Psalm 119 vers 13

SPREKEN OVER GODS ONDERWIJS

Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds (Ps. 119:13)

Lezen: Jacobus 3

Als we deze taal van David horen, dan mogen we er wel naast leggen wat wij met onze lippen vertellen. Waarvoor gebruiken wij eigenlijk onze lippen, onze tong? Wat wordt er op een dag niet veel gesproken. Ga maar na. Wij spreken honderden, duizenden woorden en zinnen in een dag. En wat zeggen wij daarbij? Wat spreekt onze mond? Wat zeggen onze lippen? Wij hebben het gelezen uit de brief van Jacobus. De tong zegt hij, kan geen mens temmen; ze is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn. O ja, soms spreken wij goed. Dat zegt Jacobus ook. ‘Door haar loven wij God, en de Vader.’ Maar hij zegt er tegelijk achteraan wat wij ook doen: ‘en door haar vloeken wij de mensen die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. Uit dezelfde mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet mijn broeders niet alzo geschieden.’ Wij zijn gelijk geneigd te denken aan al het goede dat we misschien al met onze lippen en mond gesproken hebben. Waar wij het stempel ‘goed’ op zetten. Maar wij moeten eigenlijk vragen om licht, om eerst het andere te zien: al het kwade dat wij met onze mond hebben gesproken. En dat is niet weinig. Wie er een indruk van heeft  – en dan kunnen wij niemand uitzonderen, ook onszelf niet – die zal zich schuldig voelen. Als wij een indruk hebben van wat er al aan kwaad door onze mond gesproken is, hoeveel dwaasheid over onze tong gegaan is, hoeveel ongerechtigheid onze lippen tot stand hebben gebracht. Zal het ons dan niet tot schuld worden? Wie zal het belijden? Wie zal het haten en er tegen strijden? Waarvoor gebruiken wij onze mond? Wat vertellen wij met onze lippen? David zegt, en zo zou het ook bij ons moeten zijn: “Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.”

U weet wellicht nog dat het bij deze woorden ‘al de rechten Uws monds’  gaat over de geopenbaarde wil van God. Aan het begin van onze overdenkingen over de 119e Psalm heb ik dat gezegd. Telkens wordt Gods wet of wil met andere woorden, door een synoniem, weergegeven. Soms heet het ‘de wet des Heeren’, dan ‘Zijn getuigenissen’ of ‘Zijn inzettingen’, enzovoort. David gebruikt steeds andere woorden, maar het gaat steeds over dezelfde zaak: de geopenbaarde wil van God. Die noemt hij hier ‘de rechten van Zijn mond’. ‘Ik heb verteld al de rechten Uws monds’. Dat nu deze uitdrukking gebruikt wordt, geeft een bepaald accent aan de geopenbaarde wil van God, aan het woord van God. David zegt: ‘Het zijn de rechten van Uw mond, Heere. Het zijn zaken die U hebt gesproken door Uw mond. Het is Uw woord. En de zaken waarover U spreekt, openbaren Uw recht.’

Als God tot zondaren spreekt, wil Hij openbaren dat Hij recht op hen heeft. Horen wij het allemaal? Want weet toch dat dit de waarheid is, die kracht doet als God een zondaar gaat bekeren. Gods woord komt met kracht. Dan gaan we ervaren dat God recht op ons leven heeft. Op ons hele leven. Dat is het spreken van Zijn mond. Dat zijn de rechten van Zijn mond. Dat is het geopenbaarde Woord van God. Zo komt het woord van God tot ons. Dat heeft David al ervaren toen hij als jongen achter de schapen liep. Toen heeft God zijn hart al geneigd om Hem te vrezen. Misschien zijn er wel jongens en meisjes die dit lezen. Hoor toch, Davids hart werd al jong geneigd om de Heere te vrezen. Toen hij nog jong was, ging hij begrijpen dat de Heere recht op hem had. Op heel zijn leven. Hij moest voor de Heere leven. Hij moest de Heere dienen. En hij kreeg er ook lust toe. Zoals wij het ook zingen in Psalm 25: ‘Wie heeft lust de Heere de vrezen, het allerhoogst en eeuwig goed. God zal zelf zijn leidsman wezen, leren hoe hij wandelen moet.’ O, David heeft de rechten van Gods mond al geleerd in zijn jeugd. En wat had dat voor gevolg? Dat hij erover ging spreken. Hoort u het? Eerst waren het de woorden in Gods mond. Toen was het Gods Woord, dat tot David kwam. Daarna werden het de woorden van dezelfde heilige God in de mond van David. Hij gaf het door aan anderen. Toen nam hij de rechten Gods in zijn mond om ze door te vertellen. Dat is zijn lust en zijn leven geworden. ‘Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.’ Hij kon het niet meer verbergen. Hij kon het niet meer voor zich houden. Hij moest gaan vertellen wat God hem geleerd had.

