Psalm 119 vers 18

Gebed om ontdekking

Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet (Ps. 119:18).

Lezen: Lukas 11:33-36.

(Uitgesproken in Rotterdam-Zuid in 1982)

Het gaat in dit vers, dat een gebed is, eerst over wonderen. Maar dit gebed is niet te verstaan als we niet eerst iets zeggen van het tweede gedeelte van de wonderen waarover David hier spreekt: de wonderen Uwer wet. Want ten diepste gaat het daar om. We kunnen ook vertalen: ‘de wonderen uit Uw wet’. We weten van vorige overdenkingen dat het woord ‘wet’ hier eigenlijk betekent: wat God geopenbaard heeft. Zijn Woord, het geheel van de Godsopenbaring, Zijn getuigenis en inzettingen. David gebruikte telkens andere woorden voor dezelfde zaak. Het gaat hier dus om wonderen die de Heere heeft geopenbaard. ‘Wonderen’, dat woord zeg ik met nadruk. Het komt in ons spraakgebruik niet zo duidelijk tot uitdrukking als in het Hebreeuws. Het is een woord dat alleen op God van toepassing is. Dit woord gebruikte de Jood nooit als hij sprak over daden van mensen. Het werd alleen gebruikt als het ging over de daden van God, zoals David in Psalm 72 heeft gezegd in het achttiende vers: ‘Geloofd zij de Heere God, de God Israëls. Die alleen wonderen doet’. Alleen God doet wonderen. Het gaat dus over Gods wonderdaden. Zijn die er niet overal?  Zijn die er niet in de natuur, zijn die er niet in ons leven, zijn die er in zonderheid niet in het leven der genade? Wij lezen bij verschillende bijbelschrijvers hoe ze de wonderen Gods in de natuur beschouwen. Denk aan Psalm 19: ‘Het ruime hemelrond, vertelt met blijde mond Gods eer en heerlijkheid. De held’re lucht  en ’t zwerk Verkondigen Zijn werk en prijzen Zijn beleid.’ Zo gaat de psalmist verder. Dat is ook een Psalm van David, die spreekt over Gods wonderen. Later, in het vierde vers, zegt hij dat onze ogen ook geopend moeten worden voor het Woord des Heeren: ‘Des Heeren wet nochtans verspreidt volmaakter glans, dewijl zij ’t hart bekeert.’ Hij zegt dat het Gods getuigenis is, dat eeuwig zeker is en slechten wijsheid leert. ‘Wat Gods bevel ons zegt, vertoont ons ’t heiligst recht en kan geen kwaad gedogen; Zijn wil, die ’t hart verheugt, eist zuiverheid en deugd, verlicht de duist’re ogen.’ Door het Woord van God worden de door de zonde verduisterde ogen geopend om de wonderen Gods te aanschouwen. Gods Woord spreekt op veel plaatsen over wonderen. Ik denk ook aan Psalm 29, waarin zo indrukwekkend over het onweer gesproken wordt. Die eindigt ook met: ‘Looft den Heer, die wonderen werkt, Israel Zijn volk versterkt…’ In Psalm 104 horen we ook van de wonderen in de natuur, de onderhouding van alle leven. Of de getuigenissen in het boek Job, als hij de wonderen Gods aanschouwt, in de schepping en onderhouding van deze wereld. In de natuur zijn veel wonderen. Zien we ze al? In kleine en grote dingen? Daar moeten onze ogen voor geopend worden. Gezelle dichtte: ‘Mij spreekt de blomm’ een tale, mij is het kruid beleefd, mij groet het altemale, dat God geschapen heeft.’ Hij zag in de natuur, in alles wat  God geschapen had, de hand van de Schepper. Zo moeten wij het leven in de natuur zien. Als het weer mag ontluiken in het voorjaar zegt de dichter er van in Psalm 104: ‘Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.’ Gods werken in de natuur zijn wonderen van de allerhoogste God, Die het leven geschapen heeft en nog onderhoudt.

