Psalm 119 vers 14

BLIJDSCHAP IN GOD

Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen dan over allen rijkdom (Ps.119:14)

(Uitgesproken in Rotterdam-Zuid in 1982)

Lezen: Psalm 63

Sommige mensen denken dat je nooit vrolijk mag zijn. Of dat je nooit echt vrolijk en blij kùnt zijn. Dat is niet Bijbels. Want dan had deze tekst niet in de Bijbel gestaan. En dan hadden wij niet op veel plaatsen, ook Psalm in 63 die we zojuist lazen, gelezen over een vrolijkheid, over een blijdschap die er is bij degenen die de Heere vrezen. U hoort het goed: bij degenen die de Heere vrezen.

Er is veel andere vrolijkheid. In deze wereld zoeken wij van nature ook een andere vrolijkheid. Maar die is niet goed. Die vinden wij in de Bijbel bij de goddelozen. Er is een blijdschap die onderworpen is aan de vergankelijkheid en aan de dood. Dat lachen zal vergaan, overgaan in wenen, in huilen, in jammer en droefheid. Als de vraag dus gesteld wordt: “Mag je vrolijk zijn?” Dan is het antwoord: “ja zeker”. Maar de volgende vraag moet luiden: “Wat voor vrolijkheid is het?” En de daaropvolgende vraag: “Kan je zo wel echt vrolijk zijn?” Dit zijn vragen die ik vanmorgen iedere luisteraar wel wil stellen.

Kunnen wij echt vrolijk zijn? Ach, u gaat vanzelf al allerlei redenen in uw leven na die oorzaken zijn van droefheid. Wat zijn er veel redenen om bedroefd te zijn. Nu u ouder wordt – de meeste van de luisteraars zijn de middelbare leeftijd al gepasseerd – dan voelen we dat ons lichaam langzaamaan afgebroken wordt. Als onze krachten niet meer maar minder worden, zien we de dood dichterbij komen. Het grootste deel van ons leven ligt achter ons. Dat is op zich al vaak een reden van droefheid voor velen. Als we daarbij zien dat we minder worden en het lichaam minder wordt en als we veel narigheid gezien hebben bij anderen en allerlei vormen van lijden, dan kan dat ons zorgen geven. Als onze kinderen zich nergens in door ons laten gezeggen, of als kleinkinderen de wereld ingaan, doet dat verdriet. En zo kunnen wij doorgaan. Wat zijn er veel redenen voor droefheid. Kan je dan nog wel echt vrolijk zijn? denkt soms een oudere. Kan er eigenlijk nog echt blijdschap zijn? Is niet waar wat Mozes zegt: “Het uitnemenste van dit leven is moeite en verdriet”?

Toch dreigen we zo twee dingen door elkaar te gooien. En wel de echte vrolijkheid, de echte blijdschap, waar David in onze tekst spreekt, en de schijnblijdschap, de vrolijkheid van de wereld. Misschien moeten we nog wel een derde mogelijkheid onderscheiden en moeten we onderscheid maken tussen drie vormen van blijdschap. Dan denken velen in de eerste plaats aan wereldse vrolijkheid, die bestaat uit vergankelijk vermaak, met grappen en grollen die men zoekt door drank en bij feesten. Dan gaat men zich te buiten en neemt men het leven niet meer ernstig. Dan ziet men aan de wezenlijke bestemming van ons bestaan voorbij. De dood wordt vergeten. Alle verdriet wordt weggedacht. Als we zo vrolijkheid zoeken door alles door alles wat onze vrolijkheid in de weg staat weg te denken,  daarover niet te willen spreken, daar niet van te willen horen, daar niet over te willen lezen; als we alles wat ons maar bedroefd zou kunnen maken, proberen weg te doen uit ons leven, dan is dat een heel dwaze, goddeloze wijze van leven. Dat is een heel oppervlakkig leven en helaas treffen we dat ook onder ons wel aan. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken. Helaas is de neiging van onze natuur zo geworden. We willen alles wat ons verdrietig en bang kan maken, wegdenken. We willen er zo min mogelijkheid over spreken of over horen. Het is niet de wijze om aan echte vrolijkheid en echte blijdschap te komen door op een wereldse wijze plezier en vrolijkheid te zoeken die toch voorbijgaat. Dat is de eerste vorm van vrolijkheid die niet in overeenstemming is met wat de Heere wil.