Wij mogen wel opmerken dat het hier gaat over de rechten van Gods mond. Die heeft Hijzelf geopenbaard aan David en die openbaart Hij aan allen in wier leven Hij Zijn waarheid bekend maakt. Het gaat over de geopenbaarde wil van God, het geopenbaarde Woord van God zo als wij het in de Bijbel hebben. Het geopenbaard, niet het verborgene. Sommige mensen zijn wel veel met godsdienst bezig, maar ze wroeten het liefst in allerlei verborgen zaken, waar Gods Woord niet over spreekt. Die zijn eigenlijk bezig met dingen waar Mozes al van moest zeggen: ‘De verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde voor ons en onze kinderen.’ De geopenbaarde, niet de verborgene. Ach, wie zoveel wroet in verborgen dingen, bij eigen licht, krijgt geen licht van de Heere. Anders was het niet verborgen en bleef het niet verborgen. De verborgen dingen zijn voor de Heere. Zelf proberen te profeteren over de toekomst, of proberen de raad Gods duidelijk uit te spreken over de zaligheid van hen, van wie wij niet weten of zij zalig worden, is niet geoorloofd. Men wroet in dingen waarvan God heeft gezegd dat zij verborgen zijn. Waar Hij een sluier over heeft gelegd, moet verborgen blijven. Het is onvruchtbaar om met verborgen dingen bezig te zijn; wie daar mee bezig is, moet geen licht verwachten. Wij moeten ons bezig houden met de rechten van Gods mond. Wat Hij gesproken heeft, wat Hij geopenbaard heeft en dus bekend wil maken. Mensen die met eigen licht in verborgen dingen wroeten, gaat het meest om eigen wijsheid tentoon te spreiden. Het gaat hen er meestal om, te laten zien hoe zij weten door te dringen in allerlei godsdienstige verborgenheden. Maar het is niet tot eer van God. Want de Heere wil dat wij de geopenbaarde wil verder vertellen. En dat zal gebeuren waar God die in onze harten legt. Zo is het bij David ook gebeurd. ‘Ik heb met mijn lippen verteld de rechten Uws monds.’ Daar wil deze herder ons vertellen wat God hem heeft geleerd. Wat hij ons heeft geleerd in de eenzaamheid, toen Hij ons heeft onderwezen. De leiding waardoor Hij werd overtuigd, en hem ook overbuiging is geschonken. O, wij willen toch wel iets van die overtuigingen Gods, die in het verborgene werden geleerd, op de daken verkondigen. Dat wil de Heere ook. ‘Hij formeert Zich een volk, zij zullen Zijn lof vertellen’, zo lezen we. Dat is de plicht, die God ons leert. Hij wil dat we het hemels onderwijs dat Hij ons schonk doorgeven. Dat wordt dan ook onze begeerte. Zouden anders de stenen niet spreken? Niet om onszelf te zoeken of om onszelf te roemen, maar om Gods eer te zoeken en in de Heere te roemen. David zegt niet dat hij zijn eigen wegen, zijn eigen licht, zijn eigen wijsheid verder gaat vertellen, nee, hij zegt ‘de rechten Uws monds’, wat ik van God heb geleerd. Hoe ik God heb leren kennen in mijn leven, daarvan wil ik spreken, daarvan wil ik getuigen. Hij wil spreken over Gods recht. dat Hij heeft op iedereen.