Maar dat geldt ook van ons persoonlijke leven. Gods zorg is over ons als we ‘s morgens weer mogen ontwaken.. Dat ons hart nog klopt en ons bloed nog door de aderen stroomt. Dat onze ogen het daglicht weer mogen zien. Dat we met onze oren nog U mogen horen. Wat een wonderen doet de Heere in het menselijk lichaam! Het is waar, door de zonde kan er veel stuk gaan; veel kan ons worden ontnomen; ziekten kunnen ons lichaam slopen, maar toch zijn er nog veel wonderen in het menselijk leven. Het zijn gaven van God. Daarin dat we ons mogen voeden en kleden, en dat we nog bescherming hebben. Dat er nog mensen zijn die om ons denken, dat er nog liefde, nog saamhorigheid is op deze wereld. Hoewel we zien dat de liefde van velen verkoudt, maar toch zijn er nog veel onverdiende zorgen, gaven van God. Dat zijn wonderen.      

Bijzonder wordt dit gezien en beleden waar de Heere Zijn genade openbaart aan een zondaar, Zijn ontferming over een ellendige. Als de Heilige Geest een zondaar overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel en we zien wat we verdiend hebben, o, dan wordt alles een wonder! Dan wordt het een wonder dat de aarde ons nog draagt en de hemel ons nog dekt. Dan wordt het een wonder dat de Heere ons nog niet heeft weggestormd. Dan is het een wonder dat wij nog gezond zijn, terwijl een ander in het ziekenhuis ligt en moet sterven. Dan is het een wonder dat we geen ongeluk kregen en een ander wel. Dan is het een wonder, dat het een ander was die dood op bed werd gevonden en dat wij nog weer mochten opstaan. Dan wordt alles een wonder.

Maar niet alleen het tijdelijke wordt dan en wonder. Gods kinderen begeren Zijn werken in alles na te speuren. Ze gaan de wonderen van God in de natuur zien, maar ook in hun eigen leven. Bijzonder krijgen ze oog voor Gods genadewerk. Dat God hen nog niet moe geworden is! Dat de wereld hen nog draagt. Ja, dat het God behaagde een weg te banen om hen voor eeuwig te behouden. Dat wordt het grootste wonder. Dat de Heere Jezus de hemel verlaten heeft en gekomen is om Zichzelf te vernietigen en de broederen gelijk te worden. Dat Hij kwam om te lijden en te strijden om zo’n ellendige zondaar of zondares op te richten uit de dood en de weg ten leven te banen. Dit te openbaren maar ook daarop te willen leiden, op de weg naar het eeuwige leven. Onbegrijpelijke zondaarsliefde! Dat wordt het wonder aller wonderen, een wonder dat men niet op kan, waaronder ze verbroken worden. Dat wordt een wonder waar de eeuwigheid voor nodig is om dat uit te wonderen. O, wat een wonderen zijn er in al Gods daden, in al Zijn doen.

De natuurlijke mens ziet het niet. Die is verblind door de zonde. Dat is de duisternis op deze wereld. Dan ziet men alle dingen uit z’n verband. Dan kan men niet recht onderscheiden tussen het doen van ons en het doen van God. Dan beoordelen we onze daden het liefst als goed en die van God als slecht, als kwaad. Dan missen we het licht dat ten enenmale nodig is om de wonderen van God te zien. Paulus zegt: ‘De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, ze zijn hem dwaasheid.’ Verblind is de mens door de zonde. Duisternis heeft de wereld bedekt, daar de mens de bron van het licht heeft verlaten. God heeft Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid uit deze wereld teruggetrokken. Nee, niet dat Zijn alomtegenwoordigheid ophield te bestaan. Maar Zijn tegenwoordigheid in liefde en in gunst, Zijn gemeenschap, kon niet meer gesmaakt worden. Daarom is er duisternis waar het licht van God uit onze kennis weg is. Daar is ons licht duisternis. De mens dreigt voort te gaan met in de duisternis te wandelen en in de duisternis om te komen. Maar nu heeft het God behaagd Licht te zenden in de duisternis. De Heere Jezus zei daarvan tegen Nicodemus: ‘En dit is het oordeel dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht. Want hun werken waren boos. Want een iegelijk die kwaad doet haat het licht en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet komt tot het Licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat ze in God gedaan zijn.’ Ziet u het Licht van het Woord van God dat heeft geschenen op deze wereld? Dat is de openbaring van wat God goed en wat Hij kwaad acht. Dat is vernieuwend Licht om de mens te leren wat waarheid en wat leugen is, wat van de vorst der duisternis is en wat van de Heere is. Het is niet alleen om het te openbaren, maar ook om een zondaar te bekeren van de duisternis tot het Licht. Om de zondaar te trekken!

