Psalm 119 vers 19

Vreemdelingschap

Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet (Ps. 119:19).

Lezen: Psalm 120

Uitgesproken in Rotterdam in 1983

David spreekt hier over een vreemdelingschap. Wat is het om een vreemdeling te zijn? We komen het in de Bijbel vaak tegen. De Israëlieten zijn vreemdelingen geweest in Egypte, vreemdelingen in een vreemd land. Ze mochten dat nooit vergeten, heeft de Heere gezegd. Zij moesten zich ontfermen over vreemdelingen en gastvrijheid tonen. Waarom? Omdat vreemdelingen het vaak moeilijk hebben. Ze zijn niet thuis in de plaats waar ze toch zijn. Ze staan eigenlijk buiten de gemeenschap. Dat is kenmerkend voor het vreemdeling zijn. Als wij opeens in Duitsland gezet werden, of in Rusland. En je zou daar te midden van de inwoners van zo’n land opeens een plaats moeten hebben. Je zou hun taal niet verstaan. Je zou hun gewoonten niet begrijpen. Je zou hun voedsel niet lusten. Dan zouden we ons niet op ons gemak voelen. Dan zouden we benauwd zijn en niet weten hoe het verder moest. Buiten een gemeenschap te staan is geen kleine zaak! Dat is ingrijpend! Het beïnvloedt ons hele leven. Vreemdelingen worden weliswaar als gasten dikwijls geduld, maar dan zijn het nog maar gasten. Dan hebben ze geen bezit. Dan hebben ze geen rechten. Dan worden ze geduld. Dan mogen ze er zijn. Zelfs al worden ze verzorgd en krijgen ze misschien nog wel het gemeste kalf, het is toch hun eigendom niet, maar een gave. Wij moeten dit vreemdelingschap eerst overdenken, willen wij onze tekst verstaan.

We moeten eerst beseffen dat er twee manieren zijn om vreemdeling te zijn, twee soorten vreemdelingschap. Want staat een vreemdeling buiten de gemeenschap, we moeten weten dat wij zo van nature allen vreemdelingen zijn en buiten een gemeenschap staan. Wij zijn door de zonde vervreemd van God. We staan buiten de gemeenschap met onze Schepper, de algoede God, Die deze wereld geschapen heeft. Hij heeft ons op deze wereld een plaats gegeven. Hij verzorgt alles tot een zeker doel. Dat is ons, verblinde mensen, door de zonde onbekend. Wij zijn vervreemd van God, uit Wiens hand we zijn voortgekomen. Eens zullen we tot Hem terugkeren. Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, naar zijn eeuwige bestemming. Maar door de zonde zijn mensen vervreemd van hun Schepper. Verblind kennen ze hun Schepper niet, hebben ze Hem niet lief en dienen ze Hem daarom ook niet. Dat is de staat van de mens: vervreemd van God, losgeslagen van zijn oorsprong. De banden zijn verbroken met de Bron van alle goed, van alle licht, van alle blijdschap, vrede en vreugde. De banden met God zijn doorgesneden en daardoor zijn we vervreemd van God. De apostel Paulus schrijft erover aan de Efeziërs en zegt: ’Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls en  vreemdelingen van de verbonden der beloften; geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.’ U merkt, er is een climax in wat Paulus zegt. Het wordt steeds erger. Uiteindelijk loopt het eropuit  dat de mens ‘zonder God in de wereld’ is. Dat is een vreemdelingschap dat van nature niet gekend wordt. De mens beklaagt er zich niet over. Hij is er niet bang voor,  ligt er van nature geen nacht van wakker. Hij denkt wel zonder God te kunnen. Daarom zegt Paulus even later in het vierde hoofdstuk van die brief:’ verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun harten’. Verduisterd in het verstand, niet eens voelen dat je vreemdeling bent van God, er geen last van hebben, vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid. En dat omdat we niet meer weten wat ons leven is, onze oorsprong en onze bestemming niet meer kennen. We zijn losgeslagen uit het verband waarin de Schepper ons gesteld had in het Paradijs, in Zijn schepping, uit de plaats die Hij de mens gaf, in de orde die Hij in deze wereld gegeven had. God had de mens geschapen om Hem te dienen, om Hem te eren. Daar mocht hij priester zijn in de tempel van het Heelal, opperzangmeester zijn in het scheppingskoor, om zijn Schepper te loven en te dienen. Dat was de heerlijke bestemming van de mens. Op die plaats deelde hij in de liefde van God, de gemeenschap met God. Hij mocht ervaren dat de goede God zijn Vader was, Die hem van alle goed verzorgde. Dat was een heerlijk, een vreugdevol leven! Storeloos werd gemeenschap met God genoten. Daar was niets dan liefde en blijdschap, waar de mens in baadde. Wat een leven zonder zonde! Wat een leven van volmaakt geluk! Wat een zaligheid  had God de mens gegeven, zoals Hij hem geschapen had!

