Psalm 119 vers 22

SMAAD EN VERACHTING

Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden (Ps. 119:22).

Lezen Psalm 119: 17-24.

(Uitgesproken in Rotterdam-Zuid in 1983)

Deze psalm is een doorlopend gebed, een aaneenschakeling van verzuchtingen die alle te maken hebben met bevindingen in Davids leven. In dit vers bidt David weer tot de levende God. In ieder vers lezen we van andere omstandigheden die neergelegd worden voor de troon van de Allerhoogste. In deze verzuchting is hij bezet met smaad en verachting. Er waren mensen die hem smaadden en verachtten. Dat doet zeer. Ik denk dat we er allemaal wel iets van weten. Wie heeft er nooit eens te maken gehad met verachting, met smaad van anderen. Als zij ons uit de hoogte en met minachting bejegenen. Als ze ons zoeken te vertrappen in de modder. Wat kan dat pijnlijk zijn. Wie zou er nu graag veracht, wie zou er nu graag versmaad willen worden? Toch niemand!
Evenwel alle smaad en verachting is niet eender. We kunnen wel bespot of veracht worden door eigen schuld. Dan hebben we het ernaar gemaakt. Dan moeten we zeggen: waarom heb ik toch zo dwaas gehandeld, zo verkeerd gedaan. Iemand die iets maakt en zegt: ’Dat zal ik wel even doen’ verbeeldt zich dat hij het erg goed kan; beter dan iemand anders. En als er dan niets van terechtkomt en helemaal in het honderd loopt. Het was hoogmoed. Hij dacht het wel te kunnen maar hij kon er niets van. Hij had beter naar raad van anderen kunnen luisteren, maar daar was hij veel te hoogmoedig voor. Dan haalt zo iemand verachting op zich en wordt hij bespot door eigen schuld. Het kan ook zijn, dat iemand veracht of bespot wordt omdat hij in een bepaalde zonde leeft. Niet dat we mee moeten doen met zo te spotten, maar u weet wel, dat als iemand dronken over straat gaat, soms al gauw joelende kinderen achter hem aanlopen, die de dronkaard bespotten. Iemand die steeds in dronkenschap leeft, haalt verachting over zich. We kunnen niet zeggen dat dit zonder schuld is. Iemand verlaagt zich, als hij zich onder de macht van sterke drank laat brengen. Dan brengt hij zichzelf in een staat van verachting. Het kan ook zijn dat we op onze levensweg handelen en wandelen op een dwaze manier. Maken we telkens verkeerde keuzes in ons leven, bewandelen we een verkeerde weg, ook in het maatschappelijk leven en luisteren we niet naar adviezen van anderen, menen we de wijsheid in pacht te hebben, dan kan het zijn dat we uiteindelijk niet anders dan door eigen schuld verachting en spot over ons halen. Dan moeten we bij dat alles zeggen: ‘Wat heb ik dwaas gedaan, had ik maar naar raad geluisterd. Had ik maar niet toegegeven aan die zonde.’ Ootmoed hierbij heeft nog iets van wijsheid.

Smaad, spot, verachting door eigen schuld is wat anders dan de smaad, de spot, de verachting waarover David hier spreekt. Dat is geen smaad door eigen schuld. Wentel van mij versmaadheid en verachting want ik heb Uw getuigenissen onderhouden, zo zegt hij immers. Hij wordt bespot en versmaad. We kunnen niet zeggen dat het is omdat David hier zelf zo dwaas is geweest. Omdat David in een bepaalde zonde is gevallen. Op een andere tijd is dat wel eens gebeurd maar hier in deze omstandigheden kunnen we dat niet zeggen. Hier ontmoet David ten onrechte smaad, verachting en spot. Eigenlijk moeten we zeggen, dan ligt de fout niet bij David, maar bij de spotters. Bij degenen die smaad op David neer doen dalen. Bij degenen die hem verachten.