Er kan ook sprake zijn – en daar moeten wij voorzichtig mee zijn – van karakterverschillen tussen mensen. Er zijn mensen die hebben een opgeruimd, een vrolijk karakter. Ze bezien alles van de zonnige kant. Dat is dan een eigenschap van hen waar zij altijd mee door de wereld gaan. Zo heeft de één een sombere, melancholische aard en is de ander opgeruimder, opgewekter. Zij zien gauwer over moeilijkheden heen. Dat kan een karakterverschil zijn, waarbij we niet meteen moeten zeggen: wat erg dat je weleens opgeruimd ben. Maar toch is het wel zo dat mensen die een vrolijk, opgeruimd karakter hebben, weleens de neiging hebben om te oppervlakkig te leven. Weet u wanneer zij dat voelen? Als de Heere ze bekeert. Als de Heere ze gaat leren dat door de zonden het uitnemenste van dit leven moeite en verdriet is. Verandert dan hun karakter? Nee, dan verandert niet meteen hun karakter. Maar dan krijg je wel iets te zien van een innerlijke strijd, vaak tegen je eigen karakter. Dan zuchten ze in de eenzaamheid: ach, wat heb ik daar weer zitten lachen en praten! Wat heb ik eigenlijk gedaan? Zulke mensen krijgen te stellen met hun eigen vrolijke karakter, ook omdat zij zich wel eens te buiten gaan. Ons karakter kan wel strikken leggen, die niet ten goede zijn. Maar wij moeten deze opgeruimdheid, deze vrolijkheid onderscheiden van de wereldse vrolijkheid, van een vrolijkheid die genoeg heeft aan goedkoop plezier. Want ook Gods kinderen, al hebben zij een opgeruimd karakter, als zij naar zichzelf kijken, dan is dat hun vaak een oorzaak van strijd. Dan hebben ze matiging nodig, leiding nodig om niet voortdurend te ver te gaan. Bij hen is dit vaak een oorzaak van strijd en droefheid.

Dan is er nog een derde vorm van vrolijkheid en dat is de vrolijkheid die David hier bedoelt en die we elders in de Bijbel wel tegenkomen. “Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen”, zegt hij. Van die vrolijkheid lezen wij in verschillende psalmen. Ik denk aan het slot van psalm 35: “Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid.” zegt daar de dichter. En ook aan het slot van psalm 40 spreekt David: “Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen die U zoeken. Laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen, de Heere zij groot gemaakt.” Daar gaat het om een vrolijkheid in de Heere. een vrolijkheid over het werk van God in zondaren. En daarover gaast het ook hier in vers 14: “Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen, dan over alle rijkdom.”

