe toch maar veel voor de dienst des Heeren. Dan menen wij veel te verdienen en Hem, de Algenoegzame in Zichzelf, met onze werken iets toe te kunnen brengen. Dat is allemaal hoogmoed. Dat is inbeelding, Dat leert Gods Woord ons nergens. En zij die godvruchtig wandelen, zichzelf leerden kennen en de Heere leerden kennen, die zullen niet denken dat ze de Heere veel kunnen toebrengen. Nee, David zegt niet: Heere, ik zegen U en ik zal U veel geven. Hij zegt: ‘Gij zijt gezegend.’ De betekenis van deze woorden moeten we zien liggen als in het Onze Vader, in de bede die de Heere Jezus Zijn kinderen leert bidden met hun hart: ‘Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede.’ Dan vraagt hij: ‘Heere, laat toch Uw werk voortgang hebben. Laat toch blijken dat er zegen op rust.’ Dat kan David niet geven. Maar hij begeert dat Gods werk voorspoed mag hebben. Immers, als de Heere een mens zegent, krijgt hij voorspoed. Wel, nu wenst hij dat het werk des Heeren voorspoedig mag doorgaan. Dat is de begeerte van al Gods kinderen. Dat is de begeerte van ieder die het werk Gods lief heeft en de komst van Zijn Koninkrijk begeert. Die wil dat dit werk voorrang krijgt en dat wij het allemaal het belangrijkste vinden. De Heere Jezus heeft het vaak zo gezegd: ‘Eén ding is nodig’, zegt Hij tegen Martha. En in de Bergrede: ‘Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.’ Dat moet voorrang hebben. Wel dat begeert David nu ook. Het werk Gods moet voorrang hebben boven alles. En het moet voorspoedig zijn. O, hij begeert dat alle knie zich voor de Heere zal buigen. Is het uw begeerte ook al geworden? Eerst voor uw eigen leven, wel te verstaan. Want daar zal het beginnen. Is het uw begeerte al dat Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid meest gezocht wordt? O, wat bent u dan trouw in het gebruik van de middelen en in het zoeken van contacten en gesprekken daarover. Wat buigt u dan veel uw knieën en zucht uw hart de hele dag door telkens tot de levende God. Dat toch Uw koninkrijk kome!

Maar laten we beter luisteren. Want zo staat het er nu ook weer niet. Er staat niet: ‘Heere, Ge mocht gezegend worden.’ Het staat er niet als een wens, maar het staat er bevestigend. ‘Heere, Gij zijt gezegend.’ Het staat vast. Het is niet misschien, of mocht het. Nee, het zal zeker zo zijn. Gods werk is voorspoedig. En Zijn werk gaat door. Ik weet het zeker. Dat horen wij erin doorklinken. En tot die hoogte brengt God Zijn kinderen wel. Dan mogen ze met David instemmen. Ze mogen zeggen: ‘Heere, Gij zijt gezegend. Uw werk gaat door. U vergist Zich nooit. Uw woord zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe U het zendt. Dat kan de duivel niet tegenhouden. Dat kan geen mens tegenhouden. U zult doorgaan met zondaren te trekken, met ze door de duisternis tot het Licht te leiden. U zult de Zon der gerechtigheid in het leven van hen die in duisternis wandelen, op doen gaan. Dat houdt niemand tegen. U hebt het beloofd en dan zult U het doen. Het is zeker op Uw tijd en op Uw wijze, maar het gaat door. O, alles wat zich tegen U stelt, zal de strijd verliezen. Want Uw koninkrijk komt. Gij zijt gezegend.’ Hier ziet David op de almacht van de grote God in het werk dat Hij onderneemt in deze wereld. Ook op Zijn voorzienig bestel; niet alleen dat Hij alles in Zijn hand heeft, en alle dingen gebruikt. Zeker, dat ook. Maar het grootste daarin is voor hen die de Heere vrezen, dat zij mogen zien dat het ten goede is voor de Kerk. Dat alle dingen in Gods koninkrijk medewerken ten goede. Is dan de dienst des Heere geen gezegende dienst? Als de Heere gezegend is, dat wil zeggen, voorspoedig is, als Zijn werk niet gestuit kan worden, en als alles meewerkt ten goede voor degenen die Hem lief kregen, o, is dan de dienst des Heeren niet aan te prijzen voor iedereen? Er is geen geluk buiten die dienst, buiten de Godsvreze. Want niet iedereen mag zeggen dat alle dingen meewerken ten goede. Als wij ons verharden, zullen zelfs de tuchtigingen van God ons oordeel nog verzwaren. Want dan waren er roepstemmen, en wij gingen er tegenin. De bemoeienissen van God, op welke manier zij er ook waren in uw leven, die zijn niet ten goede als wij doorgaan in een weg van verharding, in een weg van afkering, van verbittering of van verdergaande goddeloosheid. Dan zal een dwaas die getuchtigd wordt, er niet wijs van worden. Hij zal de bestraffing van de Heere naast zich neerleggen, terwijl ze ingaan in het hart der wijzen. De Heere mocht Zijn tuchtigingen in ons leven, als ze ons nog niet hebben verbroken, ten goede doen meewerken. Wees er maar bang voor dat het niet ten goede zou zijn. Buig er uw knieën maar voor. En zeg: ‘Ach Heere, nu hebt U in mijn leven gesproken op verschillende plaatsen. Ik weet dat Uw woord met kracht tot mij kwam. Ik ben toch maar doorgegaan. Bij een sterfbed waren er diepe indrukken en ontroeringen in mijn ziel. Maar ik heb mijn boeltje weer opgepakt en ben verder gaan leven. Ik kan niet loochenen dat die en die preek diepe indruk op mijn hart maakte. Maar het duurde maar een week of veertien dagen en toen was het weer weg. Het is alles niet ten goede geweest.’ Wees toch bevreesd dat het ons oordeel zal verzwaren. En bidt of God Zijn Woord kracht wil geven, zodat wij zonder Hem niet meer verder kunnen en begeren dat Zijn koninkrijk ook in ons kome. Dat we getrokken zouden worden tot dat rijk waarin alles ten goede werkt, dat Godsrijk dat komt en waarvan geldt dat het gezegend is.