Dat is niet alleen bij David zo, maar dat kan ook in ons leven zo zijn. Er zijn er die versmaad worden, die veracht worden, die bespot worden terwijl er in hun leven zozeer geen reden toe is aan te wijzen. Althans, voor die bepaalde smaad, die bepaalde spot of hoon. Dan moeten we misschien wel zeggen: ‘wat hebben we gedaan waardoor we zo veracht worden?’ Is dat dan niet aan te wijzen? Jawel, dat is wel aan te wijzen. Weet u wie ten onrechte veel versmaad worden, wie veel bespot worden, zoals in onze tekst? Mensen die God vrezen. Het is bij uitstek het deel van Gods kinderen om ten onrechte versmaad te worden, veracht te worden. Dat kom je hier in deze tekst tegen, maar dat kom je de hele Bijbel door ook tegen. Dat kom je de hele kerkgeschiedenis door ook tegen. En dat kom je tegenwoordig ook bij ieder kind van God tegen. Je ontmoet veel smaad, veel spot en veel verachting als je de Heere oprecht liefhebt. We kunnen voorbeelden noemen uit de Bijbel. Enkele dan.

Ik denk aan Noach, een oprecht kind van God, prediker der gerechtigheid. Had hij het kwade voor met de mensen? In het geheel niet. Hij bracht het Woord van God tot zondaren die hun weg verdierven en die niet anders deden dan roepen om Gods oordelen. Niet met woorden natuurlijk; dat doen we geen van allen. Maar met hun leven riepen ze om Gods oordelen. Trouwens een vloeker doet het ook met woorden als hij vraagt om zijn eigen ondergang, roepend om Gods oordelen, om de ontlading van Zijn toorn. Zo maakte de eerste wereld zich rijp voor de zondvloed. En Noach de prediker der gerechtigheid kwam als een trouwe knecht van God en waarschuwde. Hij waarschuwde voor de komende toorn en wees een weg van behoud. Daar is een weg om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen, om het met de woorden van de catechismus te zeggen. Welke weg wees Noach dan aan? Hij mocht die weg zelfs gestalte geven in de ark. Hij bouwde de ark op Goddelijk bevel. Hij bouwde een duidelijk teken van Goddelijke ontferming. Genade, o daar was redding mogelijk van de toekomende toorn en hij heeft dat gepredikt. Twee dingen heeft hij gepredikt. Het komende oordeel en Gods rechtvaardige toorn, maar ook de weg ter ontkoming, de genade, zo rijk geopenbaard in die ark, die een type was van Christus, de enige schuilplaats tegen Gods toorn. En wat deden de mensen: ze spotten, ze lachten, ze smaadden hem. “Noach je bouwt een boot op het land, wat moet dat worden, die kun je nooit gebruiken, daar kun je nooit mee varen.” Het zal zo’n vaart niet lopen met die toorn van God, zo dacht men en vooral toen die prediking van Noach lang duurde, en er niets van de toorn van God bleek. Toen men ‘de lankmoedigheid van God traagheid achtte’. Uiteindelijk is toorn van God wel gekomen. Noach heeft veel smaad gehad tijdens zijn prediking en van bekeerlingen lees je niets. Dat is wat: honderd en twintig jaren, zo lezen we in Gods Woord en van bekeerlingen hoor je niets. O, wat een smaad heeft die knecht des Heeren gehad! Ten onrechte. Men heeft hem voor een dwaas gehouden, maar de spotters waren dwaas.