Hoe minder licht van de Heere, hoe minder onderwijs, hoe meer er kan zijn van de wereldse vrolijkheid. Dat was de eerste vrolijkheid waar we het over hadden, de oppervlakkige vrolijkheid die alle moeite en verdriet weg wil denken door geen gevoel van zonde en schuld te willen dragen. Die vrolijkheid, die goedkope vrolijkheid, dat plezier, sterft weg als God gaat werken. Daarom denken wereldse mensen dat het leven dat de Heere geeft, maar een triest leven is. een treurige bedoening. Dat Gods kinderen nooit vrolijk kunnen zijn, denken zij. De wereldling kijkt er zo tegenaan. En het wereldse hart van onze jongens en meisjes, van kinderen en kleinkinderen – want zo’n hart hebben wij van nature – dat ziet in de Godsvreze geen blijdschap en vreugde, maar zij vergissen zich wel. Maar zij zien alleen maar dat de wereldse vrolijkheid, dat goedkope plezier, wat iedereen in de wereld zoekt, weggaat. Dat is wel waar. Dat sterft. Hoe meer licht en onderwijs de Heere geeft, hoe meer je daar doorheen ziet. Hoe meer je ziet dat een avond, waar mensen met grappen en grollen elkaar vrolijk maken en lachen, en waar ze met drank en andere dingen elkaar opzwepen, dat je op die manier je kostbare tijd verdoet. Dat is geen stichten maar ontstichten. We moeten rekenschap afleggen ook van zo’n avond en kun je er dan nog vrolijk aan meedoen? De Heere laat de Zijnen sterven aan zo’n leven; dat wordt ze onmogelijk gemaakt. Je ziet door al dat goedkope plezier heen en dan kun je niet meer genieten, ook al zouden ze er ons midden in zetten. Dan kan Belzasar een feestmaaltijd houden en zelfs drinken uit de heilige vaten van Jeruzalem, en dan kan hij, misschien wel op zedeloze wijze, met vrouwen erbij, op zijn goddeloze feest zichzelf te buiten gaan aan de drank! Je kunt geloven dat hij met de groten van zijn rijk echt niet stichtelijk bijeen geweest is. En opeens komt er dan die vinger. Opeens komt daar dat handschrift aan de muur: “Mene, Mene, Tekel Ufarsin.” Gewogen, gewogen en te licht bevonden. Dan moet Belsazar ervaren hoe vergankelijk zijn feest en vreugde was. Want in diezelfde nacht wordt Belsazar gedood. Dan heeft Herodes zijn vermaak en plezier gezocht (hoewel de angst daarbij toch niet ontbrak). Hij heeft gezocht om zichzelf groot te maken en eer en rijkdom te bereiden, maar wat moet het dan toch een verschrikkelijke dood zijn, die onderging! De Heere Jezus heeft erover gesproken.

Denk aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Wat is er van die rijke man toch geworden? Hij heeft lekkerlijk geleefd, staat er. Hij heeft heel zijn leven het genot gezocht in deze wereld. Hij zocht plezier in feesten en vermaak met zijn vrienden en zijn broeders. En toen kwam de dood en toen was het voorbij. Toen bleek dat al die vrolijkheid vergankelijk was. En dat de dood sterker was. En toen was die arme Lazarus gelukkig. O, hij had alleen in dit leven vermaak gezocht.

U kunt ook denken aan de gelijkenis van de rijke dwaas, die met allerlei rijkdom op deze wereld zich hier een eeuwig huis wilde bouwen. Maar dat kan niet. En God zegt: Gij dwaas. En Hij nam in die nacht zijn ziel van hem weg. Hij stierf. En daar gaat iemand die van de Heere onderwijs krijgt, doorheen zien.