‘Heere, Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen,’ zo vervolgt David. Ziet u wel: hij blijft dezelfde afhankelijke, nietige, dwaas in zichzelf. Al heeft hij soms wonderlijk mooie woorden en staat hij door het geloof op hoogten, waarop de Heere Zijn kinderen weleens stelt. Dan krijgen zij vergezichten en zien zij zoveel van de Heere en Zijn werk, dat zij hartelijk verblijd en bemoedigd worden. Dat zij het uitroepen: Heere Gij zijt gezegend. Maar denk niet dat zij op zulke momenten groot van zichzelf denken. Ach nee, de Heere maakt ze juist in zichzelf de kleinste, nietigste en geringste in eigen oog. Zie dat maar in het vervolg van deze tekst. ‘Leer mij Uw inzettingen.’ Daar hebben wij een kind dat onderwijs nodig heeft, een dwaas die nog moet leren. Dat is zo tekenend voor hen die de Heere vrezen. Die het verst zijn ingeleid in Gods verborgenheden, bidden dit gebed het meest. Die zijn het meest afhankelijk van Goddelijk onderwijs. Nee, denk niet dat, als de Heere Zijn kinderen veel geleerd heeft, ze wijs in zichzelf geworden zijn. ‘Hij moet wassen en ik minder worden.’ Ze worden meer ontdekt aan eigen dwaasheid en bidden steeds: ‘Heer, ai, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend.’ Ach, het vleselijk denken in de godsdienst redeneert andersom. Dan spreken diegenen die zich bekeerd en wedergeboren voelen, die overal bovenstaan, of ze de wijsheid in pacht hebben. Ze zien op ieder neer en hebben geen leiding nodig. Maar dat is niet de bevinding der heiligen. Dat is niet wat we in Gods Woord tegenkomen. Denk slechts aan de psalm die wij voorgelezen hebben, ook een psalm van David. U hoort hem smeken: ‘Heere, maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.” Weet je dat dan nog niet, David? Ach, zegt hij aan het eind van de 119e psalm, Ik ben net een schaap en ik kan alleen maar verdwalen. Ik moet voortdurend geleid worden. ‘Leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God des Heils’, zegt hij in Psalm 25. David is daar nooit bovenuit gekomen en ik hoop dat u er ook nooit bovenuit komt om leiding te benodigen. Afhankelijkheid, dagelijks, dat is tot verheerlijking van God. Die afhankelijke kinderen Gods durven zichzelf soms niet voor een kind Gods te rekenen. Die kunnen niet geloven dat in hen waarheid is en daarom bedelen ze om licht en leiding. Maar ze zijn wel in alles afhankelijk. Ze verheerlijken reeds daarin de Heere, zoals een klein afhankelijk kind zijn moeder en zijn vader in alle dingen zo nodig heeft. Dat is tot eer van die ouders, als zij hun hulp dan doen blijken. Het is in de vreze des Heeren niet anders. Dat is de Heere aangenaam. ‘Leer mij Uw inzettingen.’ Bid maar veel of God u wil leren.