Spreken we als vader, als moeder, als opa, als oma wel met onze kleinkinderen? Spreken wij er wel eens over als we God lief gekregen hebben? En dat de Heere ons leerde, dat Hij recht op ons heeft, spreken wij daar wel eens over met anderen? En daarover dat de Heere ook recht op hen heeft? De Heere zou het kunnen zegenen. Misschien moet u wel terug gaan naar twintig, dertig, misschien wel veertig of vijftig jaar geleden, zodat u zegt: Ik weet het nog, toen en toen of daar en daar heeft de Heere mij geleerd dat Hij recht op mij heeft. Toen moest ik buigen onder de rechten van Gods mond. En toen heb ik gestreden, ik heb jaren gestreden. Het is niet tot mijn eer, maar ik heb gestreden tegen de Heere. Ik heb als een vijand van genade gezocht mijn eigen gerechtigheid op te richten. Maar ik heb er de dood in gevonden. Ik heb geleerd in Wiens recht God voldoening heeft ontvangen. Ik heb geleerd in welke weg God met een ellendige zondaar te doen kan hebben. O, wat een wonder: ‘de rechten van Gods mond’, niet alleen in een eisend recht, maar ook in een recht dat voldaan is, in de Heere Jezus Christus. Het is wonderlijk groot als de Heere ons daar iets van leerde. Maar dan toch de vraag: Hebt u het ook anderen verteld? Ja maar, zegt u, dan bedoel ik mijzelf. Nee, zo bedoel ik het niet. Maar hebt u ook anderen verteld dat God ook recht op hen heeft? Dat Hij recht heeft op ons aller leven! En hebt u strijders, die hun eigengerechtigheid zoeken op te richten, die een ijdele strijd strijden die in de dood moet eindigen, met liefde gewezen op Hem, Die kwam om het recht Gods te voldoen? Ach, hebt u de liefdedienst – want dat is toch de dienst des Heeren – de liefdedienst al eens anderen aangeprezen? U denkt misschien: dat is een taak voor dominees en ouderlingen. Dat is zeker waar. Maar is het ook niet de taak van iedereen die de Heere in onverderfelijkheid lief kreeg? Iedereen moet op zijn plaats die liefdedienst aanprijzen. O, als wij als dodelijk zieken, die vanwege een dodelijke zondekwaal, waarvoor wij nergens genezing konden vinden en waaraan wij moesten sterven, genezing hebben gevonden onder de vleugelen van de Zon de gerechtigheid, zouden wij dit dan anderen niet aanprijzen, die met dezelfde kwalen besmet zijn? Zij die niet weten hoe zij ooit genezen moeten worden, moeten we de weg wijzen: ‘Ik heb anderen verteld al de rechten Uws monds’.