Dat leert ons het Woord van God. We zullen  geen wonderen leren kennen van God als het licht van Zijn Woord er niet op valt. Daarom bidt David: ’Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw de wonderen Uwer wet.’ De wonderen die U in Uw woord hebt doen optekenen en die Uzelf hebt geopenbaard. Ze staan daar in goddelijk licht. We zullen ze niet leren dan door het Woord van God, wil David zeggen. Daarom moeten we dat Woord van God zo liefhebben. Bedenk toch eens, dat David minder had dan de helft van onze Bijbel. In Davids dagen was de wet van Mozes er. Er kunnen nog enkele andere geschriften bekend zijn geweest, maar het meeste moest nog geschreven  worden. Bedenk dat de boeken van Samuel die handelen over David, de Koningen, de Kronieken,  nog niet geschreven waren. De profeten hadden nog niet geprofeteerd. Het ging vooral om de geschiedenis van het volk van Israel in de woestijnreis. En om de Richterentijd. De wonderen Gods, die daarin waren, die waren David zo lief. Daar begeerde hij onderwijs uit te krijgen, licht over te ontvangen. Hij had minder dan de helft van onze Bijbel, maar hij had het zeer lief. Is dat bij ons ook al zo? Was hij er niet altijd mee bezet, zoals deze Psalm ons leert? ‘Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw, de wonderen Uwer wet.’ Het licht van het woord is er, dat moet hij belijden. Hij weet ook dat de mens zelf de duisternis stelt boven het licht. Ach de mens van nature staat met de rug naar het licht toe, omdat hij met de rug naar toe God staat. Zo bewandelt hij zijn weg in de duisternis. Dat is het beeld dat de Heere Jezus in het gesprek met Nicodemus gebruikt. Een ander beeld zegt dat de mens blind is ten aanzien van het licht. Het beeld van geestelijke blindheid is ontleend aan lichamelijke blindheid, de blindheid van onze ogen. Als wij helemaal blind zijn kunnen we niet meer onderscheiden tussen licht en donker. Geestelijke blindheid kent ook geen onderscheid. Geen onderscheid tussen goed en tussen kwaad. Daarom is het nodig dat blinde zielsogen door de Heere worden geopend. Dan gaan de zielsogen aanschouwen wat de Heere aan wonderen heeft gedaan en nog kan doen.

David belijdt dit alles in dit gebed. Hij belijdt in de eerste plaats de duisternis door de zonde. Anders bid je niet om ontdekking van de ogen. Dan bid je niet om licht. Als je de duisternis niet kent, en de duisternis niet haat. Dus hier zien we in de eerste plaats belijdenis van duisternis. Maar het is ook een overtuiging. Wat is het groot als we hiermee van harte instemmen. Weet u waarom? Ik zie hier een beginsel van ontdekking. Hij bidt om ontdekking, zult u zeggen. Inderdaad, als men gaat bidden om ontdekking is dat een teken van ontdekking. De natuurlijke mens denkt dat hij nergens aan ontdekt hoeft te worden. Hij kan het nog wel stellen met zijn kennis, die hij zichzelf heeft eigen gemaakt. Hij heeft overal een antwoord voor klaar. Die weet een ieder het zijne wel toe te schikken. Die weet iedereen wel een antwoord te geven. Die bidt zoveel niet om licht en om leiding. Maar als we onze dwaasheid gaan gevoelen, echt dwaas worden voor God, bang voor onze gedachten, bang voor zelfbedrog, bang voor onze duisternis; als we gaan beseffen dat we geestelijk alle onderscheidene kennis missen, gaan we om licht en waarheid bidden. De Heere maakt Zijn kinderen missend, als Hij ze bekeert. Dat geldt ook ten aanzien van licht. Als David hier bidt om licht dan belijdt hij dus in de eerste plaats zijn duisternis. Hij weet dat de Heere alleen dat kan genezen.