Maar de mens heeft zich losgerukt en van die gemeenschap vervreemd. Hij heeft tegen God gekozen en is de wereld ingegaan, luisterend naar de vader van de leugen, de duivel, de bedrieger, die zijn zinnen verblind heeft. Daardoor is de mens verduisterd in zijn verstand en vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in hem is. En het ergste daarvan is, als we dat niet voelen. Als we daar zelfs niet benauwd om zijn. Als we ons thuis voelen in een leven zonder God, waarin we de oorsprong van ons bestaan en onze bestemming niet kennen. Niet te weten dat God aan het begin van ons leven stond en dat Hij aan het eind zal staan! O, die duisternis, die stikdonkere nacht, waarin de mens zich door de zonde geworpen heeft. Dat vreemdelingschap, dat hij niet wil kennen als een vreemdelingschap. Wat is het nodig dit als een vreemdelingschap te leren kennen. Het is nodig dat God ons de ogen opent voor de verschrikkelijke staat waar we door de zonde in gekomen zijn. Dat Hij ons leert dat we vervreemd zijn en zo niet verder kunnen leven, omdat dit een eeuwige rampzaligheid tot gevolg zal hebben. Dat ons leven zal uitlopen op eeuwig onheil. Zijn we er wel eens bevreesd voor? Om als vreemdelingen van God door te leven? Dan zijn we vijanden van God en kan Hij niet anders dan op ons toornen. Dan zal God ons uiteindelijk schenken wat we altijd begeerd hebben: verdergaan zonder God. Dat eindigt in voor eeuwig wegzinken ‘in ’s afgronds donkere nacht’ zo zegt een dichter. Zijn we daar wel eens bang voor? Bid dan toch: ‘O God, red me van het verderf dat ik verdien. U kunt mij zijn, wat Jeremia zegt: ’Een leeuw in verborgen plaatsen en een loerende beer’. U kunt mij verdoen van voor Uw aangezicht, want dat heb ik verdiend. Ik heb geleefd zonder U en ik dreig voort te gaan zonder U’. Maar de ontdekking aan het vreemdelingschap, die de angst geeft dat God ons voor eeuwig straft, die het besef levend kan maken  dat we dat ook verdiend hebben, o, dat kan toch het begin zijn van het herstel. Het kan door Gods genade dat vervreemden, buitenstaanders leren dat er Eén gekomen is om vreemdeling te worden. Hij heeft de hemel verlaten om als een vreemdeling op aarde te verkeren, de Heere Jezus Christus. Hij heeft de liefde van Zijn Vader, die Hij storeloos mocht genieten, Hij heeft Zijn hemelse heerlijkheid verlaten om als vreemdeling op de aarde te verkeren. Hij is gekomen tot in de diepte van de Godverlatenheid. Waarom? Om vervreemden tot God terug te kunnen brengen. Om een weg te banen waar geen weg was; om zondaren, die ver van God dreigden om te komen, terug te brengen tot de Vader; een weg voor hen te banen door Zijn lijden en sterven. Een weg waardoor zulke zondaren die vanwege hun zonde niet anders verdiend hebben dan vervreemd te blijven, weer met God verzoend kunnen worden. Daar heeft Paulus ook iets van gekend. Hij schrijft aan de Kolossensen (1:22): ‘Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, In het lichaam Zijns vleses, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk  voor Zich stellen’. Daarom is Christus gekomen, om vervreemden van God met God te kunnen verzoenen.