Ach, al dat vermaak, al die blijdschap die er is over vergankelijk dingen, over tijdelijk goed, over dingen van deze wereld, daar heb je niets aan; daar val je mee om; dat is niet blijvend. En dat wordt hun daarom tot droefheid. Ook u al? Is dat ons ook al tot droefheid geworden? Maar nu mag men niet denken dat de vreze des Heeren alleen maar droefheid inhoudt en alleen maar tranen kent. En dat er geen vreugde in gevonden wordt en dat het een sobere dienst is, waarbij men alleen maar bitter kan wenen en klagen. Dat is niet waar. Hoewel we bitter wenen en klagen gekend wordt. Maar het is niet alleen maar wenen en klagen. Gods Woord leert het ons anders, en ook de bevinding van de kerk, van Gods ware kinderen, is anders. Want al leren zij dat het uitnemenste van dit leven moeite en verdriet is, zij leren ook dat het uitnemendste van een leven met de Heere blijdschap is. En dat is een blijdschap en dat is een vrolijkheid die heel wat meer waard is dan het vermaak van de wereld! Dat is een blijdschap en vrolijkheid die veel dieper wortelt, in het hart en die heel wat verder reikt, niet alleen in de tijd, maar ook in de eeuwigheid; niet alleen op de aarde, maar ook in de hemel. Ze reikt over de grenzen van dood en graf. Het is de blijdschap, waarvan we in psalm 63 hebben gelezen en waarnaar David hunkerde, er naar verlangde. Hij wijst in het begin van die psalm al aan: ‘Uw goedertierenheid is beter dan dit leven’. Hij wees dus al aan dat hij zijn blijdschap niet zocht in dit leven en dan klaagt hij nog, dan is hij nog bedroefd, dan zoekt hij de Heere nog. Maar dan ziet hij toch al waar zijn blijdschap is: in de dienst des Heeren; in de goedertierenheid des Heeren over hem. Dat is beter dan alles wat deze wereld biedt. En als de Heere Zich tot hem wil wenden, zegt hij: ‘Mijn ziel zal als met smeer en vettigheid verzadigd worden. En mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.’ Hier zegt hij nog: ‘O, als de Heere toch kwam en als Hij toch vertroostte.’ Maar even later klinkt de geloofstaal helderder in het achtste vers. Dan zegt hij: ‘Want Gij zijt mij een hulp geweest. En in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.’ Dan weet hij: als de Heere dichtbij mij is, als Hij zich over mij ontfermt, als ik ervaar dat God mijn God wil zijn, o, wat een blijdschap is er dan in mijn hart! Wat een vrolijkheid is er dan in mijn ziel! In de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen. Dat is dezelfde David die de woorden van onze tekst opschreef. ‘Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen, dan over alle rijkdom.’ Vrolijker dus dan de wereld met haar vermaak.

Merkt u wel dat we hier twee kenmerken hebben van het werk Gods? Merkt u wel dat we hier twee kenmerken hebben die het onderscheid tonen tussen iemand die God dient en iemand die God niet dient? Want waar de Godsvreze is, daar neemt de droefheid over de wereld en over de zonde toe. En daar neemt ook de blijdschap over het werk Gods toe. Dat is een groeiende droefheid en een groeiende blijdschap. Die is er wezenlijk in de Godsvreze. Een droefheid die toeneemt over de zonde in deze wereld. Men kan in die vrolijkheid en blijdschap van de wereld niet meer leven. U ook niet?

Weet dat de Heere de Zijnen zo een droefheid geeft naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Dat is de andere zijde: de blijdschap over het werk Gods neemt toe! Dat wordt de vreugde van hen die door de Heere geleid worden. Daarom zegt David: ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen. Het gaat eigenlijk over een levensweg. Dat is een hele goede weg, zo wil hij zeggen. Ook al spreekt de Heere Jezus over een smalle weg en een brede weg, en al is het een smal pad, dat ten hemel leidt, waarop men allerlei aards vermaak niet meer wil zoeken. Al lijkt die smalle weg niet bekoorlijk, ze is wel begeerlijk. Ik ben vrolijker in die weg, dan op die brede weg, zo wil David zeggen. Vrolijker op de smalle weg. Dan gaat het wel om echte vrolijkheid en echte blijdschap! Hij vindt meer blijdschap, meer vrolijkheid, in de weg van Gods getuigenissen dan over alle rijkdom. Let er toch op dat het in een weg is. Let er toch op dat het de weg is waarop de Heere leidt. Maar waartoe de Heere ook lokt. Hij lokt de zondaren om op die weg te komen. Ach, dat leest u zo vaak in de Bijbel en dat hebt u ook al vaak gehoord: ‘Verlaat de slechtigheden en leef en treed op de weg des verstands’. Daar wordt dezelfde weg bedoeld, de smalle weg. Dat is de nodiging die van Godswege tot zondaren komt. Kom, treed toch op de weg van mijn getuigenissen! Daar zult u echte vrolijkheid vinden.