Een ander voorbeeld uit Gods Woord is David, als hij moet vluchten voor Absalom. Simeï gooit met stof en met stenen en vermaakt zich als David moet lijden. Spot, hoon voor een knecht van de Heere! Gods profeten hebben dit veel ervaren, als ze het Woord van God brachten. Dan stonden de mensen meest niet te wachten. Soms deed men wel of men ernaar uitzag, maar als de boodschap duidelijk werd, zinde het hen meestal niet. En als het Woord van God een mens niet zint, dan keert hij zich af. Dan zoekt hij wat anders in plaats van eronder te buigen. In plaats van vernederd te worden, wil een hoogmoedig mens liever iets anders horen. Hij keert zich naar een andere waarheid, alsof die zou bestaan! Die niets anders is dan leugen. Wat verdrietig als zo Gods knechten, de profeten, smaad moesten ervaren, terwijl het woord der waarheid in hun mond was. Wat heeft men in de tijd van Nehemia de Joden die terugkeerden uit de ballingschap niet bespot, toen ze de stad en de tempel wilden herbouwen! Men sprak over amechtige Joden die de steentjes uit het stof tot leven wilden roepen. En denk nu bijzonder eens aan Christus. Wat heeft Hij niet veel smaad en spot moeten verdragen! Wat heeft men Hem veracht en gehoond. Heeft men Hem veracht, dan zullen de Zijnen dit ook ervaren. Dat is het deel van al Gods kinderen. De Apostel schrijft er over in de Hebreeënbrief als hij het heeft over het lijden wat veel mensen hebben moeten doorstaan, juist door hun geloof. Dan zegt hij onder andere: ‘En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis; Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde (Welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen, en in spelonken en in de holen der aarde’ (Hebr. 11:36-38).

Deze allen hebben door het geloof getuigenis gehad hebbende de belofte nog niet verkregen, schrijft de apostel. Maar het geloof was in hen werkzaam en daardoor ontvingen zij die smaad van hun medemensen. Dat is pijnlijk! Zou u het er voor over hebben? Sommige mensen zoeken door hun geloof, door hun overtuiging het heel goed krijgen bij de mensen in de wereld. Ze zoeken lof en eer, geprezen te worden. Ach, dat toont hoe ons hoogmoedige hart werkzaam kan zijn. Dat brengt ons in wegen, waarin het ons naar het vlees gaat; waarin andere mensen ons achten en eren, maar als God een zondaar bekeert, dan zal hij verachting, smaad en hoon oogsten. Waarom toch? Wel juist om wat David hier noemt: ’Want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.’ Dit geeft David ook vrijmoedigheid om dit gebed te bidden. Hij vraagt of de Heere de versmaadheid en de verachting van hem wegneemt. Hij kan daarbij vrijmoedig zeggen: ’Heere, ik heb die versmaadheid nu niet gekregen om mijn dwaasheid, om een bepaalde zonde of goddeloosheid, maar omdat ik juist in Uw geboden ga. Daarom: bevrijd mijn ziel hiervan.

Maar we zien dus dat het houden van Gods geboden aanleiding is voor de wereld om te spotten met mensen die deze geboden houden. Zien we dat in onze tijd ook niet overal? Iemand die nog liefde heeft tot God en tot Zijn wet, wat wordt die niet veracht! Wat word je niet bespot, gehoond, versmaad, als je nog vasthoudt aan die voorschriften en instellingen die God gegeven heeft, vanaf het begin van de wereld. Wie het huwelijk nog hoog houdt als een instelling van God bij de Schepping, wordt tegenwoordig voor achterlijk versleten. Wie de natuurlijke liefde, die God nog geeft tussen ouders en kinderen, tussen man en vrouw, sterke banden die God legt, hoogacht, wordt veracht. Men versmaadt hen die ze hooghouden. Men veracht hen, die de instellingen van God beminnen.

Zien we op de inzettingen van God in de 10 geboden, daar David denkt ook voortdurend aan. Want hij spreekt over de wonderen van Gods wet. Hij zegt dat die geboden voor hem niet verborgen moeten blijven. We lezen in deze Psalm voortdurend over Gods inzettingen, Gods getuigenissen, Zijn wet, Zijn Woord. David heeft ze lief en juist dat haalt die smaad en verachting over hem en over allen die ze net als David liefhebben, die nog teer begeren te leven, die niet overal kunnen meedoen. Dan kunnen we niet verdragen als in onze omgeving Gods Naam wordt gelasterd en er gevloekt wordt. En als men er dan iets van zegt, zijn er anderen die wellicht zo iemand bespotten en verachten. Wat weet je van me! Ik zal toch zeggen wat ik zelf wil! O, dan wordt niet de vloeker, maar degene die de vloeker vermaant, veracht. En dat geldt van alle geboden Gods. Denk aan het onderhouden van de dag des Heeren. Hoe worden zij die trouw naar Gods huis begeren te gaan, bespot, zodat ze soms innerlijk gekrenkt aankomen om hun plaats te zoeken onder het Woord van God. Wat een smaad, wat een hoon is er weggelegd voor hen, die het gezag van de overheid nog willen zien als een instelling van God. Die de doodslag op alle terrein als een verbod zien, zolang het niet rechterlijk geschiedt. Die tegen abortus en euthanasie zijn, het zijn verouderde, verachte mensen met achterhaalde standpunten zegt men dan. En denk aan alle zonden die in onze tijd plaatsvinden tegen het zevende gebod! Een gebod van God ten aanzien van het huwelijk, ten aanzien van het lichaam. Zij, die het lichaam rein willen bewaren en beseffen dat het een tempel moet zijn van de Heilige Geest, wat worden ze veracht in onze tijd. De mens wenst zich als een beest uit te leven.