Als Paulus bekeerd wordt op weg naar Damaskus, dan wordt hij eerst als een blinde weggeleid. Als een blinde, lichamelijk maar ook geestelijk. En dan straks, als hij in het huis is en Ananias tot hem komt, dan vallen hem af als schellen van de ogen. U ziet daar twee stadia in de bekering van Paulus, die bij Gods kinderen geen vreemde zaak zijn. Hij leert eerst de duisternis kennen en straks het licht. Eerst wordt hij bij de hand geleid in zijn stikdonkere nacht. Dan krijgt hij voor het eerst leiding nodig. Niet van de mens in de eerste plaats, maar van de Heere: ‘Heere wat wilt U dat ik doen zal’, bidt hij dan. Daarna aanschouwt hij met een oog des geloofs het werk, het Borgwerk, van de Heere Jezus Christus. Jezus Christus maakte hem ziende. Daarna predikt hij in Damascus de Heere Jezus Christus als de enige Zaligmaker. Wat een wonderen doet God aan geestelijk blinden.

Ja maar, zegt u, moet David daar nu nog om bidden? Hij is toch al bekeerd? David is toch een man die de Heere vreest? Moet hij dan in vers 18 bidden: ‘Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw de wonderen van Uw wet?’ Ja, dat bidden Gods kinderen altijd nog. Die het meeste zelfkennis hebben en daarbij horend de meeste Godskennis, bidden dit het meeste. Wie ervan overtuigd is dat er geen licht is buiten het licht dat de Heere geeft, die krijgen dat Woord van God met David zo hartelijk lief. Die weten dat het God behaagt door Zijn Woord te spreken. Dat zijn geen geestdrijvers, zoals die er altijd ook geweest zijn in de kerkgeschiedenis. Maar die zijn aan de Schrift gebonden, zoals David daaraan gebonden was. Zo hebben al Gods kinderen dat Woord zo hartelijk lief gekregen. Ze hebben het licht uit dat Woord nodig. Dat is een lamp voor hun voet en een licht op hun pad. Ja maar, zegt u, dat licht schijnt toch altijd? Ze hebben dat Woord toch altijd bij zich. Dat woord ligt in de huiskamers. Dat kunnen we opslaan en lezen. Dat wordt overal verkondigd. Het licht schijnt toch in de duisternis? De Heere Jezus zei toch tegen Nicodemus dat mensen die de waarheid doen, tot het licht komen, opdat hun werken openbaar worden of ze in God gedaan zijn? Het is wel waar dat het Woord van God als een licht schijnt in de duisternis en dat het overal wordt gepredikt. Het mag er zijn tot aan de einden van de aarde. Maar dat neemt niet weg dat Gods kinderen nu toch nog bidden om ontdekking van hun ogen, om ziende gemaakt te worden.  In de eerste plaats weten zij, beter dan iemand anders, dat wij van nature blind zijn. Geestelijk blindgeborenen zijn we, zonder zielsogen om nog recht te onderscheiden. Paulus spreekt ergens over een deksel dat op het hart ligt. Hij zegt niet: er ligt een deksel op Gods Woord, maar er ligt een deksel op het hart. Hij zegt het van de Joden die de Schrift niet goed lezen. Hij doelt dan op de zielsogen. Die kunnen niet goed waarnemen door de zonde. Dus is het eerst nodig dat het licht van het Woord schijnt. En daarbij is het nog harder nodig dat wij ziende gemaakt worden. Maar dan is in de derde plaats ook nodig dat verhinderingen weggenomen worden bij het zien. Want wat kan er veel in de weg staan, ja juist bij Gods kinderen. Die hebben er het meeste last van, met name als er iets staat tussen hen en tussen de Heere. Dan staat het ook tussen hen en tussen de waarheid die naar de godzaligheid is, tussen hen en tussen de wonderen Gods, waar ze geen zicht meer op hebben. Dan zien niet. ook al is het Woord van God een licht, ook al zijn Gods wonderen lichtende wonderen. Al heeft de Heere in beginsel hun ogen geopend en hen ziende gemaakt in de wedergeboorte, dan kan het toch zijn dat er zoveel tussen hen en de Lichtbron instaat. tussen hen en de Heere, tussen hen en Gods werken. Daarom bidden ze altijd weer dit gebed: ‘Ontdek mijn ogen.’ Sommige vertalingen hebben: ‘open mijn ogen’, maar dat is niet de juiste vertaling hier. Gods kinderen kunnen dat ook nog wel bidden, want ze vrezen telkens terug te zinken in de duisternis waarin ze van nature verkeerden. Soms vrezen ze nooit goed kennis en licht gehad te hebben.  Daar worden ze over bestreden. Dan kunnen ze ook wel bidden: ‘Open mijn ogen.’ Maar toch staat het hier niet. In beginsel zijn hun ogen geopend in de wedergeboorte. Het grondwoord hier betekent ‘een beletsel wegnemen van de ogen’. ‘Ontdekken’ is eigenlijk de meest secure vertaling. ‘Ontdek’, neem de verhindering weg van mijn ogen. Wat kan dat veel zijn. Er kunnen zoveel dingen tussen hen en God inschuiven en het gezicht op de Heere ontnemen. Dan worden ze afgeleid. De duivel zou het liefst hebben dat ze weer met de rug naar de Lichtbron toe stonden. Hebben ze nog licht bij zich, dan moet het maar op hun rug hangen. Als ze het zelf maar niet zien. De duivel zou het liefst hebben dat ze weer van de Heere afdwaalden. Allerlei verleidingen moeten hen daartoe bewegen; bijvoorbeeld: welvaart. Zeker de Heere kan de zegen geven van voorspoed. Maar het kan door de duivel misbruikt worden. We laten ons licht verblinden door  werelds goed. Daarom zegt de dichter: ‘Indien ‘t vermogen aanwast, waakt en let, dat ge het hart er niet op zet, zo wordt ge door geen schijn bedrogen.’ Ook lichamelijk wel en wee; tegenslagen ten aanzien van het lichaam. Dan doet de duivel niets liever dan ons alleen aan het lichaam te laten denken en de Heere te vergeten. Bekommer je maar om je kwaal. Een bepaalde lichaamskwaal kan je gaan beheersen, zodat het zelfs je gebed helemaal beheerst. Mag je er dan niet voor bidden? Natuurlijk wel. Maar als dat het ene nodige dreigt te worden, en je andere dingen er door vergeet, dan gaat het tussen ons en de wondere daden des Heeren in staan. Dan hebben we onze blik niet meer op de Heere en op Zijn werk gericht, op Zijn macht, op Zijn wil ten goede voor zondaren. Ook andere dingen kunnen ons het licht op de Heere en op Zijn werken ontnemen. Bijvoorbeeld: als we goede gedachten van onszelf krijgen en kwade van de Heere, die door de duivel worden gevoed. Want hij is de vader der leugenen. In die strik is Asaf gevallen. Er zijn meerdere van Gods kinderen in gevallen, verblind door eigendunk, gedreven door hoogmoed. Dat is ook met de rug naar het Licht toe staan. Er kunnen ook mensen tussen ons en tussen de Heere instaan, die ons het gezicht op de Heere, op Zijn werken ontnemen. Ze dreigen met hun wijsheid alles omver te gooien wat van de Heere is, omdat ze Zijn waarheid vertreden; omdat ze hun waanwijsheid voor goddelijke waarheid uitkramen. Zulke mensen zijn er altijd geweest. Ze zullen er altijd blijven. Die vertrappen het jonge leven dat uit God is. Ze benemen het liefste het zien op Wie van de Heere is.