David is begonnen te spreken over het eisende recht van God, maar hij is daarin niet blijven steken. Hij heeft ook gesproken over Hem Die komen zou, de grote Davids Zoon, om het recht Gods genoegdoening te geven; om een weg te banen waar geen weg was, zodat dwaze en doodschuldige Adamskinderen nog behouden kunnen worden in een weg waarin Gods recht verheerlijkt wordt. O, daarvan wilde hij getuigen. Daarvan heeft hij getuigd. En daarvan moeten ook wij getuigen. ‘Ach’, zegt u, ‘ik weet er nog zo weinig van. Ik ben nog onbekeerd, zegt u misschien wel. En daarom geloof ik dat het mijn taak niet is om daarvan te spreken. Laat dat de mensen maar doen die bekeerd zijn.’ Zou er wel één mens zijn, die mag zeggen: ‘Ik spreek niet over God en over Zijn dienst’? Zou er wel één mens zijn die mag zeggen: ‘Ik prijs de dienst des Heeren niet aan, omdat ik nog onbekeerd ben?’ ‘Ja, maar’, zegt u: ‘ik kan het niet’. Dan kan ik u vertellen, dat er niet één is die van God geleerd is, die zegt: ‘ik kan het’. Want het is niet in ons vermogen om dat naar behoren te doen. Maar het gaat hier om de begeerte van het hart. Is het ons verlangen niet? Zwijgen we dan? Gaan we dan als stommen over de wereld en spreken we niet over God en Zijn dienst? Prijzen wij Zijn dienst niet aan? Wat is onze tong dan toch door de zonden verstomd! Dan spreken wij niet van het goede. En dat zal onze smart, zegt David in psalm 39, verzwaren. O, wij behoorden te spreken! Want één keer komt het terug en dan zonderen wij niemand uit. Eén keer komt het terug, bij uw geliefden bijvoorbeeld soms al in dit leven. Mensen die u omringen, die man waar ik altijd mee samengewerkt heb, hij is gestorven. Hij deed aan God noch gebod, zeggen we. Hij kende God niet. Had hij nooit van de Heere gehoord, en heeft u nooit met hem over de Heere gesproken? Ach, weet dan toch, dat dan ook zijn bloed ook van uw hand geëist kan worden! Weet toch dat de Heere in rechtvaardige toorn ook van ons kan zeggen: ‘Waarom hebt u nooit met hem een woord over de dienst des Heeren gesproken?’ U hebt dagelijks de gelegenheid gehad, bij die man, die vrouw die we vaak hebben ontmoet.  Laten wij nog dichter bij huis zien, naar onze eigen familieleden, met wie we veel hebben omgegaan, met wie we veel gesproken hebben. Hoe zal het zijn als we geroepen worden om getuigen te zijn van hun sterven? En als u bij hun sterfbed staat en u merkt dat zij misschien niet meer aan te spreken zijn, de gedachten al wegebben en de dood al komt. Wat hebben wij dan ooit tegen hem of haar gezegd over de rechten van Gods mond? Hebben wij er altijd over gezwegen?

Hoe zal het zijn, ouders, als uw kinderen u eens moeten veroordelen, omdat u nooit met hen gesproken hebt over de rechten van Gods mond. Omdat u nooit heb gesproken over het recht dat God op hen heeft. Hebben we het nooit begrepen dat de Heere dan ook het bloed van onze hand kan eisen? Als wij zwijgend over de wereld gaan, zou het ons niet aan moeten vliegen? Zouden wij niet beangst moeten zijn? Wat kunnen we elkaar toch makkelijk verloren laten gaan. Wat kunnen we toch gemakkelijk onze medemensen voort laten hollen op de weg naar het verderf. O, zouden wij dan hen, die wankelen ten dode, niet van Godswege moeten waarschuwen en de enige weg tot behoud moeten wijzen? Zouden wij dan niet moeten smeken: ‘Heere, Uw vrijmoedige Geest ondersteune mij.’