Juist het houden van Gods geboden maakt hen die de geboden liefhebben, voorwerp van versmaadheid en verachting. Je zou zeggen: daar heb je toch eer mee te verwachten als je trouw bent in het houden van Gods wet? Als je trouw bent in het houden van Zijn inzettingen? Nee zo is het nooit geweest. Wat geeft dan hen, die God liefhebben de kracht om Zijn geboden toch te onderhouden, ook als de gehele wereld er tegenop komt en je daardoor smaad en hoon over je heenkrijgt? Hoe kun je dan doorgaan? Dat is de kracht van de liefde. Daarom vallen er ook zoveel af. Zij die de kracht van die liefde missen, die hebben het zo zwaar. Die moeten het doen uit dwang. Ze dwingen er zichzelf toe, maar worden niet gedrongen door een innerlijke begeerte tot God en Zijn dienst. Ze hebben geen innerlijke liefde tot Gods wil. Waar liefde tot God is, is liefde tot Zijn wil, maar waar de liefde tot God afwezig is, daar is het gehoorzamen van Gods geboden een slavendienst. Dat is een dienst zonder liefde. En dat valt zwaar. Smaad en verachting te dragen valt dan het allerzwaarste. Niet dat het Gods kinderen niet zwaar valt. Zeker, die valt het ook zwaar. Maar juist zij leren wat ze verdiend hebben. Want als er tegenslagen zijn bij wie Gods geboden liefheeft, die Gods wil begeert te houden, dan wordt die in die weg in zijn eigen ogen eerst vernederd. Juist dan, als hij of zij moet leren dat wij dagelijks struikelen in veel dingen en de geboden Gods niet weten te houden zoals het behoort. Paulus schrijft: ‘Toen het gebod gekomen is, is de zonde weder levend geworden, en ik ben gestorven.’ Hij heeft geleerd dat hij de geboden Gods niet kon houden. Uiterlijk kon het nog wel iets lijken, maar innerlijk! O, wat een zonde, wat een dwaasheid, wat een afdwalingen in zijn hart. David zegt ergens: ’Wie zal ze verstaan. Reinig mij van de verborgen afdwalingen.’ Merkt u het wel? Gods kinderen worden in een weg van overtuiging vernederd. Zo vernederd, dat ze allerlei zonden, waar ze andere mensen in zien leven, die deze uitleven, gaan inleven. En dan kunnen ze niet meer boven een ander staan. Dan word je innerlijk overtuigd van de boosheid van je eigen hart. Dat leren al degenen die de Heere vrezen. Die worden door overtuiging, door zelfkennis, voor Gods aangezicht vernederd. En dat maakt het toch anders om smaad en verachting te dragen. Nee, niet dat men dan altijd kan zeggen dat de smaad en de verachting die men krijgt om de geboden die men lief heeft, terecht is. Zeker niet. Maar men zal wel ervaren dat het van binnen vaak zo slecht gesteld is, dat er zoveel zonde en ongerechtigheid in ons is, dat we niet kunnen zeggen beter verdiend te hebben. Iemand die de Heere vreest, verliest zijn verdiensten, verliest al de rechten die hij meende te hebben. Die wordt vernederd; daar krijgt de hoogmoed een knak.