Weet u wat nu zo merkwaardig is? Waar een vervreemde van God tot God wordt teruggebracht in een weg van wedergeboorte en bekering, wordt iemand juist een vreemdeling op aarde. U zult zeggen: ‘Maar je was toch door de zonde een vreemdeling? Ja, men was vervreemd van God’, maar omdat heel de wereld zich van God heeft losgescheurd en we de duivel de overste dezer wereld kunnen noemen, zien we dat de massa God uit de wereld wil bannen. Dat maakt de wereld tot één bestel van samenzweerders tegen God. De overste dezer wereld ontplooit zijn macht. Mensen – zelfs onderling vijanden – slaan hun handen ineen als het gaat om de strijd tegen God, tegen Zijn Woord, tegen Zijn kinderen, tegen Zijn instellingen. Dat zien we in de politiek  en overal. Als we ons in die wereld thuis voelen en God ons tot Zich trekt, wederbaart en tot Zijn kind maakt, dan worden we vreemdeling op de wereld. Dit is de tweede wijze van vreemdelingschap.

Dit is het vreemdelingschap van Gods kinderen. zoals David het hier bedoelt,  Als hij zegt: ”Ik ben een vreemdeling op de aarde”. Dit is niet het vreemdelingschap van nature, door de zonde vervreemd van God, maar hij bedoelt hier dat andere vreemdelingschap, waarbij je uit de duisternis van de tegenwoordige boze wereld getrokken wordt tot Gods wonderbaar licht, van een hellewicht een hemeling gemaakt wordt, van een kind des toorns een kind van God. Dan word je een vreemdeling op de aarde. Dat is een vreemdelingschap zoals alleen Gods kinderen kennen. Dat is een vreemdelingschap zoals we lezen in Hebreeën 11: “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloftenis niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van ver gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat ze gasten en vreemdelingen op de aarde waren.” Dat zijn Gods kinderen, die de Heere vrezen. Ze zijn gasten en vreemdelingen op de aarde geworden. Dan voel je je op de aarde niet meer thuis.

Wat zijn nu de kenmerken van dit vreemdelingschap? Zo’n vreemdeling is op doorreis. Hij komt ergens anders vandaan, is hier maar even en gaat weer ergens anders naar toe. Zie, dat is het leven van hen die de Heere vrezen. Ze hebben een oorsprong uit God en reizen naar een hemels vaderland. Ze zijn hier niet meer thuis. Ze zijn uit God geboren, zegt de Heere Jezus in Johannes 3. Ze hebben een oorsprong die een andere is dan die we van nature hebben. De Heere Jezus zegt: ”Wat uit vlees geboren is, dat is vlees en wat uit Geest geboren is, dat is geest.” En bij Job lezen we: “Wie zal een reine geven uit een onreine?” Onze natuurlijke geboorte is een geboorte onder de vloek van de wet, een geboorte uit Adams geslacht, dat door de zonde van God vervreemd is. Maar door de wedergeboorte, de vernieuwing van hart en leven worden Gods kinderen vreemdelingen op de aarde. Ze hebben door die geboorte een andere oorsprong dan de wereldling. Dit kent de wereld niet. Ze hebben ook een ander leven dat de wereld niet kent. En een ander levensdoel. Ze zijn op doorreis, net als vreemdelingen. Ze zijn hier even. Ze begrijpen dat alles wat ze gebruiken tijdelijk is. Dat is een les die de Heere zijn kinderen leert: ‘deze wereld bezittend als niet bezittend, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij’. Ze zitten niet meer zo vast. Zeker, door de zonde kan er ook wat dit betreft veel niet op zijn plaats zijn bij Gods kinderen. Maar toch worden ze enigszins  losgemaakt van alles wat vergankelijk is. Er komt een beginsel in hun leven, dat soms verlevendigd wordt waardoor ze de wereld niet meer kunnen gebruiken als een wereldling. Ze kunnen niet genieten van alles wat vergankelijk is zoals ze dat is in hun eertijds konden. Ze worden er toch enigszins van losgemaakt. ‘Deze wereld gebruikend als niet gebruikend; bezittend als niet bezittend’. Wel gebruiken maar niet misbruiken wil de apostel zeggen. Er is in het leven van zulke vreemdelingen op aarde, die uit God geboren zijn, toch zo’n verschil ten aanzien van andere mensen. Bedenk: Als u in Rusland gezet werd, of in een dorpje  in Duitsland, in een land waar u de taal niet van kent, waar u de gewoonten niet van kent, waar u het eten haast niet lust, wat zou u er zich voelen. In geestelijk opzicht begint dit in de wegergeboorte. Dan kan iemand een vreemdeling worden in eigen huis, in eigen gezin, omdat allerlei zaken opeens niet meer begrepen worden. Zo’n wedergeborene gaat een andere taal spreken: de tale Kanaäns. Daarin komen begrippen voor, die voor een mens die de Heere niet vreest, niet toegankelijk zijn. Want de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Ze zijn hem dwaasheid, schrijft Paulus. Daarin zijn andere begeerten, andere dingen die men zoekt, andere lusten. Dan gaan we de zonde haten. Dan kan men niet meer genieten van dingen waar huisgenoten nog volop in opgaan. Waar ze hun leven aan besteden. Het wordt ons de dood. Dan zijn er andere lusten en andere lasten, waarom anderen ons wel lasteren uit onbegrip: “Doe toch niet zo raar, doe toch mee, doe toch gewoon.” Zo kan iemand in eigen gezin een vreemdeling worden.  Zich onbegrepen voelen. “Eens mans huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.” Dan kan een vrouw door haar man gekweld worden omdat ze de Heere wil vrezen. Dan kan een kind door zijn ouders niet meer begrepen worden omdat het andere lusten en lasten gekregen heeft. Dan word je vreemdeling, temidden van degenen die je eigen zijn.