Hier wordt ook het middel aangewezen om die vrolijkheid te verkrijgen, want de getuigenissen zijn het woord van God. Dat gaat over Gods Woord, waarin Zijn wil openbaard is. Dat is de geopenbaarde wil van God, u die zoekt. Als u die trouw zoekt, biddend zoekt, dan zal de Heere u die zegen bereiden. Als u lust krijgt om op die weg geleid te worden en het uw begeerte wordt om al het andere te haten en te vlieden, om de gerechtigheid na te jagen, o, dan zal God de leidsman van zulken zijn. ‘Wie heeft lust den Heer’ te vrezen, ’t Allerhoogst’ en eeuwig goed? God zal Zelf zijn Leidsman wezen; leren, hoe hij wand’len moet’. Dan gaat de Heere zo iemand leiden. Misschien zijn er wel jongens en meisjes die meeluister. Hoor het toch goed, als je echt blijdschap wilt leren kennen in je leven, jongens en meisjes, echte vrolijkheid, die niet voorbij gaat en die de wereld niet heeft, als je de echte vrolijkheid zoekt, zul je die vinden in de weg van Gods getuigenissen. Die zul je vinden op die smalle weg die naar het eeuwige leven leidt. Die zul je vinden waar je hart lust krijgt om de Heere te vrezen, het allerhoogste en eeuwige goed.

Als men op die weg is, dan kan het toch wel eens donker zijn. En als men dan gaat vergelijken… Hoe is nu mijn weg en hoe is de weg van een wereldling? O, dan kan het nog wel eens mis gaan. Asaf ging bijvoorbeeld vergelijken toen hij zelf in het donker was. Hij ging zijn weg, de smalle weg waarop hij wandelde, vergelijken met de brede weg van de goddeloze. En toen kwam hij alles tekort. Toen dacht hij: ach, ik heb iedere morgen bestraffingen. Ik heb telkens droefheid en tegenslagen. En die goddelozen leven er maar op los. Die genieten en het lijkt wel of er geen rem op hen staat. O, dan wordt Asaf jaloers op de goddelozen en dan vindt hij geen blijdschap meer in de dienst des Heeren, maar droefheid. Dan meent hij dat blijdschap het deel van de goddelozen is. Maar Asaf mist dan het goede licht. Daarom, als wij gaan vergelijken, moeten we eerst vragen om het goede licht van de Heere. Asaf heeft dat nodig gekregen. Hij moest eerst het heiligdom worden ingeleid om het weer goed te zien. En toen hij in het heiligdom werd geleid, ging hij het verschil zien van die twee wegen. Toen leerde hij op het einde van die twee wegen letten. De smalle weg komt goed uit, maar de brede weg komt slecht uit. Op die smalle weg daar word je naar het eeuwige leven geleid. Op de brede weg hol je voort naar het verderf; naar een eeuwige droefheid. Toen zag hij het opeens: zij storten van de top van eer in eeuwige verwoesting neer; zo gaat het op de brede weg. Maar toen zag hij ook: ‘Gij hebt mijn rechterhand gevat en gij zult mij leiden door uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen’. Toen was het weer goed.

Soms zijn er tegenslagen in dit leven, is er moeite en verdriet. Dat wordt Gods kinderen niet bespaard. Maar als ze dan toch mogen zien, dat er Een is die hun hand vasthoudt, dat er Een is die hen daar doorheen leiden wil naar Zijn raad, om hen te louteren, dan ervaren ze het toch als de weg waarop God leidt. Ach, dan kan er toch diep in het hart weer vrede en weer blijdschap komen. Dat was bij Asaf zo en dat is nog bij Gods kinderen zo, ook als er tegenslagen zijn. Ook als er moeite en verdriet is. Dan moet iemand die de Heere vreest, er wel onder gebracht worden. Dan mag men zien dat de Heere toch de hand niet losgelaten heeft en ook niet los wil laten; dat Hij toch verder leiding wil geven. Tot het einde toe zal Hij niet begeven of verlaten. En is er die bemoediging, is er die vertroosting, dan worden ze hersteld. Temidden van de droefheid komt er dan toch weer blijdschap, diep in het hart, want de Heere vergeeft het. In de grootste smarten blijven dan de harten in de Heere gerust. Is dat geen blijdschap? Is dat geen vreugde? En daarom: in de dienst des Heeren is er blijdschap, diepe vreugde. Eigenlijk is alleen daar echte blijdschap, echte vreugde en vrolijkheid. Die blijft eeuwig; ze wordt steeds groter en sterker.