Stel het vers dat we overdenken eens tegenover het vorige vers, vers 21: ‘Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.’ Dat zijn de hoogmoedige mensen die doorgaan in hun hoogmoed; die dwalen ook van Gods geboden af. Dat gaat samen: hoogmoed en Gods geboden verachten. Wel zo gaat het ook samen: ootmoed en Gods geboden houden, of begeren die te houden. Dat zijn twee dingen die samengaan. En die zijn er in onze tekst. Daar is vernedering, door goddelijke genade; verootmoediging. En al gaat de wereld zulken dan versmaden en verachten, weet toch dat God het voor ze opneemt. Want weet je wat het allerpijnlijkste hierbij is? Pijnlijk in de smaad en verachting is voor Gods kinderen dat Gods Naam er zo licht bij gelasterd wordt. Dat mensen die lasteren en smaden, Hem verachten en over hen heen God lasteren. Ze versmaden God; ze verachten Hem. Dat geeft hen een diepe smart in het hart. Daarom kunnen ze soms ook niet zwijgen als ze veracht en bespot worden. Dan moeten ze wel eens spreken, omdat het Gods Naam en waarheid aangaat. ‘Dwaalt niet’, zegt de apostel Paulus, ‘God laat zich niet bespotten’. En dat is ook zo. God laat zich niet bespotten. De mensen die het op Gods kinderen gemunt hebben, die hen wel schelden voor fijnen, die hen verachten en bespotten, hebben het op God gemunt. God ziet dat wel en dan zal Hij het op Zijn tijd voor Zijn kinderen opnemen. Dat hoeven ze niet zelf te doen; nee, dat mogen ze niet zelf doen. Gods kinderen mogen niet voor zichzelf gaan vechten. Als mensen hen verachten en bespotten, hen onrechtvaardig behandelen, dan zegt de Apostel Paulus evenwel:´Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen’. Dit wordt de christen voorgehouden.

Dus als er mensen jou verachten, jou bespotten om je godsdienst, die niets van je moeten hebben, wees toch maar goed voor ze. Wreek je maar niet op hen, maar geeft de toorn maar plaats. Want er staat: ‘Mij komt de wraak toe’. Dat betekend niet dat de spotter zijn straf nooit krijgt, maar de Heere zal er voor zorgen, ‘Mij komt de wraak toe.’ De openbaring van het leven van Gods kinderen zou moeten zijn een leven van zachtmoedigheid en van liefde, zelfs voor hun vijanden. Misschien moet ik wel zeggen: juist ook voor hun vijanden. Ja, want vrienden liefhebben kan men ook in de wereld wel. Wie zal toch zijn vrienden haten of verachten. De Heere Jezus heeft ervan gesproken als Hij Zijn discipelen vermaant dat ze voorbeeldig moeten leven. Dan zegt Hij ook: ’Hebt uw vijanden lief; zegent ze die u vervloeken, doet wel degenen die u haten, bidt voor degenen die u geweld aandoen en die u vervolgen, opdat ge kinderen moogt zijn Uws Vaders die in de hemelen is. Want Hij doet de zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Als ge liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?’ De Heere wil dat zij dus liefhebben die hen haten.