Een ander kenmerk van een vreemdeling is heimwee. Verlangen naar een vaderland, waar hij vandaan komt en heen wil. Een vreemdeling op aarde wenst naar hen die hij liefheeft, met wie hij innerlijke banden voelt, terug te keren. Maar dat is in het geestelijke leven ook zo. Een geestelijke vreemdeling op aarde heeft sterke liefdesbanden die hem trekken: zijn geestelijke familie zijn. Dat zijn degenen die de Heere vrezen. Daar trekken zulke mensen naar toe. Die zoeken de gemeenschap der heiligen. Ze zoeken anderen die hetzelfde vreemdelingschap kennen. Ze willen daarover met elkaar te spreken. Doet u het ook nog?

De sterkste banden van die vreemdelingen zijn er met de oudste Broeder, met Hem, Die voor hen in de vreemdelingschap kwam. Hij verliet Zijn heerlijkheid om vreemdelingen tot God terug te kunnen brengen. O, dan komt er een heimwee naar Hem, een liefde tot Die hemelse Bruidegom. Dat zijn banden die trekken. En als de zonde hier heerst en zij zich in hun vermoeiende strijd steeds weer besmetten met de vuilheid van de zonde, kan dat heimwee zoveel te sterker worden.

Zijn wij nog thuis op deze wereld? Wees eens eerlijk voor uzelf: zou u hier altijd willen blijven? Als het lichaam nu gezond bleef en u bij het ouder worden niet allerlei kwalen kreeg? Ik weet wel dat kwalen het leven soms tot een last kunnen maken. Maar stel nu dat het lichaam altijd gezond zou blijven, en uw geest altijd fris zou blijven, dat er geen aftakeling door de ouderdom was, zou u dan altijd hier op aarde willen blijven? Zou u dan altijd door willen gaan met te genieten van wat tijdelijk is? Waarin de zonde ons niet zou wegen? De natuurlijke mens zou zeggen: ik zou het liefst altijd hier op de wereld blijven. Maar als we last krijgen van de zonden, zijn er andere momenten. Ik weet wel, het zijn vaak maar momenten. Maar ze zijn er toch. Iemand die de Heere vreest kan niet ontkennen dat er zulke momenten zijn. Hoezeer ze ook met allerlei banden hier op aarde gebonden kunnen zijn en soms hun eigen vreemdelingschap wel eens in twijfel trekken. Toch, er zijn momenten dat de zonden zo’n last zijn en zo bedroeven kunnen, dat het hart zo schreit tot de Heere, om ontbonden te worden van de zonden. Het is waar: stervensgenade is een zaak die de Heere Zijn kinderen niet geeft tijdens dit leven. Dat is ook niet nodig. Daar zullen allerlei banden zijn met geliefden, die er mogen zijn. De Heere heeft ze zelf gelegd en de liefde geboden. Daar moeten we niet minachtend over spreken. Die banden mogen er zijn. Maar het gaat toch wel om de vraag: is er iets van dat vreemdelingschap? Is er iets van dat verlangen ‘om nooit meer te zondigen’?  Is er iets van het niet thuis zijn tussen mensen die de wereld dienen, je niet thuis voelen in alles wat vergankelijk, onder de vloek van de zonde, voortholt naar een eeuwig verderf? Dan wil je telkens daaruit wegvluchten en de gemeenschap zoeken die er alleen door het geloof kan zijn met Hem, Die in deze vreemdelingschap kwam, om, om zondaren daaruit te verlossen.