Er zitten twee kanten aan het leren. Ieder die bij het onderwijs betrokken is of was, weet dat wel. Je hebt aan de ene kant de leerstof en je hebt aan de andere kant de leerling. Nu is het zaak dat de leerling steeds verder doordringt in de leerstof, steeds meer gaat begrijpen wat hij moet leren. Aan de andere kant is het ook de bedoeling dat die leerstof steeds verder doordringt in die leerling. Zodat die kennis in die leerling beklijft en hij het niet vandaag weet en morgen weer vergeten is. Dat is in het natuurlijke leren op de scholen alle twee belangrijk. In feite is dit in het leren van Gods inzettingen ook zo. Dan zijn er ook twee bewegingen. In de eerste plaats moet zo’n leerling op de leerschool van vrije genade meer en meer leren van wat nodig is te weten. Dan moet hij de inzettingen van God meer en meer leren kennen. Niet zomaar aan de buitenkant, oppervlakkig; niet zomaar naar de letter. Al ken je dan de Bijbel uit je hoofd, dan kun je nog onbekeerd voortleven. Dat heeft Paulus voor zijn bekering ook gedaan. Hij wist veel van de Schriften en toch kende hij ze niet. Hij moest dieper ingeleid worden. Hij moest bijvoorbeeld leren dat de wet Gods geestelijk is en dat hij vleselijk was. Dat had hij nooit geweten. Hij moest leren hoe het woord van God niet alleen onze uiterlijke daden oordeelt, maar ook ons hart. Hoe ons hele leven naakt en geopenbaard is voor de ogen Desgenen met Wie wij van doen hebben, voor de ogen van de alwetende God. O, Paulus heeft meer en meer moeten leren in de Schriften. En hij is er eigenlijk later nooit in uitgeleerd. En zo gaat het ook met allen die God op Zijn leerschool neemt. Die zullen niet zeggen de Schriften te kunnen verstaan. Die zullen niet zeggen alles te weten; die zullen niet zeggen alles in eigen hand te kunnen houden. Dagelijks hebben we licht en wijsheid nodig om Gods Woord te verstaan, beter te verstaan. Merk op, mijn ziel, bidden zij dan, wat antwoord God u geeft. Dan moet de wet Gods verstaan worden, dan moet ook het evangelie van vrije genade gekend worden. O, dan moet Hij gekend worden Die als in het gewaad van de Schrift nog tot zondaren komt. Die Zichzelf nog wil vertonen door de traliën van het Woord en van Wie het Woord overal spreekt; de Heere Jezus Christus. Hem te leren kennen door Zijn Woord en door Zijn Geest; ach, wie die daar iets van leerde kennen, zal niet zeggen daarin uitgeleerd te zijn. Wat is dan het Woord van God een goudmijn, waar men meer en meer in begeert te graven, opdat men er meer schatten uit mag delven. Nee, dan is er geen einde aan dat leren. O, dan begeert men dieper ingeleid te worden in de verborgenheid van de godzaligheid, die groot is. Dat is de ene zijde van het leren. De andere zijde is, zoals wij al zeiden: de kennis moet ook diep in de leerling gebracht worden. Ze moet niet alleen uit het hoofd geleerd worden, zodat wij het kunnen nazeggen, maar het ons onberoerd laat. Wij lezen wel in de Bijbel van het opeten van het Woord. Dat betekent, dat het een met ons wordt. U weet als wij iets opeten, ons voedsel wat wij gebruiken, dat wordt een met ons. Dat wordt niet alleen in onze maag opgenomen, maar dat wordt in ons bloed opgenomen. Dat doortrekt heel ons lichaam.. Wij krijgen kracht door ons voedsel. Wij groeien erdoor waar dat nodig is. Daarom lezen we wel van het opeten van het Woord, omdat het één moet worden met ons. Het moet niet alleen in ons hoofd komen. Het moet in ons hart zinken. Het Woord van God moet ons hele bestaan beïnvloeden: onze wil gaan buigen, onze begeerten vernieuwen en ons hele leven veranderen. Kijk, dan dringt het Woord diep in ons bestaan. En dan leren wij echt de inzettingen Gods, niet alleen met ons hoofd maar met ons hart en met ons leven. Dat is de begeerte van David en dat is de begeerte van ieder die de Heere vreest en liefheeft. ‘Heere, leer mij uw inzettingen.’ O, laat mij toch één worden met Uw heilige wil. Op dat die in mijn leven geschiede. Dat is een vruchtgevolg van de liefde Gods, in het hart uitgestort. Dan begeert men één te zijn met de wil van God. Nee, niet dat men zegt: dat ben ik. Dat heeft Paulus zelfs niet gezegd ten aanzien van de eenwording met de wil van God in de openbaring van zijn leven. Wel dat Hij wilde, wat God wilde. Dat is genade. Maar niet dat zijn leven zover kwam dat hij het in praktijk kon brengen, ook ten aanzien van de heiligmaking. Dan horen wij Paulus stamelen: ‘Het goede dat ik wil, dat doe ik niet en het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?’ Hij kan het niet, en toch… Hij roept. ‘Ik dank God door Christus Jezus, onze Heere,’ zegt hij er achteraan. Het is dezelfde taal als David hier. ‘Heere, Gij zijt gezegend.’ Ach, God zal het doen. Amen.

Psalm 138 vers 4:

Ben ik benauwd door tegenspoed,
U doet mij goed
en schenkt mij leven.
Wanneer mijns vijands toorn ontbrandt,
behoudt m’ Uw hand,
die hen doet beven.
De HEERE wendt mijn droevig lot.
Uw gunst, o God,
zal steeds beklijven.
Geef wat Uw hand begonnen is
getuigenis,
wil bij mij blijven.