Als de Heere in beginsel eerste lichtstralen van de Zon der gerechtigheid over een matte ziel doet schijnen, dan komen er vaak mensen die meteen tussen ons en dat Licht in willen staan; die ons het licht in de zielsogen niet gunnen. Wees ook maar bevreesd voor verkeerde gedachten van God, harde gedachten, die bij ons opkomen om ons van God weg te houden. We moeten zelfs bevreesd zijn voor ons eigen denken. ‘Toen mijn hart’, zegt de dichter, ‘door al mijn denken werd verward, en ik in druk schier was gestikt, toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt’.

Bij de wonderen van Gods wet moeten we hier denken aan de boeken van Mozes, die David in handen heeft. Hij begeert licht over wat daarin staat geschreven van Gods werken. Denk  niet dat het bij het woord ‘wet’ alleen om de tien geboden gaat. Het gaat ook over het scheppingsverhaal, maar ook over de geheimenissen die verborgen zijn achter de diens van de offeranden. Dan gaat het ten diepste om Christus. De duivel zou willen dat het alles in nevelen gehuld bleef. Die wil niet dat de Schepper geëerd wordt om Zijn wondere scheppingswerk. Die wil ook niet dat Gods kind door de schaduwen heen zicht krijgt op Christus. Hij wil niet dat God  verheerlijkt wordt, en daar bidt David tegenin.

Zie we al hoe door de evolutietheorie de wetenschap op de troon gezet wordt, waar de duivel God niet op wil zien? Hoe door het buigen voor het verstand het geloof in God verduisterd wordt en Gods wondere werken worden onteerd?

Bidt met David of de HEERE al die hindernissen toch eens weg neemt. Heere, ontferm U, ontdek o Heere mijn ogen en geef U mij licht en waarheid. Open mijn zielsogen om te aanschouwen de wonderen van Uw wet. Kom, laten we dit onthouden van dit woord van David. In de eerste plaats hebben we het licht van het woord van God nodig. Laten we het trouw lezen en onderzoeken. Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door hare smaak en hart en zinnen strelen, zingt David. Licht van het Woord van God mag een lamp voor onze voet en een licht op ons pad zijn. Maar onmisbaar is dat onze zielsogen geopend worden, vanwege onze aangeboren blindheid door de zonde. Door de Heilige Geest krijgen we zo zicht op Gods werken. Maar is de derde plaats is toch nodig dat hindernissen worden weggenomen. Hindernissen, waardoor we toch weer niet recht zien, en niet recht oordelen. Zij die de Heere vrezen zullen dit gebed altijd blijven bidden. ‘Ontdek mijn ogen’, want in het Woord van God is nog veel verborgen. Er is een goudmijn in, maar wij zijn slechte schatgravers. We kunnen niets vinden zonder dat de Heere ons leidt. Zonder dat Hij onze ogen daarvoor ontdekt. En als dit eens gebeurt, wat zien we dan soms veel in een enkel woordje in de Bijbel. Wat kan een enkel woord in de Bijbel, een enkel woord van God, als de Heere de ogen ontdekt,  ons veel openbaren. Dan smelten we in verwondering weg als we ervaren dat God door Zijn Geest uit vrije genade de ogen van blinden wil openen en ontdekken tot roem van genade. Stem maar in met deze verzuchting van David: ‘Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouw de wonderen van Uw wet’.

Zingen: Psalm 119:9.

Doe wel bij mij, Uw knecht, die U eens riep,
Opdat ik leven mag en ook bewaren
Uw Woord, waarin ik, HEERE, mij verdiep.
Ontdek mijn ogen, doe de nevels klaren
Van wat Uw wet verhaalt van hoe U schiep
Wil door Uw Geest die wond’ren openbaren.