We moeten ook naar het tweede gedeelte van de tekst kijken. ‘Verberg Uw geboden voor mij niet,’ bidt David ook. Doet God dat dan, Zijn geboden verbergen? Ook hier moeten we weer denken aan een woord dat staat voor de openbaring van de wil van God; een synoniem voor Gods inzettingen, Zijn bevelen, Zijn getuigenissen, of hoe ze ook genoemd worden. Het staat voor de hele openbaring van de wil van God. Voor het woord van God, Zijn inzettingen, Zijn geboden, Zijn bevelen, Zijn getuigenissen of hoe ze genoemd worden. Verberg Uw Woord  niet, zo kunnen lezen. En de vraag die dan opkomt is:  Doet God dat dan? Zijn Woord verbergen? Laten we in de eerste plaats verwonderd zijn dat het Woord van God nog onder ons mag zijn. Er zijn landen waar het niet meer is. Er zijn volken waar het niet in vrijheid gelezen of onderzocht mag worden. Waar men vervolgd wordt. U weet uit onze kerkgeschiedenis dat er tijden waren dat men op de brandstapel gebracht kon worden omdat men het Woord van God in huis had. Dan is het al bijzonder als we Gods Woord in vrijheid mogen lezen. U hebt wel een Bijbel in huis, misschien wel vijf. Zijn ze vaak open? Leest u er vaak in? Laten we het toch waarderen dat Gods woord nog onder ons mag zijn, nog vrij verkondigd mag worden. Merk dat allereerst op. Maar het kan bij Gods kinderen zo merkwaardig zijn in hun omgaan met het luisteren naar het Woord van God. Er kunnen tijden zijn dat het zo donker is. dat ze het licht uit het Woord niet meer zien. Ethan heeft gezucht in de 89e Psalm: ‘Hoe lang, o Heere zult Gij U steeds verbergen?’ Hij klaagde erover dat de Heere zich voor hem verborg. Het was zo donker in zijn leven geworden. Dan is Gods Woord toegesloten. Als de Heere zich van hem verbergt, is het stikdonkere duisternis. Dan is het Woord des levens, het vlees geworden Woord ver van hem. Dan aanschouwt hij Gods aangezicht niet in gunst. Dan kan hij niet verkwikt worden door liefelijkheden van het hemelleven. Omdat hij Hem, door Wie de hemel alleen de hemel is, de Heere Jezus Christus, niet met een oog des geloofs aanschouwt. Wat kan het dan donker zijn! Er zijn veel oorzaken waardoor het donker kan worden in het leven van Gods kinderen, waardoor ze met Ethan zuchten: ’Hoelang o Heere, zult Gij U steeds verbergen?’ Er is nu geen tijd om dat uitgebreid te behandelen. Het doel ervan is enerlei: de Heere wil de Zijnen louteren in dit leven. Louteren is: heiligen, klaar maken voor de hemel. Wel is in die tijden van duisternis Gods Woord dikwijls nog een stok en staf voor die vreemdelingen op aarde. Dat moeten we niet vergeten. De Heere geeft Zijn Woord ook als het erg donker wordt en Zijn gevoelige gemeenschap wordt gemist. Dan zegt David immers: “Al ging ik ook door en dal van de schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf die vertroosten mij”. Hij ervaart dan hoe in Zijn Woord de Heere toch bij hem is. Dan vreest hij niet.