Zachtmoedigheid wil de Heere Zijn kinderen leren, als ze versmaad, als ze bespot worden. Van wie zouden ze dat nu beter kunnen leren dan van de Heere Jezus Christus Zelf? Ze zullen het ook leren als ze Hem leren kennen als hun Borg, als hun van God gegeven Middelaar. Als ze leren wat de apostel schrijft: ‘Christus heeft om de blijdschap die Hem voorgesteld was, het kruishout gedragen, de schande veracht.’ Hij heeft de schande gedragen. Zie Hem staan voor Kajafas. Zie hoe degenen die Hem vastgegrepen hebben, Hem bespugen, Hem stompen, Hem blinddoeken. Hem bespotten. ‘Zeg het! Profeteer ons wie U geslagen heeft!’ Zie Hem straks staan in het blinkende kleed voor Herodes, of als Hij weer bij Pilatus gebracht wordt en Hem een purperen mantel aangedaan wordt en een rietstaf in Zijn hand wordt gegeven en een doornenkroon op het hoofd gezet. Zie de soldaten voor Hem neervallen en Hem spottend aanbidden als de Koning der Joden. Zie hoe men Hem bespot aan het kruishout, als Farizeeën en de Schriftgeleerden en andere Joden Hem voorbijlopen, roepend: ‘Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.’ Hoe wordt Hij bespot Die gewillig een weg baant voor zondaren om tot God gebracht te kunnen worden; Die als Borg de dood gaat doden voor de Zijnen, opdat ze het eeuwige leven uit Zijn hand zouden kunnen ontvangen. Hij heeft in die weg niet anders ontvangen dan spot zoals in de 69e Psalm staat: ‘Versmaadheid breekt en scheurt mij ’t hart vanéén; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden mij door de ziel; ik wacht naar medelijden, naar troosters, maar helaas, ik vind er geen. Ja grote God, zij hebben mij, tot spijs, bij al mijn smart, nog bitt’re gal gegeven; een edikteug is zelfs een gunstbewijs, wanneer de dorst mijn lippen saâm doet kleven.’ Daar werd de Heere Jezus Christus aan het vloekhout der schande gehangen en overladen met smaad, met hoon en met verachting. Hij kon zeggen, dat er niet een trooster was; niemand die het van Hem afwendde. Waartoe heeft Hij die hoon, die smaad gedragen? Was het niet opdat Hij de zijnen ervan zou bevrijden? Was het niet, opdat Hij de zijnen van een eeuwige rechtvaardige versmading zou bevrijden? Want ze leren het – hebt u het al geleerd? – dat ze het voor eeuwig waard zijn om door God versmaad te worden? Dat ze het waard zijn dat God hen voor eeuwig van voor Zijn aangezicht wegdoet, vanwege het gruwelijke van hun zonden en de veelheid van hun overtreding? Dan te leren dat Christus kwam om op Golgotha verlaten te worden, niet alleen van mensen, maar ook van God., opdat Hij voor zondaren tot een Zaligmaker zou zijn. Hem te leren kennen als de Borg en Middellaar die kwam om de Zijnen van een eeuwige ondergang te redden, dat is de zekerste weg om te leren in Zijn voetstappen te wandelen. Dat is de enige weg om het te leren. Van Hem mogen we leren dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. Hij zegt: ’Dan zult gij rust vinden voor uwe zielen.’ Denk niet dat Gods kinderen dan van alle hoon, van alle smaad bevrijd worden, als ze Christus leren kennen en Zijn spot en hoon leren kennen. Dan heeft Hij het zelf al tegen hen gezegd: ’Gedenk des woords dat ik gesproken heb, een dienstknecht is niet meerder dan zijn Heer. Indien ze Mij vervolgd hebben, zij zullen u vervolgen.’ Als de Meester veracht en versmaad is, dan zullen ook Zijn kinderen veracht en versmaad worden. Maar ze mogen met vrijmoedigheid dan deze bede leren bidden die David gebeden heeft: ’Wentel van mij versmaadheid en verachting want ik heb Uw geboden onderhouden.’ Ze mogen er de toevlucht in nemen tot God, hun ziel opheffen tot de Allerhoogste: ‘Heere, U ziet het toch, die moeite en dat verdriet opdat we het in Uw hand geven?’ Wie dat mag beoefenen die zal toch rust, toch onderwerping vinden in die weg waarvan de dichter in Psalm 25 zegt: ‘k Hef mijn ziel o, God der goden, Tot U op, Gij zijt mijn God, ‘k Heb op U vertrouwd in noden; Weer van mij toch schaamt’ en spot.

Zingen: Psalm 119:11

U scheldt hen die hovaardig, bruut en slecht,
in overmoed van Uw geboden dwalen,
terwijl Uw vloek zich aan hun paden hecht.
Weer van mij toch de smaad die neer moet dalen
op ieder die geen lust vindt in Uw recht,
want door Uw wet liet ik mijn weg bepalen.