Vraag u eens af: wat is onze grootste rijkdom? Kunnen we het David nazeggen: ”Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen dan over alle rijkdom”? Ach, zegt u, misschien ben ik nog nameloos arm want ik dien de Heere niet, ik vrees Hem niet, ik ben nog onbekeerd. Dan wil ik u toch hierop wijzen, dat hier staat: in de ‘weg Uwer getuigenissen’. Het gaat hier over een weg. Vraag dan de Heere om op die weg geleid te worden, op die enige weg die ten leven leidt. Geleid te worden als een dwaas. Die getuigenissen zijn het Woord des Heeren. Die wijzen ons duidelijk op het middel waardoor de Heere dwazen op die weg wil leiden. Vraag dan om die leiding van de Heere, de leiding van die grote Profeet. Vraag om geleid te worden op de weg van Gods getuigenissen. Ach, al is dat dan een weg waarop je als dwazen geleid wordt en al val je op die weg jezelf voortdurend tegen, al zal de droefheid op die weg geen vreemde zaak zijn, al is er smart over de zonde, dan zul je toch op die weg het beginsel van ware blijdschap leren smaken. De wereld kent dit niet. Die blijdschap die er al is in de belijdenis van zonde en schuld. in de tijd van overtuiging. Dat is zo’n blijdschap dat men dan niet meer terug wil naar de wereld. Dat is zo’n blijdschap waar David van zegt: ‘Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel’. Knielen voor de Heere. Toch op een goede plaats gebracht, ook al zijn wij niet goed. Die weg is ten goede, die weg van Gods getuigenissen. Dat is een weg die goed uitkomt. Ach, smeek toch, of de Heere u als een dwaze op die weg wil leiden. Dan zult u dit leren kennen en leren instemmen met wat David zei; “Ik ben vrolijker in de weg Uwer getuigenissen dan over alle rijkdom”. Het wordt hier naast elkaar gelegd. We gaan vergelijken, zo wil hij zeggen. En al die rijkdom die vergankelijk is, al die weelde die de wereld zoekt, of biedt en die we van nature najagen, die geeft me die blijdschap niet. ‘Gij hebt mij in het hart meer vreugd gegeven dan andere smaken in een tijd, als zij door aards geluk verheven, bij koor’n en most wellustig leven in hunnen overvloed verblijd.’ Een betere, een meerdere blijdschap, zegt David. Omdat de blijdschap die de Heere geeft op Zijn weg, een blijdschap is, die eenmaal eeuwig volmaakt en ongestoord zal zijn.

Psalm 73 vers 12,13 en 14

12. Bij U zal ik gedurig zijn.
U houdt mij vast in nood en pijn,
in wat mij ook mocht overkomen.
U hebt mij bij de hand genomen.
U zult mij leiden door Uw raad,
O God, Die mij steeds gadeslaat,
en daarna mij, door U bereid,
opnemen in Uw heerlijkheid.

13. Wie heb ik in de hemel hoog
dan U, Die tot mij nederboog?
Wie kan mij hier op aard’ verblijden,
dan U alleen, Die mij wilt leiden?
Bezwijkt mijn vlees, verteert mijn hart
in grote nood of bange smart,
dan is mijn God in al die strijd,
mijn Rots, mijn Deel in eeuwigheid.

14. Wie ver van U zijn tijd verknoeit,
vergaat, wordt door U uitgeroeid.
U zult, die van U afhoereren,
verdoen met d’ afgoôn, die ze eren.
Maar mij aangaande, ’t is mij goed
nabij mijn God, Die mij behoedt.
’k Vertrouw op God, Hij is mijn Al,
Wiens werken ik vertellen zal.