Maar het kan wel banger worden. Zo bang, dat het Woord geen troost meer schijnt te bieden. Dan zien we die lamp voor onze voet, dat licht op ons pad als het ware uitdoven. Als we het Woord Gods dan opslaan, dan zien we Hem niet, Die onze ziel lief heeft. Want daar gaat het Gods kinderen om: om de Liefste. O, al zien ze Hem maar door de traliën van het Woord, als ze maar iets van Hem mogen zien. Dan is er troost, dan is er moed. Als ze bemoedigingen krijgen door Hem. Als ze maar een blik op Hem mogen slaan, al is het van verre. Dan krijgen ze een bemoediging, een vertroosting. Maar als dat wegvalt? Als ze hun Gids in een vreemd land niet meer zien? Die leiding, die enige oorzaak van blijdschap, door Wie ze moed krijgen? Wat kan het dan angstig zijn! Voor wie?  Voor degenen die leerden zien, die weten wat het is om te missen wat ze begeerden te zien. Die weten wat het is, als ze Hem missen, Die hun ziel liefheeft. De Heere geeft Zijn kinderen in de wedergeboorte ogen om te zien.  Je hebt zowel ogen als licht nodig. En als het licht wordt, gaat het om het Voorwerp dat men begeert te zien. Dan gaat het om Christus. Wat is het smartelijk als de Heere wel het gezichtsvermogen heeft gegeven, maar als men Christus niet kan vinden. “Ga ik voorwaarts, zo zie ik Hem niet, ga ik achterwaarts, dan bemerk ik Hem niet.” Wat kan het bang worden voor hen die leerden zien en die Christus niet kunnen missen. Die gaan met David dit gebed bidden: “Verberg toch Uzelf voor mij niet!” Mag ik dan iets van U zien in Uw inzettingen, in Uw getuigenissen en geboden? Die enige Gids in het land van vreemdelingschap.

Neem het beeld nog eens voor u. Je wordt in Rusland gezet, zit daar in een vreemd dorp. Weet je de weg naar huis nog, dan kan je er gelukkig  nog uitkomen. Dan weet je de weg nog naar je vaderland. Maar misschien had u ook wel eens een droom dat u helemaal verdwaald was. Een verdwaald kind gilt van angst: “Waar moet ik heen!” Zo’n gevoel bevangt ook hen die de Heere vrezen, als de Heere geheel van hen wegtrekt en Zich verbergt. Dan schijnt het Woord geen troost meer te bieden en kunnen ze geen moed meer vinden uit Gods getuigenis. Dan kunnen  ze Christus niet meer vinden en schijnt de weg naar de hemel voor hen toegesloten. Als je op de wereld niet meer thuis kunt zijn, je zonden je beschuldigen, je niet meer terug kunt naar de wereld van eertijds. maar als het ook schijnt dat de Heere Zich over jou niet ontfermt. Dan dreig je weg te zinken. Maar daar worden zulke verzuchtingen als hier geboren. Daar wordt de hemel bestormd met verzuchtingen, zoals David in de honderd negentiende psalm bad. Dan ga je meebidden, mee zuchten. Dan wordt hier je hart verklaard en mag je met David verwachten. Dan staan er in Gods Woord toch rijke beloften voor zulken, rijke beloften voor hen die de Heere verwachten. Ze kunnen het van niets meer verwachten dan van de Heere. “Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen. Ze zullen opvaren gelijk de arenden.” We mogen zulken wijzen op Gods Woord, dat Hij Zelf heeft gesproken. Het kan wel eens zijn dat zij de Heere niet meer zien, maar dat betekent niet, dat de Heere hen niet meer ziet. “Waarom zegt gij dan o Jacob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet? hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?” Daarom mogen we tot hen zeggen, die in het land van hun vreemdelingschap de Heere niet meer zien: Hij ziet u nog wel. En Hij vergeet ze niet die in de eenzaamheid tot Hem zuchten en met David instemmen: “Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.” Amen.

Zingen: Psalm 119 vers 10:

Omdat ik als een vreemdeling verkeer
op aarde en geen blijvend thuis kan vinden,
verberg dan niet uw wet en goede leer,
maar wil ze op mijn hart en leven binden.
Mijn ziel bezwijkt van heimwee naar Uw eer
en ’t oordeel over hen die ’t kwaad beminden.