Zal het eens allemaal tegen ons getuigen? Wie gaat hier vrijuit? Wie staat hier onschuldig? O, wat een smart is het bij allen, die Gods wil liefhebben en die de rechten van Gods mond beminnen. En die de begeerte hebben om daarvan te spreken. Kom, bid maar of de Heere u meer en meer wil leiden. Of de Heere u meer en meer wil regeren, ook uw mond, ook uw tong. Opdat u daarmee God zou loven in het midden van de mensen waar de Heere u stelt. Goed van Hem en van Zijn rechten spreken en Zijn dienst aanprijzen, is toch uw begeerte geworden? Weet wel dat, als wij weigeren dit te doen, wij ook geen vrijmoedigheid zullen vinden in ons gebed. Als we weigeren te spreken over de rechten van Gods mond, zal de Heere ook inhouden de rechten van Zijn mond te openbaren. Dan wacht geen vruchtbaar, gezegend leven, maar een dor en doods leven, ook al schonk de Heere leven aan onze ziel. Zou het de Heere aangenaam zijn als wij wel tot Hem de mond open doen om te spreken, maar weigeren de mond open te doen om over Hem te spreken tot anderen? Zou het op den duur onze vrijmoedigheid niet wegnemen? Ach, laten wij dan toch bidden: “Heere, open U mijn lippen door Uw kracht. Dan zal de tong gestaag Uw lof vertellen.” Dat wij maar steeds mochten bidden dat ook onze tong, een klein lid zegt Jacobus, nochtans grote dingen zal roemen. O, dat de Heere onze tong zou willen gebruiken! Dan hoeven wij het niet van het vele te verwachten, van wat wij tot stand brengen, want dan zou het verzoenend bloed van Christus niet nodig zijn. Voor de tong van allen die Hem vrezen is ook verzoening nodig, zoals Jesaja’s tong eens werd aangeroerd met een kool van het altaar. Niemand van hen die de Heere liefhebben, kan zeggen het goed gedaan te hebben. Maar de begeerte is er bij hen. En die begeerte wordt verlevendigd en dan kan soms toch die mond niet zwijgen. Dan moet er gesproken worden over de dienst des Heeren; dan moet Hij aangeprezen worden. Dan zal de Heere tonen dat het waar is, dat de tong een klein lid is, maar een grote hoop hout kan aansteken, zo staat er. Een klein vuur kan veel hout aan steken. Zo is de tong ook een vuur. En dat kan zijn ten kwade; dan is het een wereld van ongerechtigheid, zegt de apostel. Dan kunnen wij met onze tong veel kwaad stichten. Denk ik aan de laster, die zo gemakkelijk verteld wordt onder elkaar. Kwaad van een ander spreken, terwijl het niet eens waar is. Of als de waarheid vertekend wordt. Als de begeerte er is om een ander te kwetsen, achter zijn rug om; om te roddelen onder elkaar. O, dan kan een klein vuur een grote hoop hout aansteken. Dan kunnen wij elkaar krenken en vertrappen. Doet u er aan mee? Het wordt gedaan, maar de Heere geve dat wij er niet aan mee kunnen doen. Maar als onze tong ten goede gebruikt wordt, kan het ook als een vuur een grote hoop hout aansteken. Want als het woord van God in onze mond ligt, en als we anderen de rechten van Gods mond vertellen, dan kan de Heere daardoor werken. Dan kan de Heere zondaren erdoor bekeren. Dat behaagt de Heere. Dan gebruikt Hij, ach, zulke dwaze mensen, die een dwaze, boze tong van zichzelf hebben. Maar de Heere legt er Zijn woord op. En Hij zegent het. Dan gebruikt Hij ons als slijk in Zijn vingeren om grote dingen tot stand te brengen: Zijn koninkrijk te doen komen. Onder de prediking van Petrus zijn 3000 mensen bekeerd! Petrus, wat een bekwame tong! Nee, niet Petrus had een bekwame tong. Die tong van Petrus, hij wist het wel! Hij heeft er zijn Meester mee verloochend. Hij heeft met die tong geloochend dat hij Hem kende. Hij schaamde zich voor zijn Meester. Hij heeft zichzelf vervloekt en zijn Meester in het openbaar veracht. En dat terwijl toch die Meester voor hem de dood inging. Die tong van hem, ach, hij heeft niet anders verdiend dan die tong voor eeuwig van pijn te moeten kauwen in de hel. Dat heeft hij verdiend. Hij heeft nooit reden gekregen om te roemen in zijn tong. Maar het is een wonder voor hem geworden van vrije genade, dat door het gebruik van zijn tong zondaren mochten worden bekeerd tot de levende God en Zijn Koninkrijk heerlijk gestalte kreeg. Nee, dan is er geen roem voor zijn tong, maar dan is er roem voor de God van het Woord, die Zijn Woord nog in de mond wil leggen van ellendige dwazen. Ach, is het uw begeerte al? Dan mogen wij wel bidden: “Zet, Heere, een wacht voor mijne lippen, behoed de deuren van mijn mond, opdat ik mij tot genen stond, iets onbedachtzaams laat ontglippen.” Dan mogen wij wel vragen of de Heere ook onze mond ten goede wil gebruiken, zoals David elders zingt: “Uw heilleer wordt door mij alom verbreid, ‘k bedwing mijn tong en lippen niet. Gij weet het Heere, Die alles ziet. Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid.

Psalm 119:7

‘k Heb met mijn lippen overal verteld
De rechten die Uw mond mij steeds wou leren.
Zag ik de rijkdom die de wereld telt,
Dan had ik groter vreugd in mijn begeren
Naar Uw gebod dan al dat aardse geld
Van hen die slechts hun aardse schat vermeren.